Featured

Hooglied

Dit is de samenvatting van het bericht.

In ieders binnenste borrelt en blupt het soms.

Bij mij ook.

Wat er vooral als een fontein sproeit is het verliefd zijn op Jezus.

En het wéten dat Hij dat ook op mij is.

In mijn blogs over Hem,schrijf ik een beetje mijn eigen Hooglied.

In de hoop dat je ook gegrepen wordt door deze liefde,want ik wil Hem graag delen.

bericht

Picknick onder de Jezusboom

Is er een weg waardoor we helen kunnen van beschadigde emoties?
Dan bedoel ik niet dat we niet boos mogen zijn om wat ons aangedaan is, maar om het genezen van de gevolgen daarvan, zodat bitterheid geen wortel schiet in ons hart.

De pijn ten gevolge van wat ons aangedaan is kan op een gegeven moment een excuus worden het volle leven, zoals Jezus het bedoeld heeft, niet ten volle te omarmen.
Wat is het eeuwig zonde wanneer we de Ganade van Jezus, die iedere dag nieuw en overvloedig verkrijgbaar is, niet ontvangen kunnen, omdat onze handen krampachtig vasthouden aan wat allang aan het kruis zijn macht verloren heeft.
Het verleden houdt ons gevangen in de hel van bitterheid en wrok, waardoor oordeel ons leven verwoest.

Eerder schreef ik over de Sycaminetree en het mosterdzaadje.
Jezus zegt dat geloof zo groot als een mosterdzaadje genoeg is de Sycaminetree te gebieden te ontwortelen en zich in de zee te werpen.

The Sycaminetree

Vandaag schrijf over ik een ander aspect van vergeven;’sterven aan jezelf.’
Dat klinkt best zwaar natuurlijk, sterven aan jezelf.
Wat wordt daarmee bedoeld?

Toen Jezus aan het kruis jou en mijn zonden op zich nam en dit Hem de meest vervloekte dood ooit deed sterven, had Hij in Zijn woede over wat Hem aangedaan werd, de wereld met een enkel woord kunnen vernietigen.
Toch koos Hij in Zijn liefde om voor jou en mijn zonden te lijden en te sterven.
Vrijwillig liet Hij zich aan het kruis nagelen waardoor elke aanklacht van schuld tegen ons ingebracht de mond is gesnoerd.
(Kollosenzen.2)

Aan het kruis werd Jezus een niets, een niemand.
Net als in Genesis 1 ontstond in Zijn dood als het ware een woeste leegte.
En juist in die ruimte van het niets heeft God een nieuwe wereld geschapen, een schuldvrije zone.
Het Koninkrijk van God, waarin het niet om eten en drinken gaat maar om gerechtigheid en rechtvaardigheid.
In het sterven van Jezus kwam zoals in het eerste scheppingsverhaal, opnieuw uit dat niets een nieuwe wereld voort, waarin we naar Gods beeld als nieuwe schepping leven kunnen.

Wat heeft dat te maken met sterven aan onszelf?
Net als in en door de kruisdood van Jezus, nieuw leven ontstond, ontstaat nieuw leven wanneer we,figuurlijk gesproken, ook dood gaan aan onszelf.
Dat betekent dat we in een conflict de minste durven zijn.
Terwijl je verschrikkelijk onrecht is aangedaan, toch niet eindeloos doorgaan je recht te halen bij de ander.
Net zoals Jezus de macht van de zonde brak door zelf zonde te worden en in zijn sterven verzoening voor de zonde bracht, kunnen wij, door geestelijk gesproken, dood te gaan aan onszelf, de macht van de pijn ons aangedaan breken en de verzoening van Jezus laten zien.
De minste zijn is sterven aan jezelf, en stelt je daardoor in de gelegenheid de genade van Jezus te ontvangen en uit te delen.
Het is Jezus in Zíjn sterven navolgen en daarmee niet alleen voor ons zelf een nieuwe wereld scheppen, maar tevens voor de ander de deur naar die wereld openen.

Wat is dat vreselijk moeilijk toch?
Niet blijven staan op je recht, maar dat recht opgeven.
Niet wachten totdat de ander vergeving vraagt, (hoezeer je daar ook recht op hebt) maar deze van te voren al zelf uitdelen.
Het gaat in tegen iedere innerlijke schreeuw om genoegdoening van wat ons is aangedaan.
Het is sterven aan jezelf!

Hoe mooi is het dan om in bv. familieconflicten terug te krijgen dat wat jaren geleden verloren is.
Wanneer we eerst en vooral eisen dat de ander voor ons op de knieën gaat bewerken we juist het tegenovergestelde, en houden uiteindelijk zelf het conflict in stand.
Terwijl we de ander verantwoordelijk houden voor de ons verscheurende pijn, zijn we het ten diepste zelf die deze pijn niet los kunnen of willen laten.
Daarmee ontzeggen we ons dat waar we nou juist zo naar verlangen, herstellen van verloren banden.
Daarmee beroven we niet alleen ons zelf, maar vooral degeen die elk oordeel en de gevolgen daarvan aan het kruis vernietigd heeft, Jezus, de opgestane Heer.

