Uitgelicht

Hooglied

Dit is de samenvatting van het bericht.

In ieders binnenste borrelt en blupt het soms.

Bij mij ook.

Wat er vooral als een fontein sproeit is het verliefd zijn op Jezus.

En het wéten dat Hij dat ook op mij is.

In mijn blogs over Hem,schrijf ik een beetje mijn eigen Hooglied.

In de hoop dat je ook gegrepen wordt door deze liefde,want ik wil Hem graag delen.

bericht

Wie betaalt, bepaalt?

Op tv zag ik eens een fragmentje van de uitreiking van één of andere grote geldprijs.
De reactie van de winnaars op de vraag van de verslaggever: ‘wat gaat u ermee doen?’ was amusant ad rem: ‘dat gaat niemand wat aan.’
En gelijk hebben ze!

Een soortgelijke situatie, en naar mijn persoonlijke mening nóg pijnlijker onbeschaamd doet zich voor wanneer je weinig geld te besteden hebt.
Eerder schreef ik al over mijn ervaringen t.a.v. de Voedselbank, een artikel dat door diverse lezers negatief ontvangen is en me verschillende vijanden heeft opgeleverd.
Maar dat niet alleen, van een enkeling hoorde ik zeggen dat het hun ogen heeft geopend en ze nu toch wat anders naar armoede en/of de voedselbank kijken.
Mijn blog van vandaag is een ongewild vervolg.

Het is bekend dat ineens een groot geldbedrag winnen iets met je doet, logisch natuurlijk!
Tevens doet het iets met de omgeving, opeens wil iedereen vriendjes zijn met de nieuwe rijken, waarom terecht begeleiding wordt geboden hoe met de nieuwe status om te gaan.

Armoede doet ook iets met je, ten eerste met je status.
Geen leuke uitstapjes, niet naar de sportschool, niet aansluiten bij één of andere klup, het betekent een zeker isolement waar je niet zelf voor gekozen hebt.
Schaamte en iedere keer moeten zeggen dat je geen geld hebt, plaatsen je langzaam maar zeker buiten de kring.

De reden waarom ik dit blog schrijf is om een nog andere, zo niet pijnlijker vorm van isolement.
Armoede van de één verandert in zekere zin namelijk ook de ander in je omgeving.

Mijn maatschappelijke status de komende jaren is dat ik onder bewind sta, en iedere stap aan de rechtbank moet verantwoorden.
Ik heb daar moeite mee, erg veel moeite.
Gelukkig heeft Vader enkele mensen in mijn leven geplaatst die me regelmatig wat toestoppen, waardoor ik mezelf af en toe mee uit neem, iets nieuws kan kopen, het lampje van de afzuigkap kan verwisselen of mezelf trakteer op een kopje koffie bij LaPlace.

In principe moet ook hier verantwoording over worden afgelegd, alsof overal je gangen worden nagegaan.
Op iedere straathoek van mijn leven hangen als het ware camera’s om vast te leggen of er niet ergens verborgen geld ligt.
Wat ik steeds vaker tegenkom is dat buiten de controle van de rechtbank, ook de omgeving ongevraagd meekijkt en verantwoording eist.

Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: “je hebt anders wel een heel dure fiets.”
Of: “hoe komt het dat je dit of dat dan wel betalen kunt?”
Of: “oh, en wie betaalt dat dan voor je?”
Of: “ik kan anders niet aan je zien dat je naar de Voedselbank moet.”
Of je hoort via via dat je niet genoeg dankjewel gezegd hebt voor iets wat je gekregen hebt…
Wanneer ik in mijn naïviteit mijn blijdschap deel over een onverwachts extraatje zijn er genoeg mensen die oprecht blij voor en met me zijn, maar ik kijk er ook niet meer van op dat er zeer negatief gereageerd wordt met: ‘mooi makkelijk hè dat een ander alles voor je betaald.’
Het heeft me zelfs vriendschappen gekost…

Ik kan nog veel meer voorbeelden van dit soort opmerkingen noemen, waarvan je al heel snel de ondertoon leert herkennen.
Het gevolg van dit voortdurend controleren is dat maar gewoon thuis blijven het meest veilig lijkt
waardoor je uiteindelijk niemand meer ziet en het contact met de buitenwereld nog verder verliest.

Eerlijk, ik begin steeds meer moeite te krijgen met al die ongevraagde bemoeizucht.
Ik ben een mensenmens maar merk dat het steeds lastiger wordt open en zonder oordeel naar de omgeving te zijn dus ik vraag wat hulp van die omgeving.

