Uitgelicht

Hooglied

Dit is de samenvatting van het bericht.

In ieders binnenste borrelt en blupt het soms.

Bij mij ook.

Wat er vooral als een fontein sproeit is het verliefd zijn op Jezus.

En het wéten dat Hij dat ook op mij is.

In mijn blogs over Hem,schrijf ik een beetje mijn eigen Hooglied.

In de hoop dat je ook gegrepen wordt door deze liefde,want ik wil Hem graag delen.

bericht

High tea on Higher ground

Sinds Overgrootoma overleden is staat haar prachtige vitrinekast in de kleine kamer van mijn eigen huurappartement.
Zo’n kast waar geen spijker of schroef aan te pas komt en zo vernuftig en solide in elkaar zit dat je meteen al wel door hebt; zo eentje koop je niet bij Ikea!
Net thuis gekomen van een ingrijpend en emotioneel gesprek sta ik zoals vroeger voor de kast, waarbij me de tranen van heimwee naar Oma over de wangen rollen.
Het antieke glas, waarachter het serviesgoed een veel mooiere inkijk geeft dan het alledaagse glas van nu, betovert mijn zinnen en trekt me mee in een stroom eindeloos kostbare herinneringen.
Als kind kreeg ik er al geen genoeg van me te vergapen aan het tere haast doorzichtige Engels en Chinees porselein naast het meer robuuste aardewerk uit Scandinavië.

Voorzichtig schuif ik één van de grote deuren open.
Het piepend en schurend geluid van het schuiven over de ijzeren rail doet me glimlachen om de haast hoorbare reactie van Oma; ‘ kind, ik moet nodig de rail weer een beetje smeren.’

Soms zou ik de kast voor altijd dicht willen houden om zo de antieke geuren van bijenwas en 4711, het favoriete eau de cologne van Oma gevangen te houden achter de betovering van de glazen ramen.
Ik zou dan af en toe de deuren een ietsepietsie open schuiven en me over geven aan de herinneringen vol vertrouwde geluiden en geuren.
Voorzichtig neem ik het laatst gebruikte flesje 4711 in mijn handen en snuif de herkenbare geur van Oma op.
Ook nu brengt het me terug naar de tijd dat ik s’middags uit school eerst naar Oma ging.


‘Zoals iedere doordeweekse middag zit Oma al op me te wachten en wanneer ze me ziet, licht haar lieve gezicht tussen de altijd bloeiende Orchideeën op van liefde en blijde vrolijkheid.
Ze komt uit haar stoel overeind en zwaait me hartelijk welkom toe.
Door het touwtje uit de brievenbus kan ik zelf de deur open doen en snel hang ik eerst mijn jas en schooltas aan de kapstok.
‘Lieverdje, ben je daar’ klinkt haar begroeting waarna ze mijn gezicht tussen haar beide handen neemt en mijn wangen met haar zachte lippen nat zoent.

Als in Oma’s keukentje de waterketel begint te fluiten weet ik precies wat er komen gaat maar het is té leuk het toneelspel van Oma mee te spelen als zette ze die dag voor de eerste keer voor ons tweetjes thee.
‘Liefje, zoek jij vandaag de mooiste theepot uit?’ klinkt vanuit de keuken haar zachte stem; het sein waarop het dagelijks ritueel beginnen kan.
De kast schudt en trilt van blijde verwachting wanneer ik één voor één de deuren behoedzaam opzij schuif.
Alsof het door Oma verzameld serviesgoed uitziet naar dit weerkerend ritueel danst het rinkelend haar eigen melodie op de overvolle planken.
‘Voorzichtig hoor,’
‘Ja Oma, dat zegt u iedere dag.’
Tussen de vertrouwde geluiden van het open en dicht gaan van de rode emaille theebus en haar schuifelende pantoffeltjes over de marmoleum keukenvloer, hoor ik Oma haar meest favoriete psalm zingen:

‘Straks leidt men haar in statie, uit haar woning,
In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning;
Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet,
Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen,
Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof,
Ter bruiloft treên in ’t koninklijke hof.

Haar zuivere stem verwoordt ook mijn verlangen naar een Here Jezus zoals Oma die kent en waarover ze me dagelijks verteld.’