Maar hoe komen we tot deze haast onmogelijke daad?
Dat is toch niet te doen?

Wanneer we Jezus leven willen leven is alles wat eerder onmogelijk leek mogelijk.
Dan wordt genade uitdelen zelfs een eer.
Omdat we dan delen van wat we zelf onverdiend ontvangen hebben.
Het wonderlijke is dat het mosterdzaadje geloof dat we hier voor nodig zijn, uitgroeit tot een gigantische boom.
(Psalm 1)
Een boom waaraan heerlijke vruchten hangen, de vruchten van de Heilige Geest.
Ieder die schuilt onder die boom kan in zijn schaduw uitrusten en liggend de vruchten plukken, zo zwaar hangen te takken naar beneden.
In het eten van die vruchten vermenigvuldigt zich de nieuwe schepping, precies zoals God het al voor ogen stond in Genesis 1.
Ieder die loslaat wat het ontvangen in de weg staat, en eet van het nieuwe leven, gaat ook weer uitdelen en wordt daarmee zelf schepper van nieuw leven.

Het begon aan het kruis, Jezus dood werd ons leven.
Wanneer we in Jezus ons eigen ik mee hebben laten kruisigen, geven we daarmee het nieuwe leven van Jezus door.

Het is mogelijk, omdat dezelfde kracht die Jezus deed opstaan uit de dood, in óns leeft.

Ben je moe en uitgeput?
Heeft de pijn en de last van wat je is aangedaan je je door de benen laten zakken, en heb je geen kracht meer om op te staan?
Kijk maar eens goed om je heen, want je bent precies op het bloedrode schaapjes wollen picknick kleedje onder de Jezusboom gaan liggen…
Zie je dat de zwaar met vruchten beladen takken boven je, uitnodigend naar beneden hangen, zodat je alleen nog maar je hand iets uit hoeft te strekken om te plukken?

Wel eerst even die rotte appel loslaten hè?
Maar weet je, die valt vanzelf uit je handen wanneer je ze optilt om een sappige vrucht uit de Jezusboom te plukken…

‘Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben op de dag van het oordeel. Want zoals Hij is, zijn ook wij in deze wereld.’
‭‭1 Johannes‬ ‭4:17‬ ‭HSV‬‬

The Sycaminetree

Waarom het kruis?

Kopje onder in de Regenboog

Aan de oever van de rivier de Jordaan is iets gaande.
Een man in een kameelharen mantel trekt drommen mensen met zijn predeking over een koninkrijk van de hemel.
Er wordt zelfs verteld dat de prediker de mensen in het water van de Jordaan kopje onder houdt!
Dopen wordt dat genoemd, vandaar dat deze man Johannes de Doper wordt genoemd.
Dat is helemaal nieuw voor me, mijn nieuwsgierigheid is gewekt!
Het Koninkrijk van de hemel en dopen; daar wil ik wel eens meer van weten!
Zonder dat ik weet hoe het daar zal zijn, en of er überhaupt een hemel is fantaseer ik namelijk al vanaf mijn vroege jeugd over de hemel, en droom grote dromen over deze plek van rust en vrede.
Mijn familie zegt dat ik maar eens met beide benen op de grond moet gaan staan, maar een deel van mij weigert volwassen te worden om naar de normen van de wereld om mij heen ‘groot’ te zijn.
Ik wil helemaal niet ‘groot’ zijn!
Omdat het zo vermoeiend is de grote mensen bij te houden verlangt het kind in mij er naar in de armen genomen en gedragen te worden.
Gekoesterd aan een hart dat resoneert aan het heimwee in mijn eigen hart, heimwee naar een land waar ik nog nooit geweest ben, en toch op een mysterieuze manier niet te benoemen herinneringen aan heb.
Wanneer ik mijn ogen sluit kan ik haast de geluiden horen, de kleuren zien en de geuren ruiken.

Vervuld van die hoop bekijk ik van een afstandje de man die het land in rep en roer gebracht heeft.
Hoor ik dat goed?
‘Bekeert u want het Koninklijk van de Hemel is dichtbij’
Wat zou hij daarmee bedoelen dat het dichtbij is?
Bestaat dat Koninkrijk waar ik heimelijk al zo lang naar verlang dan toch echt?
Hij gaat verder; ‘Het gaat niet om mij, maar om degene die na mij komt, iemand die ik zelfs nog niet waard ben de veters van zijn schoenen te strikken.’
Mijn benen beginnen opeens te rennen, ik wil nog maar één ding, in het water van de Jordaan gedoopt worden.
Wat er van komt komt er van, ik wil ook kopje onder!
Johannes en één van zijn volgelingen pakken me vast en daar ga ik; achterover het water in.