Zou je daarom alsjeblieft wat moeite willen doen je af te vragen wat je voor de arme medemens zou kunnen betekenen?
(niet persé voor mij, er zijn er veel meer dan je denkt)
Een tip kan b.v. zijn:
wanneer je je bijdrage aan de voedselbank aflevert, vraag je zelf dan eens af wie je in een meer persoonlijk contact aan je tafel nodigen kunt.
Probeer zonder oordeel eens te bedenken dat elke voor jou zo gewone boodschap, dokters of tandartsbehandeling, reparatie, onderhouds of knipbuurt, vakanties en uitjes, lidmaatschappen en abonnementen misschien voor een bepaald lid van je familie, je buren of een lid van de gemeente niet te betalen zijn.
Durf je dat aan; om je heen de steeds toenemende armoede te zien?

De vraag aan mezelf is: durf je het aan om kwetsbaar en open je armoede en rijkdom te delen?
Zonder een oordeel te hebben over het groeiend onbegrip…

Verbod op wc-tikken

Een paar weken nadat we in de kerk herdachten dat Luther zijn 95 stellingen schreef en die aan de deur van de Slotkapel in Wittenberg spijkerde, hing er in onze flat ook een pamflet.
Met kordate woeste letters werd ons het volgende meegedeeld;

Wc-tikker
Wil degene die iedere morgen op de wc staat te tikken daarmee stoppen?
Het is door de hele flat te horen!

Ik kan het niet helpen dat ik onbedaarlijk moet lachen om dit wc-tikverbod.
In mijn hoofd draait zich vervolgens het volgende filmpje af.

Eerste bedrijf, Flat A

Omdat hij ervan baalt iedere morgen gewekt te worden door een niet te stoppen innerlijk proces heeft de bewoner van deze flat gisteravond zo weinig mogelijk gegeten.
Toch komt hij er ook deze dag niet onderuit, zonder genade dringt de aandrang hem vlak voor de klok 4 uur wijst klaarwakker, waarop de niet voor de Big Bang onderdoende, door heel de flat galmende Bim Bam van zijn buurman bevestigd: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
Een vergeefse poging zich nog even om te kunnen draaien mislukt ook deze vroege morgen jammerlijk; dwingend als de toeter van de stadsomroeper, roept zijn knorrend binnenste ook deze dag om verlossing van haar last.
Alsof de wind zelf hem op de hielen zit eindigt zijn uitslaappoging in een met dicht geknepen billen sprintje naar de pot alwaar zijn binnenste zich zuchtend van genot ontlast van de overblijfselen van de gisteren genuttigde maaltijd.
Eer zijn ecologisch kunstwerk haar zwanenzang door de grijze afvoerbuizen van het riool aanvangt, werpt hij nog een trotse blik naar het torentje in de porseleinen pot.
Wanneer hij een forse ruk aan het touwtje van de stortbak geeft voelt de producent van het in de diepte verdwijnend werkstuk zich oppermachtig, als is hij hoofdpersoonlijk eigenaar van de Niagara-watervallen.
Maar dan; verdorie, het zo vernuftig in elkaar gedraaid vormsel heeft toch nog wat sporen nagelaten op het wit van de porseleinen pot…
Geen nood, daar heeft onze flatbewoner de volgende meest lumineuze uitvinding voor aangeschaft: de wc-borstel!
En juist daar begint het gedonder in de glazen, of liever gezegd, het wc-tikken…
Na de noodzakelijke rondgang van de borstel kan deze namelijk niet maar zo plassend weer in zijn houder gezet worden, waarom mijn medeflatbewoner hem droog tikt op de rand van zijn net gereinigd toilet.
Opgelucht dat dit klusje ook weer geklaard is kruipt hij nog even lekker onder de wol…