Tussen de regels door vraagt ze me of ik al een keus gemaakt heb en voorzichtig til ik één van de meest kostbare theepotten tussen de andere uit.
‘Oh liefie, wat bijzonder, die zou ik nou zelf deze dag ook uitgekozen hebben.’
Met haar vingers streelt ze het doorzichtige zachtgeel paarlemoer van de Engels porseleinen theepot.
‘Zoek je de bijpassende kop en schoteltjes er ook nog bij?’

Als Oma even later met het zoet beladen dienblad binnenkomt, heb ik de theekopjes al op tafel gezet.
Van buiten zachtgeel paarlemoer, vanbinnen wit, prachtig versierd met roze rozen.
Ze steekt het waxinekaarsje aan en zet voorzichtig de theepot op het theelichtje van haar eigen Oma.
‘Eerst nog even trekken toch?
Vertel je me ondertussen over school?’
Daarna schenkt ze ‘hoge’ thee, want door de zuurstofbelletjes smaakt de thee volgens Oma veel beter.
Als twee deftige dames drinken we voorzichtig het Engelse zwarte goud uit het prachtige servies van Oma.
Ik kijk mijn ogen uit naar hoe zij het schoteltje in haar ene en het kopje in de andere hand houdt.
‘Zo hoort het officieel’ zegt ze.
Omdat ik daar nog te klein voor ben zit ik op het speciaal voor mij bestemde stoeltje aan de rijkelijk met leeuwenkopjes en krullen versierde salontafel.
‘Ook al uit Engeland’ verteld Oma.
‘ dat is een Queen Ann tafel’

Ik geniet met volle teugen en drink tegelijk met de thee het verhaal uit de oude kinderbijbel in.
Oma kan zo mooi voorlezen en vertellen!
‘Het is net alsof u iedere dag met de Here Jezus praat Oma,’ zeg ik.
‘Maar kindje, dat doe ik ook!
Hij vindt het ook zo fijn om met mij te praten, we kletsen wat af saampjes.’

Ik wil dat ook zo graag, praten met de Here Jezus, daarom vraag ik haar of ze mij dat leren wil.
‘Wat zou je het allerliefste tegen hem willen zeggen?’ vraagt Oma.
‘Dat ik zo graag een nieuw hartje wil, net als u,’ antwoord ik verlegen.
‘Oh, maar lieverd, de Here Jezus heeft er genoeg, ook eentje voor jou!
Vraag het maar gewoon want daar wordt hij erg blij van.’
Schuchter zeg ik hardop; ‘Here Jezus, Oma zegt dat u een heleboel nieuwe hartjes heeft, mag ik er alstublieft ook eentje van?’
Opeens lijkt het wel alsof de zon in eigen persoon het kamertje van Oma binnengewandeld is.
Zacht en teer klinkt het in mijn hartje; ‘mijn kind ik hou zo van je.
Ik ben zo verschrikkelijk blij met je.’

Vanbinnen barst het van blijdschap en als vanzelf beginnen mijn voetjes te dansen.
‘Oma, oma, ik heb van de Here Jezus een nieuw hartje gekregen!’
Oma moet huilen, en ik vraag haar waarom ze verdrietig is.
‘ Lieve kind, ik huil omdat ik zo blij ben!
Nu ben ik niet alleen je Oma, maar ook je zusje!’
Dat begrijp ik nog niet zo goed, maar dat geeft niet.
‘Zullen we samen een vreugdedansje voor de Here Jezus doen?’ vraag ik.
Dat doen we en het kamertje van Oma lijkt wel de hemel op aarde.
‘Ik kan nu ook met de Here Hezus praten Oma,’ jubel ik in haar oor.

Daarna eten we nog wat van de zoetigheden, en help ik Oma het servies afwassen en opruimen.
‘Oma, het voelt alsof ik zelf ook helemaal schoon gewassen ben, maar ik ben niet eens onder de douche geweest.
Is dat gek?’
Oma legt uit dat met de Here Hezus praten net is als onder de douche gaan, maar dan vanbinnen.
‘Praat daarom maar heel veel met hem, en luister naar wat hij je vertellen wil, lieve kind.’