Sneller dan het knipperen van mijn ogen ben ik opeens in een andere wereld, een plek waar ik sterven moet!
Deze doop wordt mijn dood, dit water is mijn graf, en dat moet ook!
Ik wil ook niet meer anders dan hier dood gaan, het is een noodzakelijkheid geworden waar ik het totaal mee eens ben…
Als in in flits blaas ik mijn laatste adem uit en verwacht ik het oordeel…
Maar nee, het graf is geen duistere plek, ik bevind mij opeens in een tunnel waar een onwaarschijnlijk fel licht me in duizelingwekkende vaart in een veld met de meest prachtige bloemen neer laat ploffen.
Als wanneer ik van grote hoogte een bommetje doe en het water alle kanten opspetterd, zo spatten de kleuren als schitteringen van miljoenen diamanten rondom me uiteen.
Regenbogen zo als ik ze nog nooit gezien heb dansen en jubelen louter vreugde in onvoorstelbare buitelingen.
Uit het midden van dit festijn ontwaar ik een persoon in een blinkend witte mantel die langzaam naar me toe komt.
Ik kan mijn blik niet van hem afhouden, mijn ogen willen nooit meer iemand anders zien dan deze verpersoonlijking van pure schoonheid, ontferming en macht.
Uit diep ontzag kniel ik in aanbidding voor hem neer, waarna hij mij bij de hand pakt om me weer op te richten.
,Sluit je ogen’ zegt hij met een stem als brult er een leeuw, en tegelijk blatend als een pasgeboren lammetje.
‘ hou je handen op, ik heb een verassing voor je’
Met mijn ogen dicht en mijn handen open sta ik bevend van hoopvolle verwachting voor hem.
Ik voel hem iets in het kommetje van mijn trillende handen leggen, waarna hij zegt dat ik nu weer kijken mag.
‘Sta op en schitter’ klinkt zijn stem wanneer ik vol verwondering zie wat hij mij geschonken heeft.
In mijn handen ligt een diamant waarvan de zuivere schoonheid mijn voorstellingsvermogen vele malen overtreft.
Zijn prachtig geslepen facetten doen me door zijn schittering naar adem happen, zo mooi!
Een diep weten doordringt me; dít is waar ik altijd al naar hunkerde het Koninkrijk van de hemel, het is deze persoon zelf!

Alsof ik langs alle hemellichamen gereisd heb, zo voelt het wanneer ik weer proestend weer bovenkom.
Ik ben begraven en weer opgestaan.
Mijn oude ik laat ik achter, mijn nieuwe ik zet voet aan wal in een andere wereld dan hiervoor.
Eindelijk, ik sta met beide benen op de grond!

Naast me staat nog iemand die vraagt gedoopt te worden.
Amper bekomen van mijn eigen belevenis vraag ik me af of deze dopeling bij zijn onderdompeling ook zo’n wonderlijk avontuur beleven zal
Wanneer hij weer bovenkomt scheurt de hemel open en een stem klinkt: ‘dit is mijn geliefde zoon in wie ik een welbehagen heb.’
Vanuit de opening in de wolken zie ik een witte duif neerdalen op de schouders van mijn buurman.

Verbijsterd herken ik de man als degene die me de diamant in de handen legde, waarna ik opeens besef dat mijn handen die nog steeds omklemmen.
Zijn met liefde vervulde ogen kijken me aan, en ik weet me voor altijd veilig.
Het zijn dezelfde ogen die me in de tunnel van licht zogen om thuis te komen in het Koninkrijk waar ik al vanaf mijn geboorte heimwee naar had.
Hij heeft mij opgetild en zichzelf in mijn handen gelegd.
Zijn liefde heeft me aan zijn warm kloppend hart gedrukt waar mijn en zijn hartslag één zijn.
Hij is het die me in een zuivere en nooit opdrogende rivier vrij van elke schuld en schaamte heeft schoon gewassen.

Hij noemt mijn naam, en zonder het te vragen proef ik als honing op mijn lippen zijn naam;
Jezus

Verkering

Vandaag beluisterde ik een gesprek van een moeder en haar dochter.

De dochter, laten we haar in dit verhaal Eva noemen, heeft lange tijd niet veel willen weten van het andere geslacht, en al helemaal niet aan een relatie daarmee.
Het was onvoorstelbaar, totdat Gerald ten tonele verscheen waarna de wereld van Eva alleen nog maar uit één naam bestaat: Gerald!
Alle daarvóór bedachte plannen zijn op de tweede plek komen te staan omdat Eva’s gedachten enkel en alleen nog maar rond Gerald draaien.
Het heeft Eva in een zoete zuurstokrozekleurige staat van volkomen verstandsverbijstering gebracht.
Kortom Eva is verliefd.
Iedere gelegenheid wordt aangegrepen om samen te zijn wat, doordat het verliefde stel nogal ver uit elkaar woont niet eenvoudig is.
De gesprekken via Whatsapp beeldtelefoon duren daarom vaak tot in het ochtendgloren van een nieuwe dag.