Tweede bedrijf, Flat B

Net als bovengenoemde flatbewoner is een van de andere medeflatbewoners gisteravond ook naar bed gegaan.
Hij hoopt net als zijn buurman eens een keertje uit te kunnen slapen, maar weet nu al dat dat ijdele hoop is.
Iedere morgen wordt hij namelijk gewekt door een wc-tikker, een medebewoner die na toiletbezoek steevast de wc-borstel droog tikt op het randje van de wc-pot.
De groeiende ergernis hierover houdt hem al bij voorbaat uit de slaap, waarom hij ieder uur aftelt.
Het is zo langzamerhand een gewoonte geworden, dat nog eer zijn klok met een niet voor de Big Bang onderdoende Bim Bam 4 uur slaat, hij allang van tevoren weet: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
En inderdaad, als een selffulfillig prophecy hoort hij even later de hamerslag van het wc-tikken door de flat galmen.
Gefrustreerd en zijn emoties tot het kookpunt opgezweept draait en woelt deze flatbewoner zich een slag in de rondte, totdat de lakens hem als in een kunstig en vernuftig gevormde cocon gevangen houden.
Plotseling begint zijn binnenste aan te dringen op toiletbezoek, maar mijn hemel, hoe bevrijdt hij zich op tijd uit zijn eigen gedraaide dwangbuis?
Te laat, het kwaad is al geschiedt…
Als de baby van vroeger, tot aan zijn nek zijn luiertje vol gepoept zoekt zijn woede zich een uitweg uit deze door de wc-tikker veroorzaakte vernedering.
Wanneer hij even later bevrijdt en schoongeborsteld als het wit van porselein, de wasmachine vult met vuile was, weet hij opeens wat hij doen moet; net als Maarten Luther gaat ook hij een pamflet opstellen.
Een toilet-hervormings plan voor wc-tikkers!
En zo kan het gebeuren dan deze medeflatbewoner driftig tikkend zijn al eerdergenoemd pamflet fabriceert en dit nog dezelfde dag aan het prikbord hamert.

Is het daarmee afgelopen, mijn beste lezers?
Welnee, er volgt nog een clifhanger.

Derde bedrijf, Flat C

Een medebewoonster van desbetreffend flatgebouw kan het niet helpen dat ze verleidt door het verbod op wc-tikken iedere morgen een deuntje tikt op haar eigen mooie porseleinen plee’tje.
Grinnikend vraagt ze zich af: ’vroeger leefde ik zonder een wet op het wc-tikken. Maar toen ik die wet leerde kennen ontdekte ik dat wc-tikken een zonde is.
Zonder die wet had ik nog nooit wc-getikt, maar nu roept die wet de begeerte in mij op tot wc-tikken…
Mijn doen en laten zijn voor mezelf een raadsel, want ik doe niet wat ik graag wil, nee, ik doe waar ik een hekel aan heb.
Ik doe dus wat ik niet wil en daaruit blijkt dat ik het eens ben met de wc-tik wet.
In mijn diepste wezen wil ik helemaal niet wc-tikken maar ik zie dat mijn doen en laten daarmee volledig in tegenspraak is.
Wat ben ik er ellendig aan toe!
Wie verlost mij van deze wc-tik-tic?

Mijn mooiste ketting.

In mijn brein liggen gebeurtenissen en ervaringen opgeslagen waarvan ik de meest waardevolle als kostbare kralen aan een herinneringsketting rijg.
Iedere kraal heeft zijn eigen vorm en kleur, de een mooi rond, de andere wat ongelijker of hoekiger van vorm, maar elk even schitterend en uniek.
Het kan zo maar zijn dat een bepaalde geur, een geluid, muziekstuk of klein gebaar me de kralen als een rozenkrans door de vingers doen glijden.
Tastend naar de vorm roept iedere kraal zijn eigen gevoelens en emoties boven, waarbij het memoriseren niet automatisch een glimlach op mijn gezicht tevoorschijn hoeft te roepen.
Het gebeurt al te vaak dat een bepaalde herinnering mijn ziel als een scherpsnijdend zwaard doorklieft.
Gaat het dan om een herinnering die trauma heeft nagelaten?
Geenszins, het zijn juist de meest kostbare kralen, kralen die zó waardevol zijn, dat ze me door het gemis en heimwee naar die persoon of situatie de adem benemen.
Dit heimwee en gemis doen deze kralen des te meer het alleen zijn als een soms ondraaglijk zeer ervaren.
Ze onderstrepen de eenzaamheid als brengt het mijn klok van slag waardoor ik als het ware even stil moet gaan staan bij toen…

Wanneer ik bij het door de vingers gaan van deze kralen mijn kussen nat huil, is daar steevast iemand anders die onder míjn streep een andere streep trekt.
Terwijl ik mijn van pijn gekromde ziel ophef om te zien wie deze dubbele streep heeft gezet, zie ik niemand anders dan Jezus alleen die mij uitnodigt met zíjn ogen te kijken naar mijn eenzaamheid en gemis.
Hij laat me vervolgens zien en beseffen dat de kraal aan mijn ketting juist daarom zeer doet omdat deze kraal iets zeer kostbaars en waardevols in zich bergt.
Niet om daarmee het zeer te verhullen, maar veelmeer om beide emoties te laten bestaan; pijn en dankbaarheid, vreugde en gemis.
Jezus verbindt zich aan mijn pijn en aan mijn vreugde, mijn blijdschap en mijn verdriet.