Weer terug in de rauwe werkelijkheid van mijn huidig bestaan realiseer ik me al jaren niet meer zo als toen bij Oma over en met Jezus gepraat te hebben.
Durf ik dat nu nog wel?
Mag ik Jezus nog steeds zeggen wat er in me opkomt nu ik me zo schaam over de vele domme keuzes van de afgelopen jaren?
Of zal ik eerst stil zijn en voorzichtig luisteren of Jezus nog wel wat met mij te maken wil hebben?

Ik besluit tot het laatste, het is té moeilijk om dat verschrikkelijke over mijn lippen te laten komen…
Op de grond, tegenover de kast van Oma zak ik huilend door de knieën en de bodem van mijn bestaan.
Het lukt me niet eens om stil te zijn, zo brult mijn ziel haar pijn naar buiten.

Net wanneer ik me afvraag of ik ooit nog wel stoppen kan met huilen komt, zoals destijds bij Oma de zon zelf mijn kleine kamertje binnen wandelen.
Zacht en zonder oordeel, teder als de lieflijke stem van weleer klinkt in mijn hart een stem: ‘mijn kind, ik hou zo van je’
Het zout op mijn wangen verandert in zoet, wanneer de tranen van bitterheid en pijn veranderen in tranen van blijdschap en vreugde.
Ik ben terug bij mijn eerste liefde, de Here Jezus van Oma en ook van mij,
ik was kwijt en ben weer teruggevonden.
‘Wilt u het nog een keer zeggen Heer, net zoals toen bij Oma?’
‘ Mijn kind, ik hou zo van je.
Ik ben zo blij met je!’
Me koesterend in het volle licht van Gods liefde kan ik me niet meer inhouden en dans en spring als het kind van toen rond de Queen Ann tafel van mijn allerliefste zusje en Oma.
Wanneer ik daarbij als vanzelf haar favoriete psalm begin te zingen trillen de ramen van de oude antieke vitrinekast in hun sponningen en klingelt het servies mee op de melodie van dit prachtige bruiloftslied.
Mijn eigen huisje is de hemel op aarde omdat Jezus mijn bruidegom daar is…

Een bijzonder wonderlijke kwast.

Ik wil je een verhaal vertellen dat je vast al wel kent.
Een verhaal dat eeuwen geleden door drie mannen is opgetekend in het boek der boeken, de Bijbel;
de geschiedenis van de bloedvloeiende vrouw.
Maar wat wisten die mannen ervan hoe en wat die arme vrouw voelde, überhaupt of ze nog wel voelde.
Nou ja, Lucas, de arts van de drie, misschien dat die iets van haar belabberde situatie begreep, wellicht had hij zelfs nog wel geld aan haar verdiend.
Maar van Mattheüs, een tollenaar en Marcus, een geschiedschrijver kun je niet al te veel begrip of invoelingsvermogen in vrouwenzaken verwachten.

Wandel je met me mee naar een paar eeuwen terug?
Je moet weten, ik ben die vrouw en wil je zo graag zelf mijn verhaal uit de doeken doen!
Want dat is ook letterlijk wat er aan de hand is, mijn bestaan is in doeken gewikkeld, ik ben een gevangene van vieze bebloede doeken, doeken die me isoleren van de rest van de samenleving.
Mijn maandelijkse periode stopte op een gegeven moment niet meer en vloeit geruisloos van het ene in het andere jaar over.
Terwijl ik als onrein me niet onder het volk vertonen mag, is mijn eigen reiniging een dagtaak, en toont het altijd stromend bloed
de oorzaak van mijn ellende.

Twaalf jaar ben ik nu ziek en de vele doktersrekeningen hebben de geldkraan gestopt.
Ben ik nu ook nog aan de bedelstaf overgeleverd?

Maar…afgelopen week hoorde ik goed nieuws; er trekt een wonderdoener door het land, en vandaag is hij dichtbij.
Diep vanbinnen weet ik dat dit mijn laatste kans is, daarom ben ik op pad gegaan om die Jezus te zoeken.
Ik hoor het gegons van veel volk en mijn hart bonkt me in de keel.
Angst en hoop spelen roulette met mijn emoties, maar ik ben vastberaden!
Ik weet het, ik speel met vuur want ik ben onrein, ik mag niemand aanraken en niemand mag mij aanraken, maar ik heb een plan.