Eva vertelde dat ze gisteravond op de kinderen van hun buren pastte en al uren watertandend droomde over een lekkere Pizza.
Op een gegeven moment belde Gerald en vroeg haar waar ze zin in had: ‘een pizza natuurlijk,’ flaptte Eva eruit.
Tien minuten later: “tring tring” en ja hoor, de pizza koerier stond aan de deur met een door Gerald voor zijn meisje bestelde pizza.

Bij het luisteren naar dit kostelijke relaas begon als vanzelf mijn denkbeeldige pen een verhaal te schrijven.

Het gesprek tussen Eva en haar moeder werd ondertussen nog leuker, waardoor de schrijverspen van mijn eigen fantasie nog meer geïnspireerd werd

Eva zei dat ze vandaag waarschijnlijk nog wel met Gerald, haar vriendje, zou beeld-bellen, waarop haar moeder zei; ‘dan ben je toch nog even bij elkaar’
Hahaha, je had de uitdrukking op het gezicht van Eva moeten zien!
Het sprak boekdelen, waarvan bladzijde na bladzijde een dikke pen het papier zowat doorkliefde, zo venijnig waren de letters op het papier gekwakt.

Het was voor Eva overduidelijk, moeder begreep er totaal niets van!
‘Nou, dat is toch echt niet hetzelfde als in het echt bij hem zijn hoor’ bracht ze diep verontwaardigd uit.

Geweldig!
Hoe lijkt het verhaal van een verliefd stelletje dat van alles bedenkt om maar bij elkaar te zijn, op dat waar Vader God zo naar verlangt; omgang met mensen.
Het verhaal over de God van hemel en aarde die blij wordt van grote dromen dromen, omdat zijn eigen droom voor ons elke fantasie te boven gaat.
Het verhaal over zijn zoon, Jezus
die net zoals het vriendje van Eva, elke gelegenheid aangrijpt om te laten merken hoe hij van zondaren houdt.
Kortom, God zoekt een meisje voor zijn Zoon.
Verkering met een meisje dat zich koesteren wil in Zijn liefde.
Een meisje om Zijn naam aan te verbinden, waarvoor zonder dat ze zelf een bruidschat in hoeft te brengen, de schatkamers van de hemel al lang tevoren wijd open zijn gezet.
Een meisje dat zich niet schaamt bij Hem te horen maar overal trots haar vriendje voorsteld; ‘Kijk, dit is Hem, mijn Jezus!’
Een meisje dat koste wat het kost dicht bij Hem wil zijn en zich door niets en niemand daarvan weerhouden laat.
Een meisje dat geen genoegen neemt met verhalen óver Hem, maar haar eigen verhaal mét Hem beleven wil.

Zo’n verkering wil toch iedereen?
Pas met Hem aan je zij loop je echt met je hoofd in de wolken.
Ik denk dat Hij daarom die wolken gemaakt heeft…

Feest op de ingestorte muren.

Vanaf dat ik over Jezus hoorde ben ik hem stilletjes gevolgd en zag ik hoe hij blinden de ogen opende, melaatsen de handen oplegde, ja zelf doden opwekte.
Na de opwekking van Lazarus gonsde het door heel het land Israel, en ver daarbuiten, maar bovenal in mij.
Ik voel me ook zo dood, zo levenloos.
Als in een donkere kerker opgesloten, zo zwart en donker is het in mijn ziel.
Oh, hoe dikwijls heb ik mij al afgevraagd of dat wat zo dor en dood is in mij ook door Jezus levend gemaakt zou kunnen worden?

Schuld en schaamte hangen als dikke wolken boven mijn leven en beletten mij me te koesteren in de warmte van de zon.
De muren om mijn hart, bedoeld om me te beschermen tegen inkijk, belemmeren vooral mijn eigen zicht.
De plek waar eens het water van de doop werd gesprengd, schrijnt als is met een gloeiend hangijzer
het stempel ‘waardeloos’ in mijn voorhoofd gebrand.
Mijn schuld is te groot, ik heb het allang verknald bij God!

En toch, waarom volgde ik die Jezus dan?
Niet openlijk maar heimelijk en steeds op veilige afstand was ik meestal daar waar hij ook was.
Wat is het in die man wat me zo aantrekt?