Vol liefde en mededogen houdt hij vervolgens zijn doorboorde handen op en wacht tot ik mijn ketting erin leg.
Het maakt hem niet uit dat de kralen glibberen van mijn snot en zoute tranen, mijn ketting is hem des te meer waardevol.
Uit één van zijn doosjes haalt hij een kraal, rood als bloed, en vraagt me of hij deze aan mijn ketting rijgen mag.
Zijn vingers strelen mijn natgehuilde wangen, waarna hij zonder er ook maar eentje over te slaan al mijn tranen in een flesje giet.
Ik volg met belangstelling zijn voorzichtige beweging waarmee hij mijn ketting om de hals van zijn flesje hangt en zie in zijn ogen opeens dezelfde heimwee als die mij zo pijn doet.
‘Kijk nog eens goed mijn lief,’ zegt hij teder.
Ik kijk in zijn gezicht vol ontfermend mededogen en doe een verbijsterende ontdekking.
De pijn van gemis naar dat wat was blijkt door zijn ogen een heimwee naar het nog niet maar in hem absoluut zeker en vast.
Hij glimlacht om mijn verbazing en vraagt me: ‘Je wist het toch al wel dat ik net zo naar jou verlang als jij dat naar mij doet?’
Natuurlijk weet hij dat ik het soms even kwijt ben, maar wat is hij lief dat hij het niet tegen me houdt.
Ik kan alleen nog maar zeggen: ‘ja Heer, ik weet het toch altijd al!’

‘Kom’ zegt hij, ‘we gaan naar de juwelier.
Daar mag je een mooie nieuwe kraal uitzoeken…’

Ome Harm

In de familie van Vader had ik een tante en twee ooms,
Tante Nelly, ome Jan en ome Harm.
Tante Nelly was in het gezin van Opoe en Opa de oudste, Vader de tweede, daarna kwamen ome Jan en Ome Harm.
Opa en Opoe hadden,vroeger toen Vader zelf nog kind was, een dochtertje verloren, het meisje waar ik later naar vernoemd werd.
Tiny was op 3 jarige leeftijd ziek geworden, en moest voor een blindedarm ontsteking naar het ziekenhuis in Enkhuizen.
Het moet hartverscheurend geweest zijn dat ze juist in dat ziekenhuis een longontsteking op liep en daaraan stierf.
Als kind kon ik dit verdriet nog niet bevatten, maar vroeg me wel vaak af hoe die tante geweest zou zijn.

Maar dit verhaal gaat over ome Harm.
De Bemjamin uit de famlilie Kramer.
De kleinste, maar zeker niet de minste.
Hij was een bijzonder grappige oom, waar je lol mee kon hebben.
De oom ook waar Opa en Opoe de meeste zorgen om hadden, volgens mijn kinderlijke opmerkinsgave van toen.
Hij was “goddeloos” zoals de tale Kanaäns dat noemde.
( let wel, ik probeer te praten vanuit de beleving van toen, hoe ik dat als kind beleefde)
Ome Harm zou, als hij zo bleef leven, naar de hel gaan, omdat hij niet graag naar de kerk ging, maar liever in de High Chaperel zat.
Dat was een bar in Emmeloord, en zoals ik vernam, de meest goddeloze plek, op aarde.
En die bar was nou juist de favoriete plek van Ome Harm…

Soms, heel zelden, kwam ik als kind in Emmeloord, wat hadden we er verder te zoeken dan dat ik op een gegeven moment op zwemles ging in het Kinkhoorn bad te Emmeloord.
Wat was ik nieuwschierig naar die goddeloze High Chaperel, de plek waar je, als Jezus op dat moment terug kwam, rechtstreeks naar de hel werd gestuurd.
Ik wilde wel eens weten hoe zo’n bar er dan vanbinnen uitzag, en waarom dat een enkel reisje verdoemenis was.
Ik begreep dat de meisjes die daar kwamen net als Izebel, en Atahalia, twee heidense koninginnen uit de bijbelsche geschiedenis van Joh.Vreugdenhil, zwaar opgemaakt waren, de nagels rood gelakt, zoals de buurvrouw van Opoe dat ook deed, en met rood geverfde lippen.
Nou inderdaad, dan ging je naar de hel!
En laat die liefste ome Harm, de meest grappige en jolige figuur uit Opoes’ gezin nou net zo iemand zijn die daar dus een enkeltje voor op zak had, tenminste, als hij zich niet op tijd bekeerde.