Oh, ik voel me als Esther die op weg ging naar koning Ahosveros om hem gunst te vragen voor haar volk nadat Haman het uitroeien wilde.
‘Kom ik om dan kom ik om’ dacht ze, precies wat ik nu ook steeds tegen mezelf zeg.
Maar ja, deze Jezus hoeft me geen hand te reiken en al helemaal geen gouden scepter, ik wil zelfs liever niet dat hij mij opmerkt.
Wanneer ik dichtbij hem ben, ga ik me bukken om de kwastjes van zijn mantel aan te raken, en dan zal ik gezond zijn!
Wat niet weet wat niet deert, niemand hoeft te weten dat Jezus door mijn aanraking ook onrein geworden is.
Stel je voor, hij zou uitgestoten worden en net als ik een outcast zijn.

Man man, wat een opgewonden stemming zeg.
Er is nl. nog iemand om een wonder van Jezus komen vragen, een overste van de synagoge nog wel.
Hij klampt Jezus aan want zijn dochtertje is ziek en hij wil dat Jezus onmiddellijk met hem mee gaat om haar de handen op te leggen.

Iedereen wil natuurlijk weten hoe dat afloopt, en dat komt mij wel goed uit.
Ik kan nu nog meer ongemerkt mijn eigen wonder op komen halen!
Wanneer ik achter hem ben, buk ik me heimelijk en raak snel één van de kwastjes onderaan Jezus’ mantel aan.

Onmiddellijk gebeurt het, ik ben weer beter; het bloeden is gestopt.
Mijn lijf voelt als toen ik nog maar pas een ‘groot meisje’ was, zoals moeder het destijds noemde.
Snel snel, gauw naar huis, eer iemand me opmerkt.
Maar oh nee, Jezus staat stil en draait zich om…
‘Wie heeft me aangeraakt?’ vraagt hij, terwijl zijn ogen zoekend rondgaan.
Één van zijn discipelen zegt: ‘hoe kunt u dat nou vragen, het is een gedrang van jewelste, iedereen raakt elkaar aan!’
Maar ik weet dat ik gesnapt ben, ik ben erbij, mijn lichaam is gezond en toch zal ik samen met hem alsnog verworpen worden.
Bevend val ik aan Jezus’ voeten en vertel hem maar eerlijk waarom ik hem heb aangeraakt.
‘Kom ik om dan kom ik om’
Hij kijkt me aan, en ik weet plotseling dat hij zich juist daarom omgedraaid heeft; hij móest me zien, waardoor ik ook zelf kan zien!
Zijn ogen trekken me in een bron van eeuwige liefde en ontferming en alsof zich in mijn hart een geheimenis ontvouwt, is het zijn bloed wat in mij een levendmakende bron doet ontspringen.
‘Dochter’ zegt hij, ‘ga in vrede, je geloof heeft je behouden.’

Ik dans mijn terugweg op lichte voeten, dartelend en opgewonden als een jonge vrouw die nog maar net ontdekt heeft dat ze zwanger is.
Glimlachend als een pas verliefd meisje, genietend van het geheim dat ze in zich mee draagt; nu nog alleen van zichzelf en toch zo heerlijk wanneer het te zien zal zijn!
‘Dochter’ zei hij, ‘dochter’
Oh, de klank in zijn stem, de blik in zijn ogen!
‘Dochter!’
Ik ben niet alleen genezen, maar hoor er weer bij, ik mag er weer zijn, de bebloede doeken die alhaast mijn dood voorzegden, ik mocht ze achtergelaten bij Jezus, mijn geneesheer!
Mijn lijf kan weer vruchtdragen, het moederschap lacht me toe!
Het gras is groener, de bloemen bloeien uitbundiger, de druiven staan op knappen, vol van hun zoetgeurend vocht.
Al die jaren hoorde ik de vogeltjes wel fluiten, maar pas nu herken ik hun lied;
‘Dochter, ga in vrede…’

‘En zie, een vrouw die al twaalf jaar bloedvloeiingen had, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn bovenkleed aan; want zij zei bij zichzelf: Als ik alleen maar Zijn bovenkleed aanraak, zal ik gezond worden.
Jezus keerde Zich om, zag haar en zei: Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u behouden.
En de vrouw was vanaf dat moment gezond.’
‭‭Mattheüs‬ ‭9:20-22‬ ‭HSV‬‬
https://www.bible.com/1990/mat.9.20-22.hsv

Jezus-Krukje en Jezus-pleistertjes.