Ach, het heeft ook geen zin meer me dat af te vragen, hij is buiten de stad gekruisigd.
Als het gebod van Mozes om datgene wat het lichaam vervuilt buiten het kamp te begraven, zo hangt Jezus als oud vuil buiten de muren van de heilige stad ten toon.
Zijn gehavend en kapot geslagen lichaam is als een bloedend en met schuld beladen lam door de Hogepriester de poort uitgejaagd.
Boven zijn hoofd hangt een bordje; ‘Koning der Joden’ maar in zijn aanblik is werkelijk niets waardigs te ontdekken.
Waar de dorens van de door de soldaten gevlochten kroon zijn schedel priemden, plakken nu vieze en donkere korsten.
Zijn botten, blootgelegd door de geseling, geven me rillingen van afschuw en afgrijzen.
Hij oogt als een van de hele aarde bij elkaar geveegde berg stinkend vuil, dat wanneer het niet bijeen werd gehouden door dikke in het hout getimmerde spijkers, uit elkaar zou vallen.
Het zou als een leeg geschudde vuilniszak de heuvel Golgotha vervuilen, waarna de rondcirkelende roofvogels zich tegoed konden doen aan zijn vlees.

Ontgoocheling en wanhoop maken de muren om mijn hart nog dikker en ontoegangkelijker.
Als een nachtkaars dooft ook het laatste sprankje hoop op een beetje liefde.
Niemand kan mij nog redden uit deze moedeloosheid die als een verstikkende deken het leven uit mij perst.

Net wanneer ik dit schouwspel op Golgotha de rug toedraaien wil klinkt vanaf het kruis een krachtige roep; ‘het is volbracht’
Als aan de grond genageld blijf ik staan, dit is niet de stem van een gebroken man!
Vol van majesteit en macht is het alsof iemand adem blaast in een luid schallende bazuin, waarop de hemel zich met donderend geraas opent.
In ontzag voor zijn Schepper breekt ook de aarde open en geeft het zijn doden levend weer aan de stervende Jezus.
Zijn hoofd buigend blaast hij zijn geest terug naar God, en vindt zijn eens vrijwillig verlaten Thuis terug aan het warm kloppend Vaderhart.

Opkijkend naar de kapot geslagen man aan het kruis val ik op mijn knieien, en kan niet anders meer dan deze Jezus aanbidden.
Is dit wat Mozes bedoelde toen hij zijn volk smeekte hun ogen op de slang op de opgeheven stok te houden, zodat de in het stof bijtende slangen krachteloos werden?

Zijn gebroken blik kruist de mijne, en doen de muren rond mijn hart ineen storten als de muren rond Jericho.
Wat kan ik hem anders nog bieden dan mijn tranen?
Zoals het volk Israel de schatten uit de gevallen stad in de tabernakel van God bracht, zo geef ik hem mijn pijn, mijn schuld en mijn schaamte en bied het hem vol ontzag aan.

De eerder blinde ogen van mijn hart zien de hemel geopend waar engelen juichend feest vieren om mij, een zondaar die zich bekeerde.
Als de meest kostbare schatten wordt al mijn vuil in ontvangst genomen, waarna ik me lichter dan ooit opgenomen weet in een zee van liefde en zuiver licht.

Vrij gesproken van elke schuld ren ik jubelend en juichend de heuvel Golgotha af om binnen de muren van de open stad Jeruzalem de tafel te dekken voor het Pesachmaal.
Het aloude feest van een geslacht lam en ongezuurd brood.
Grinnikend neem ik me voor er voortaan een fles rode wijn bij te drinken;
proostend op het nieuwe Leven…

Dood aan die ‘koning’

‘Kruisig hem, kruisig hem,’ schreeuw ik uit volle borst mee met de menigte.
Mijn eigen stem is de stem van de honderden mensen rondom mij, als komt die schreeuw uit één keel.
Woedend ben ik, zo verschrikkelijk teleurgesteld en ontgoocheld.
Daar staat hij, die bedrieger,die oproerkraaier, die…die Jezus…
Pilatus, de Romeinse Stadhouder zal recht spreken!
Hij moet de doodstraf krijgen, niks minder!
Al zou ik hier alleen staan dan nog zou ik schreeuwen; ‘kruisig hem, kruisig hem!’

Bah, wat heb ik me beet laten nemen door die timmerman uit Nazareth.
Nog niet zo lang geleden liet hij zich, als een pas gekroond vorst op de rug van een ezelin de stad binnen rijden.
Uit volle borst jubelde ik mee; ‘Hosanna, hosanna, hij die komt in de naam des Heren!’
Even vlamde in mij de hoop, dat de God van onze voorvaderen Abraham, Isaak en Jacob eindelijk korte metten zou maken met onze vijand, en ons als heilige natie herstellen zou.
Voor een moment dacht ik nog; ‘Hij is het, de beloofde Messias, die ons verlossen zal van de onderdrukker, en ons weer heer en meester van ons eigen koninkrijk maken zal.’
Opgewonden zwaaide ik met palmtakken, en hoopte maar dat hij goed kon zien hoe ik me voor hem uitsloofde, en het míjn met goud doorstikte mantel was waarover hij Jeruzalem binnen reed.
Nu heb ik de mantel buiten de stad gegooid, zodat niets me nog kan herinneren aan mijn hopeloze dwaasheid te geloven in deze “redder”
Hij moet dood, en vooral worden vergeten!
Hij die zich vergelijkt met onze heilige Tempel, door te zeggen dat die net als hij afgebroken en in drie dagen weer herbouwd zal zijn, hij moet voor altijd uitgewist worden.