Als kind begreep ik er niets van, waarom mocht je niet in de hemel komen, als je een beetje lol had?
Het was als op de plaat van de brede en de smalle weg, waar ik al eerder over schreef.
Al het plezier op de brede weg leidde naar het eeuwige vuur, de gebochelde en strompelende zieligerd op de smalle weg kwamen in de hemel.
En, dat was duidelijk, ome Harm vierde feest op de brede weg!
Hier een korte tijd van plezier en vermaak, dáár een eeuwigheid wening en knersing der tanden!

Op een gegeven moment kreeg ome Harm verkering met Dina.
Ome Harm en tante Dina.
En tante Dina was ook goddeloos…
Tja, wat wil je, hij had haar in de bar leren kennen.
Wat vond ik dat nou erg voor hun, zulke jolige lui, die niet in de hemel kwamen…
Het maakte me zo verdrietig, temeer daar ik dat hele hel-verhaal al zo verschrikkelijk oneerlijk en ongeloofwaardig vond.
Waren we dan allemaal voor de ondergang geboren?
Was ik zelf dan ook niet meer te redden?
Ome Harm zeker niet, dat was duidelijk, want ondanks de tranen van Opoe, ome Harm ging gewoon naar de High Chaperel.
Waarschijnlijk voelde ik me daarom zo tot hem aangetrokken, hij deed waar hij zelf zin in had, en had lak aan het doemdenken waarin hij opgevoed was.
In zekere zin had ik er ook lak aan, alleen, mijn kinderlijk brein had dat nog niet erg duidelijk, misschien mijn hartje des te meer.
Ik kon maar moeilijk aannemen dat ome Harm, en ik dus ook, geboren waren om naar de hel te gaan.

Op zekere dag waren mijn meest grappige oom en tante Dina, die voor Opa en Opoe, hoogstwaarschijlijk niet de meest ideale schoondochter was, verloofd.
Maar ach, ome Harm was ook niet de meest ideale schoonzoon…
Ze gingen trouwen!
Geweldig, we hadden een bruiloft in het verschiet.
Het meest spannende was nog wel dat ze beloofden dat ik bruidsmeisje mocht zijn!
Hoe spannend was dat voor het verlegen kind dat ik was.
Wat zag ik ernaar uit, om net als tante Dina, die straks natuurlijk de meest fantastische bruidsjurk zou dragen, in een mooie bruidsmeisjesjurkje tante Dina’s sleep mocht dragen.
Een meisjesdroom kwam uit, de droom waarmee misschien wel elk meisje opgroeit!
Een bruidsjurk…

In die tijd zat ik bij meester Visser in de vijfde klas,(nu groep 7)
Op een dag kwam de hoofdmeester, meester Loosman, me uit de klas roepen, en vertelde me dat ik naar huis mocht gaan.
Hoe dat precies ging, kan ik me niet meer zo herinneren, maar er was iets vreselijks gebeurd!
Ome Harm, die kon zwemmen als een waterrat, was verdronken…
De sleepboot waarop hij werkte was s’nachts, terwijl deze aan de kade van de Brouwershaven lag, gekapsijst.
De andere opvarende, was op tijd weg gekomen, maar ome Harm werd vermist, waardoor het haast zeker was dat hij niet meer in leven was.