Een tijdje geleden schreef ik over het Jezus krukje.
Het staat symbool voor het in de positie gaan staan die Jezus voor je bedoelt heeft.
Jezus zelf werd bij Zijn doop in de Jordaan als het ware op het krukje gezet als de Geliefde Zoon in wie God een welbehagen heeft.
Niet zomaar een Zoon, maar de Geliefde Zoon!
Dat is zijn én onze positie, geliefde kinderen van God, in Wie Hij een welbehagen heeft.

Ik heb voor mezelf een krukje gekocht, een opstapje waarop ik het Geliefd zijn oefen en uitspreek.
Te kijken zoals Jezus me ziet, zonder oordeel naar mezelf en de ander.
Staande op dat krukje zie ik alles ook een beetje meer van boven, niet om erop neer te kijken, maar als teken dat ik staand in mijn positie van Geliefd kind van God al het aardse onder mijn voeten hebt.
In Jezus overstijg ik de omstandigheden omdat ik in Hem in meer dan overwinnaar ben.

Vanmorgen onder de douche bedacht ik me ineens dat ik al een tijdje niet meer op mijn Jezus-krukje heb gestaan.
Ja, wel als opstapje om iets van de hoogste plank te kunnen pakken, maar niet als oefening in de schuldvrije zone.

Ik schrok er van en tegelijk werd ik me ervan bewust hoe sneaky en gemeen oordeel werkt, het beheerst maar weer zo mijn denken en doen.
In het normale leven heb ik de laatste jaren nogal wat te verstouwen als gevolg van teleurstellingen in het leven en in de kerk.
Emoties als verdriet, woede, angst en pijn laten me maar zo van mijn Jezus-krukje stappen waardoor ik mijn werkelijke positie uit het oog verlies.

Ik klap het krukje nog wel uit, maar dan om iets te pakken wat me (nog) niet toekomt, het ligt namelijk nog te hoog, het is nog niet voor nu.
Ik moet nog een beetje groeien omdat het hoger ligt dan ik nu aan kan.
Of het is helemaal niet voor mij maar voor iemand anders.

In mijn koppige eigenwijsheid en ongeduld om toch alvast te pakken wat voor morgen is bedoeld, moet ik me veel te ver uitrekken, waardoor ik totaal uit mijn evenwicht van mijn krukje kûkel.
Daar lig ik dan in het stof, de plek waar de slang listig en sluw mijn denken besluipt.
Ik zit maar weer zo vol zelfoordeel, en zou het liefst van de aardbodem verdwijnen.
Het gevolg van zelfoordeel is altijd oordeel naar alles en iedereen, kortom chaos.

Ik vind het bijzonder komisch van Vader en heel erg lief dat Hij me gewoon mijn gang laat gaan, Hij geeft zelfs een kusje op mijn bezeerde elleboog en knieën.
Daarna komt Hij met het blikje pleisters waaruit ik zelf mag kiezen welke ik de mooiste vind.
Drie keer raden…
Die met een foto van Jezus erop natuurlijk!
Maat weet je wat nou zo grappig is?
Wanneer ik me zielig voel en naar die pleisters kijk zie ik ineens dat het mijn eigen foto is.
Een Geliefd Kind in Wie God een welbehagen heeft.
Hij in mij en ik in Hem!

Gelukkig, de Bijbel staat vol met mensen zoals ik.
Neem nou Elia, de ene dag op de berg Karmel in vuur en vlam voor de God van Israël, de andere dag jammerend in het stof van de woestijn; ‘laat me alsjeblieft dood gaan.’
En wat te denken van Paulus?
Hij zegt; ‘het kwade dat ik niet wil doen doe ik, het goede dat ik wil doen doe ik niet.
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?’
Gelukkig, Paulus weet dat we al verlost zíjn!
‘The case is closed!’
Wauw, ik ben in goed gezelschap!