Deze godslasteraar heeft niet anders dan schuld op schuld op zich geladen, en daar staat de doodstraf op!

Gelukkig, Pilatus heeft naar het volk geluisterd, er is recht geschied, Jezus van Nazareth hangt aan het kruis.
Buiten de muren van Jeruzalem natuurlijk, zodat onze heilige stad niet verontreinigd wordt.
Alsof het mijn persoonlijke overwinning is, míjn wraak voor zijn bedriegerij, zo triomfantelijk voel ik mij wanneer ik naar hem kijk.
Eigenlijk wil ik hem helemaal niet zien, zo afzichtelijk is hij.
Alsof ik een mug, die zich net heeft volgezogen met mijn bloed, plat gemept heb, zo vies is zijn aanblik.
Ik walg van hem, ik gruw van zijn afschuwelijk lichaam.
Bah, bah…
Daar hangt geen mens, daar hangt iets zwarts, iets vreselijk zondigs.
Verstoten door de aarde, niet gewenst in de hemel!
Af en toe roept hij wat, naar Elia, onze vroegere profeet bv.
Alsof die hem helpen kan!
Laat hij zichzelf redden…
Hij had toch zoveel kunstjes?

Plotseling wordt het donker, midden op de dag.
Een duisternis die als vanuit een enorme boosheid en afschuw de aarde bedekt.
Alsof een macht groter dan wie ook met zijn hand scheiding maakt tussen licht en duisternis om datgene, wat daar aan het vloekhout hangt, die bedrieger die zegt God te zijn, in het niets daartussen te laten verdwijnen.
Het te verwijderen en weg te doen uit ieders zicht.

Opeens lijkt het wel alsof in mijn binnenste zelf, mijn ik, een kaarsje aangestoken wordt, waarvan het vlammetje flakkerend een zacht licht laat schijnen op plekken waar omheen ik zelf dikke muren heb gebouwd.
Ik begin mij aarzelend af te vragen of dat kruis mij afschermd omdat ik anders zelf tot as verbrandt in het vuur van een alles verzengende woede?
Ja, ik begin te beseffen dat ik onder de last van mijn schuld vermorzeld zou worden…
Ik zou op de grens van het eeuwig licht en de altijd durende duisternis niet kunnen bestaan en verdrinken in een zee zouter dan de Dode Zee.
Dit weten verscheurt mij waardoor in mijn hart, op een plek die ik altijd verborgen heb gehouden, een andere stem begint te schreeuwen.
Bitter en rauw, vol wroeging, pijn en zelfhaat roept het; ‘Kruisig mij, kruisig mij!’
Maar eer mijn mond deze woorden uiten kan worden ze al gesmoord in een zee van oneindige liefde en mededogen.
Plotseling besef ik dat deze duisternis mijn schild is, mijn bescherming tegen het zelf openlijk te schande staan voor mijn torenhoge schuld, omdat het mijn zonde is die met een heilige hand aan dat hout is vast gespijkerd.
Het is míjn arrogante zelfrechtvaardiging, die als de doeken van een ongestelde vrouw ten toon gespreid wordt.
Míjn zondige ik hangt aan dat kruis, en toch sterft iemand anders in mijn plaats de eeuwige dood…

Terwijl de poorten van de hel zich sluiten achter Jezus van Nazareth ontstaat een nieuwe werkelijkheid en voor mijn ogen opent het naar boven wijzend kruis een deur naar een ruimte waar nooit het woord ‘schuld’ meer in de mond genomen wordt.

‘Kruisig hem, kruisig hem’ zodat niet ik, maar hij de schuld krijgt.
Ja, het is recht dat niet ik, maar hij bezwijkt!
Het is recht dat niet hij, maar ík leef!
Zó moet het zijn, hoor maar, hij roept:

‘Het is volbracht’

Kostbare Parel

Ik ben een parel.
Niet zomaar parel, ik ben een kóstbare parel.
Daarom lig ik op een bloedrood kussentje te pronken en heeft de koopman een zachtschijnend spotje boven me gehangen, waardoor mijn paarlemoeren glans nog meer opvalt.
Gefascineerd door mijn betoverende bolling draait en danst de regenboog rondjes in mijn melkwitte spiegeling.
Ieder die binnenkomt wordt meteen als een magneet naar me toegetrokken om zich te verwonderen over mijn zuivere schoonheid.
De koopman glimt van trots over mij, en aan ieder die het horen wil roemt hij de perfectie van mijn vorm en glans.