DankUVader voor mijn hoge positie in U.
Help me om geduldig en zonder oordeel te groeien naar dat wat U allemaal nog in petto heeft voor ons saampjes en de mensen om me heen.

Hupsakee, klop het stof van je Koningsmantel en neem je positie weer in Girl…

Apenkooi op de geitenwei

Pret in de Draaimolen!

Na de uitspraak afgelopen donderdag: ‘schuldig/straf’ was ik in eerste instantie verdoofd.
Ik weigerde toe te laten wat ik wilde voelen, en zong tot mijn eigen bescherming: ‘Ik ben een Koninklijk kind, door de Vader bemind…’
Daarna was ik woedend, teleurgesteld, bezeerd.
Alle emoties die horen bij verlies zijn in sneltreinvaart door mijn lijf geraasd.

En toch, en toch…
Nochthans;
God is goed.
Dat bewijst Hij al in het feit dat er geen veroordeling is over wat ik er aan emotie uitgooi.
Ook naar Hem!
Maar ik schreeuw, jank en huil omdat Hij mijn Vader is.
En omdat ik trots ben op de boldness in mij niet mee te zwemmen met de stroom wanneer dat recht tegen mezelf in gaat.

Iemand zei me midden in mijn geraas: ‘maar jij hebt Jezus!’
Alleen al het woordje ‘maar’
Dat is geen ‘maar’ zoals; ‘maar we blijven toch zondaars’ of; ‘maar als je je nou aan hun regels had gehouden dan was je dit niet overkomen!’
Het is het heilig ‘maar’ van een God die in Jezus recht gedaan heeft aan alle onrecht.

‘Maar, jij hebt Jezus!’
‘Oh ja, dat is waar ook, ik heb Jezus…’

Wonderlijk genoeg zijn het steeds de eerdere beloftes, eerdere openbaringen, eerdere woorden van God tot mij gesproken waar ik naar toe terug moet.
Hij pakt Hij me als het ware bij de kladden en zegt; ‘maar ik heb je toch iets belooft?’
Of Hij moedigt me aan Hem bij de kladden te grijpen om Hem te herinneren aan wat Hij belooft heeft.
Oooh, Hij is zo’n allerbeste Vader!

Vanmorgen bracht de Heer me terug naar toen Hij zelf mijn foto in het verhaal van Jozef plakte.
Ook onterecht verstoten, gevangen gezet, genegeerd en vergeten.
Maar niet gedood omdat God een plan met hem had.

Waarschijnlijk zal ik nog vele malen in de draaimolen van het leven uit mijn schommeltje schieten en moord en brand schreeuwen.
Maar…!
Ik heb Jezus.

Omdat Hij in de draaimolen van de zonde vermalen is heeft Hij het vuur van de toorn over die zonde geblust.
De zonde van mij en van de hele wereld!
Zijn opstanding als verheerlijkte Jezus heeft een andere draaimolen in gang gezet; de molen van genade op genade.
Voor mij en voor de hele wereld!

Zó lekker, zwieren in de draaimolen van Jezus…

Wie betaald de tol?

Vanmorgen las ik op AD.nl dat er bij de politie honderden(!) zedenzaken op de plank blijven liggen; Onopgelost.
De afgelopen week was in het nieuws dat een aantal mannen een vermeend zedendelinquent overmeesterden.
De verdachte is gestorven waarbij het nog niet duidelijk is waaraan en waardoor.
Er werden mensen uit zijn omgeving geïnterviewd die vol lof over de verdachte praten, niemand kon geloven dat het een pedofiel was.
Ter nagedachtenis werd zelfs een stille tocht georganiseerd, want het was zo’n fijne man en zo leuk met kinderen…

Deze berichten doen me de haren te bergen rijzen!
Temeer omdat ik in mijn eigen leven de gevolgen van deze ontkenning als een dagelijkse last mee draag.
Ik heb ervaren dat haast niemand geïnteresseerd is in het verhaal van slachtoffers van pedofilie.
Dat is niet alleen mijn ervaring, maar die van de meeste slachtoffers.

Waar ik en tevens vele anderen met mij tegenaan lopen is de onwillige houding van politie en recherche.
De honderden zaken die op de plank liggen te verstoffen zijn daarvan het bewijs.
Ondertussen kunnen pedo’s ongestoord hun gang gaan, en eisen zelfs hun eigen boten op in de Pride Parade Amsterdam.
Wie ligt daar wakker van?

Dat dit allemaal gebeuren kan is niet alleen omdat politie en recherche zo happig niet zijn deze smerigheid aan te pakken, iedereen die zijn kop in het zand steekt maakt zichzelf medeverantwoordelijk.
Om deze medeverantwoordelijkheid te ontkennen worden slachtoffers van zedendelicten maar wat vaak geconfronteerd met ‘victimblaming’

Vandaag heb ik als gevolg van dit ‘victimblaming’ voor de zoveelste keer vonnis over mezelf horen uitspreken.
Terwijl de werkelijke misdaad van pedofilie nog steeds wordt bedekt, ontkend en/of niet belangrijk genoeg gevonden wordt om voor de rechter te brengen, stond ik ten gevolge van deze ontkenning vandaag voor de zoveelste keer voor de rechter om me als een niemand te laten behandelen.
Dan zijn er opeens wel allerlei instanties die zich druk maken om ‘recht’ en omdat het om kille euro’s gaat medeverantwoordelijkheid vonnissen.

Dat er ondertussen kinderlevens kapot gemaakt worden, daar maakt het overgrote deel van de samenleving zich niet druk om.

Soms bekruipt me het gevoel: ‘had ik ook maar gewoon precies zo gedaan.
Mijn kop in het zand gestoken en die man gewoon zijn gang laten gaan, net zoals iedereen dat doet.
Dan had ik vandaag niet voor de zoveelste keer voor de rechter gestaan voor een schuld die niet mijn schuld is.
Ik had dan ‘gewoon’ mijn leventje door kunnen leven.
Al die jaren onder hoogspanning leven had ik dan kunnen vermijden, want het interesseert immers toch niemand wat?’

Ik kan het niet.
Ik zou geen oog dicht doen.
Dat doe ik nu ook niet wanneer de beelden van wat ik gezien heb mijn nachtrust verstoren.
Maar iets te weten wat te afgrijselijk voor woorden is en daar mijn mond over houden zou me nog meer verteren, omdat dat tegen mijn gevoel van rechtvaardigheid in gaat.
De tol die ik nu betaal is hoog, maar wanneer ik gezwegen zou hebben, was de tol nog hoger geweest.
Nu heb ik mijn ziel beveiligd voor dat wat er in mijn huis gebeurde en raakte daardoor alles kwijt.
Als ik ook mijn mond had gehouden, had ik dat mooie huis waarschijnlijk behouden maar had mijn ziel verloren.

Is mijn verhaal zonder hoop?
Geenszins.
Vanmorgen schreef ik Psalm 91 in mijn eigen woorden.
Vader biedt me daarin niet alleen een schuilplaats onder zijn vleugels, Hij beloofd me ook dat ik de vergelding aan de goddeloze met eigen ogen zien ga…

Psalm 91

Omdat ik mijn schuilplaats bij de Allerhoogste heb gekozen, zal ik overnachten in de schaduw van de Almachtige.
Ik heb tegen de Heer gezegd:
‘U bent mijn toevlucht en mijn burcht, ik vertrouw alleen op U.
Want U redt mij uit de strik van de vogelvanger en van de verderfelijke pest.
U beschut mij met Uw vlerken, ik vind een toevlucht onder Uw vleugels.
Uw trouw is mijn schild en mijn pantser.
Daarom vrees ik niet voor de beangstigende nacht, voor de pijl die overdag aan komt vliegen, voor de pest die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest.
Ondanks dat er duizenden, ja tienduizenden om mij heen vallen, bij mij zal het onheil niet komen.
Mijn ogen nemen het waar, meer niet.
Ik zal de vergelding aan de goddeloze zien, want U Here bent mijn toevlucht.
U Zelf bent mijn woning Heer!
Er zal mij geen onheil overkomen, geen enkele plaag zal mijn tent naderen.
Omdat Hij Zijn engelen gebiedt mij op handen te dragen zal ik veilig zijn op al mijn wegen.
Ik zal mijn voet aan geen enkele steen stoten!
De Leeuw van Judah heeft voor mij die valse slang onder Zijn voeten vertrapt.