Eer ik door hem gekocht en betaald ben, was ik diep ongelukkig, en zwierf van de een naar de ander.
Lang geleden reeg men mij nog aan een ketting maar belandde ik toch weer in sieradenlaatje van vergetelheid.
De draad waaraan ik gedragen werd sleet, waardoor bij de minste aanraking de ketting brak en ik kletterend over de grond rolde.
Niet genoeg op waarde geschat lag ik jarenlang in een hoekje van de kamer ongezien te verstoffen en ging me steeds waardelozer voelen.
Ik was waarschijnlijk niet de moeite waard opgeraapt te worden.
Mijn glans werd doffer en doffer, waardoor ik zelfs vergat dat ik eens, binnen in de bescherming van de schelp van de oester perfect gevormd ben.
Bij een verhuizing merkte men mij weer op en kreeg ik voorzichtig hoop, maar ik werd in een bak temidden van allerlei andere kralen en prullaria bij de kringloopwinkel gedeponeerd.

Af en toe graaide er een hand door de bak maar niemand nam mij mee.
Ik begon te denken dat ik er niet meer toe deed, waardoor ik bijna mijn droom opgaf met mijn glans iemand te mogen betoveren en veroveren.
Bijna…
Want diep vanbinnen bleef mijn vlammetje als een rokend vlaswiekje smeulen, verlangend gezien, opgeraapt en gekoesterd te worden.
De andere kralen botsten tegen me aan, en lachten me uit wanneer ik voorzichtig mijn hoop uitsprak.
Ze verweten me hoogmoed en arrogantie waardoor ik me voortaan maar stil hield.
Totdat…

Op een dag gleed er weer een hand door de bak met kralen, en ik voelde meteen dat deze hand anders was.
Het was geen graaiende hand maar de hand van een koopman die al lange tijd hoopte te vinden wat verloren was.
Speurend als naar een schat bewogen de vingers zich tussen de oude afgedankte kralen.
Ik voelde in de koopman een zelfde verlangen en verwachting als in mijn eigen flakkerend vlammetje en hoopte zo op een aanraking, al was het maar voor één keer, alleen deze dag.
Teder om niet te breken naar waar hij op zoek was ging zijn hand van kraal tot kraal.
Opeens hoorde ik een kreet van verrukking en eer ik het goed en wel beseftte lag ik in de palm van deze speurende hand.
De vingers streelden het stof en vuil van mij af, en ik zag hoe de ogen van de koopman glommen van blijdschap en ontroering.
Zonder zich ervoor te schamen ving hij in zijn handen de over zijn wangen biggelende zoetgeurende tranen, waardoor ik als in een bad vol hemels schuim in het kommetje van zijn hand schoongewassen werd.
Hij bracht me naar zijn kussende mond en fluisterend beloofde hij me te kopen, wat het hem ook kosten zou.
Bij de kassa bleek de prijs torenhoog, maar vol vreugde leverde de koopman zijn verzameling andere parels in om mij te kunnen kopen.

Veilig opgeborgen in de palm van zijn handen deed hij joelend en juichend een vreugdedans, ‘je was verloren en ik heb je gevonden,’ zo blij was de koopman met mij!
In zijn prachtig paleis werd ik op het fluwelen kussentje gelegd, en zong hij me toe dat hij dit allang van te voren speciaal voor mij gemaakt had.

Om niet te vergeten hoe kostbaar ik ben neemt hij me iedere dag een paar keer in de palm van zijn zachte handen, net zoals die keer in de Kringloopwinkel.
‘Jij bent mijn kostbare parel’ fluistert hij me dan toe, ‘ ik hou zo van je zachte paarlemoeren glans.’

Grappig hè,
ik heb nou juist het idee dat het zijn weerschijn is waardoor ik mooier dan ooit tevoren glans…

(Opgedragen aan Pauline)

Veiligheid binnen de omheining van de gemeente.

Deze week las ik een aantal artikelen rond de moord op een moeder van kinderen in Mijdrecht.
Twee dingen vielen me vooral op:
0. De burgermeester zegt al bij voorbaat dat er geen fouten gemaakt zijn…
Huh?
Terwijl hij zich haast om zijn handen in onschuld te wassen, ligt een door haar ex vermoorde vrouw en moeder van kinderen aan zijn voeten, en op zijn bureau ligt een dik dossier van door dezelfde vrouw gedane aangiftes van stalking en bedreiging…

0. De kerk opent een avond de deuren voor troost.
Dat is natuurlijk prachtig, een open kerk.
Alle deuren wijd open…
Maar bij mij borrelen er dan tevens allerlei vragen.
Één avond maar?
De kerk hoort toch altijd open te zijn?
En waar was de kerk vóór de moord?