De Heer mijn God zal mij bevrijden, omdat ik alleen Hem lief heb.
Ik ken Zijn naam, daarom roep ik Hem aan en Hij zal mij verhoren!
Hij zal mij uit alle benauwdheid redden en mij verheerlijken.
Tot in alle eeuwigheid zal ik mag ik genieten van Zijn heil, mijn Heiland…

Koningin Esther.(&me)

Morgen sta ik voor de rechter om me te verantwoorden voor mijn vermeende weigering te voldoen aan de eisen WSNP.
In principe is dit mijn laatste kans om gehoord te worden, het is dus erop of eronder.

Ik ben de laatste die ontkennen zal dat ik me verzet tegen de mij opgelgde eisen.
Maar in tegenstelling van wat de bewindvoering beweerd, het is geen onwil, maar onmacht.
Een onmacht die me soms radeloos, soms krachtig maakt.

Ik heb zo maar een vermoeden dat Esther een zelfde strijd in haar binnenste gevoerd heeft nadat haar verteld was dat Haman alle Joden in het land doden wilde.
Door list en bedrog had hij zelfs koning Ahosveros zo ver gekregen dat deze zijn handtekening onder dit moordmanifest zette.
Min of meer door de nood gedwongen ging Esther naar de koning om voor haar volk en zich zelf te pleiten.
Ze was immers zelf ook een Jodin!

Wat me raakt in het verhaal van Esther is dat ook zij recht tegen de stroom in, wars van alle wetten die het tegenovergestelde van haar eisten, op weg ging naar de koning.
Bij hem aangekomen zegt ze; ‘kom ik om dan kom ik om’

Moedig van Esther!
Ze zou sowieso door Haman gedood worden dat stond al vast.
Maar ze nam de regie in handen en kwam voor zichzelf en haar volk op…
Ze kwam op voor haar recht!
Ongetwijfeld trilde ze vanbinnen als een rietje, net zoals ik dat doe.
Maar ik vecht ook voor mijn recht.
Het recht dat ieder ander ook heeft in dit land; de vrijheid om je eigen leven te leiden.
Het recht om ziek te zijn en daarvan te herstellen, het recht op bijstand in welke vorm dan ook wanneer het even zelf niet lukt, het recht op bescherming wanneer je in een onveilig situatie zit.

Daar vecht ik voor.
Niet omdat ik dat zelf heb bedacht, maar omdat het in de Nederlandse Wet verankerd ligt.
Vechten is niet makkelijk, vooral wanneer je iedere ik keer je neus stoot en deuren waarvan je zou mogen verwachten dat die zich voor je openden, vlak voor je neus dichtklappen.
Het is zwaar, en vaak genoeg wil ik het opgeven.
Maar stoppen is geen optie, omdat ik dan het gevoel krijg dat toen ik me bevrijdde uit de (soms letterlijke)wurggreep van de man waarmee ik was getrouwd, ik me neer legde bij de daaruit voortvloeiende wurggreep van een (naar wat ik zelf aan ervaring daarin heb opgedaan)falend rechtssysteem.
Een systeem dat geen enkele bescherming biedt tegen de haat van een rancuneuze ex-echtgenoot waar ‘in gemeentschap van goederen’ getrouwd zijn, de vrijheid geeft de ander legaal te ruïneren.

Veruit de meeste mensen raden me aan me gewoon aan de regels van dit systeem te houden.
‘gewoon…’
Eerlijk gezegd heeft de alom geldende definitie van ‘gewoon’ voor mij allang zijn betekenis verloren.
Voor mij is het meer gewoon dat ik de ruimte krijg te herstellen, zodat, en daar verlang ik zo naar, ik weer ‘gewoon’ volwaardig mee kan draaien in de maatschappij.
Volgens mij kan ik me dan nuttiger maken dan nu me voortdurend het mes op de keel wordt gezet.

Vader, kom ik om, dan kom ik om.
U zegt dat U in het musje bent wanneer het van het dak valt.
Daarom vertrouw ik op; ‘U in mij en ik in U’

https://youtu.be/NdbnKnRpnhM