Ook één dezer dagen hoorde ik op een kerkelijke bijeenkomst tevens de term “hulp bij vechtscheidingen” voorbij komen.
Daarmee wordt bedoelt:’ het bij kinderen zoveel mogelijk schade zien te voorkomen, temidden van de elkaar de tent uitvechtende ouders/ ex-partners’
Niet alleen in het kader van de moord in Mijdrecht, maar niet in het minst persoonlijk, raakt deze bewoording mij erg.
Het plakkertje ‘vechtscheiding’ onderstreept de heersende mening:
‘twee kijven, twee schuld’, waarom het in de hulpverlening direct al mis gaat, zowel van professionele kant als aan de zijde van de naaste omgeving van beide partners.

In haast alle gevallen zal vooral één van de partijen blij zijn met deze onjuiste constatering, waarbij de andere partij voornamelijk onnoemelijk te lijden heeft van dit oordeel.
De suggestie twee kijven, twee schuld is nou juist bij ‘vechtscheidingen’ funest, en zal de situatie alleen maar verergeren.
De vechtende ouders vechten wel allebei, maar ieder op een heel ander niveau en daarom ook met ieder een ander doel.

(Om het wat gemakkelijker begrijpbaar te maken noem ik het vervolgens ‘de man’ en ‘de vrouw of moeder’
Het zal omgekeerd alhoewel minder vaak, ook plaats vinden)

De man zal in een ‘vechtscheiding’ nietsontziend geen poging onbenut laten de ex-partner, de vrouw en vaak moeder van zijn kinderen te ruïneren, terwijl deze moeder alles in het werk probeert te stellen een veilig heenkomen voor haar en haar kinderen te vinden.
Dat is ook haar plicht, omdat ze na jaren binnenshuis terreur niet meer anders kan dan vluchten, al was het alleen al om de kinderen in veiligheid te brengen.
In plaats dat deze moeder hulp krijgt, wordt wat ze eindelijk durft vertellen meestal niet gelooft, waardoor ze steeds radelozer op allerlei deuren bonst.

De man zal zijn spel van buitenshuis charmeur voort zetten, en iedereen om de tuin leiden.
Hij windt de hele omgeving om de vingers en zal de buitenwereld vertellen wat een hysterica zijn ex-vrouw is.
Omdat de radeloze moeder steeds harder gaat schreeuwen, komt deze ‘voorspelling’ uit en begint de omgeving de moeder te mijden en de rug toe te draaien.
Met maar één winnaar, de ten oorlog getrokken ex-man, die door de omgeving de hand boven het hoofd wordt gehouden, en daardoor onbewust hulp krijgt van degene die de vrouw en kinderen zouden moeten beschermen.
Het gevolg is dat de omgeving, betrokken in het meedogenloze spel van deze man, mede verantwoordelijk wordt voor de ‘vechtscheiding’ en het ruïneren van de wanhopige moeder.
Terwijl de radeloze vrouw en moeder recht heeft op bescherming, keert men zich tegen haar, en sluiten de deuren, ogen, oren en harten zich op haar hulpgeroep.

Dat dit ook in de kerk kan gebeuren is het meest schokkend.
De reden waarom het daar gebeurt is de, naar mijn mening, ontstane cultuur van niet mogen oordelen.
Oordelen is onder gelovigen welhaast de grootste zonde geworden, waardoor juist in deze omgeving een rover zo welkom geheten zal worden.
Terwijl we in de kerk leren dat Satan rond gaat als een briesende leeuw, onderkennen we niet dat dezelfde Satan daar mensen voor gebruikt, en dan vooral op het grondgebied van zijn vijand, Jezus.
Omdat we eenzijdig leren liefde te moeten betonen is de in schaapskleren vermomde wolf in onze schaapskudde een meer dan welkom gast, waardoor een ontwrichting zoals in een ‘vechtscheiding’ beschreven ook in de kerk niet onderkend wordt.

Zelf onderdeel van zo’n ‘vechtscheiding’ heb ik in en door mijn toenmalige kerk het grootste trauma van deze situatie opgedaan.
Niet mogen oordelen veroordeelt wanhopige ex-partners tot isolatie en in sommige gevallen tot de dood door (zelf)moord.
Daarom houd ik mijn hart vast wanneer ik in de kerk het woord ‘vechtscheiding’ en de daarachter gelegen motivatie hoor.
Ik huil om de vrouwen en moeders van kinderen die de moed hebben te ontsnappen aan de terreur van de voor de buitenwereld vaak oh zo charmante ex-partner, waarop hen door de omgeving oordeel en buitensluiting te wachten staat.
Ik zal daarom waar het kan mijn stem laten horen in de hoop dat men de ogen opent voor wat er werkelijk speelt in een ‘vechtscheiding’
Niet alleen in de samenleving op zich, maar vooral in de kerk, dé plek waar we het meest waakzaam moeten zijn voor de rover, en deze buiten moeten sluiten.
Dé plek waar een radeloze vrouw en moeder asiel verdient binnen de omheining van de schaapskooi van Jezus.