Een paar dagen later werd hij in de machinekamer van de gezonken sleepboot gevonden.
Vader was daarbij, samen met een andere oom.
Wanneer hij over deze afschuwelijke gebeurtenis praat tranen zijn omfloerste ogen van verdriet en tegelijk van diepe ontroering.
Omdat er nog iemand bij was, een ouderling uit de kerk van Opa en Opoe;
Jan, een diep gelovig man, die in alle eenvoud Jezus uitstraalde.
Op dat hartverscheurende moment in de geschiedenis, waarop voor onze familie de tijd stilstond, terwijl om ons heen alles gewoon doorging, dat moment in de Brouwershaven waar Vader zijn dode broer, Harm, identificeren moest, vouwde Jan zijn handen…

Deze gevouwen handen bij het lichaam van ome Harm, zijn voor Vader één van de kostbaarste herinneringen in zijn leven.
Temidden van alle machteloze wanhoop en verdriet gaven die handen getuigenis van een genadig God, veel barmhartiger dan mensen dat zijn.
Deze gevouwen handen snoerden de hel zijn mond door te wijzen naar twee andere handen, vastgespijkerd aan een kruis.
Doorboorde handen die zich niet schamen zegenend het gebroken brood en de beker wijn te delen met goddeloze mensen,
als ome Harm
als Vader en Moeder
als jou
als ik
Tot Zijn gedachtenis…

(opgedragen aan ome Harm)

Porseleinen Kopje

Als klompje klei lig ik al een tijdje te wachten op de warme handen van de pottenbakker.
Ik zie hem de meest prachtige kommen en schalen formeren, groot en klein, in allerlei vormen.
Wanneer hij de kast opent voor weer een nieuw klompje klei hoop ik zó dat hij mij in zijn handen neemt, maar tot nog toe slaat hij mij iedere keer weer over.
Zou hij mij wel gezien hebben?
Mijn klompje is kleiner dan die van de andere, maar de pottenbakker heeft me hier zelf een tijdje geleden neergelegd, dus waarom hij mij nu elke keer over het hoofd ziet…

Eindelijk, de pottenbakker neemt me in zijn tot een kommetje gevormde handen en begint me langzaam van de ene naar de andere kant te rollen.
Hij brengt me dicht bij zijn gezicht en fluistert plagend: ‘was je bang dat ik je vergeten had?
Weet je, ik heb een speciaal plan met jou, wacht maar.’
Van mij mag hij nog uren doorgaan, zo lekker warm word ik van het heen en weer rollen in de handen van de pottenbakker.
Langzamerhand ben ik een mooi rond balletje geworden waar ik best wel tevreden over ben.
Maar dan, plotseling is het niet leuk meer, de pottenbakker duwt allebei zijn sterke duimen in me waardoor hij mijn mooie vorm in één klap ruïneert.
Alle tien zijn vingers beginnen me te kneden en de ruwe stukjes uit me te plukken waarbij het wel lijkt dat de pottenbakker er nog plezier in heeft ook!
Is hij nou helemaal gek geworden?
Ik wilde wel dat ik nog op de plank lag!

Help, help, de pottenbakker is opeens een nare man geworden, een bruut, die het leuk vindt me zeer te doen.
Hij brengt me weer naar zijn gezicht en ik verwacht een flinke uitbrander te krijgen.
Waarom zou hij anders zo ruw met me doen?
Maar dan merk ik dat zijn ogen nog steeds net zo liefdevol glanzen als toen hij me net in zijn stoere knuisten nam.
Zijn stem klinkt nog even teer wanneer hij zegt: ‘het lijkt dat ik niet van je houd, maar ik moet je even pijn doen.
Het kan niet anders, voor mijn plan met jou moeten alle korreltje en luchtbelletjes verwijderd zijn.’
Zijn ogen en stem overtuigen me waardoor ik hem maar gewoon zijn gang laat gaan.
Na een tijdje ben ik zo gekneed en uitgepulkt dat het net lijkt alsof ik een zachte klont boter ben.
De pottenbakker legt me op zijn draaischijf waarna hij me als in een draaimolen rondjes laat draaien.
Het is dat zijn boetserende vingers me vasthouden anders lag ik vast al lang op de grond.
Ik word er duizelig van, maar de pottenbakker stelt me vriendelijk gerust.
Verbeeld ik me het of is het echt zo dat hij af en toe een traantje van ontroering weg pinkt?

Ik ben zo benieuwd wat de pottenbakker van mijn klompje gemaakt heeft, maar ik mag het nog niet zien
‘Het wordt straks nog mooier, eerst uitharden en in de oven, en dan…verder verklap ik nog niks.’
Mooi is dat, me zo in onzekerheid achter te laten!

Nog voorzichtiger dan eerst zet de pottenbakker me na een paar dagen in de oven.
Het wordt al heter en heter, ik gil het uit.
‘Au, Au.Wat doet u allemaal met mij, haal me hier uit, ik verbrand…’ maar de pottenbakker trekt er zich niks van aan.
Hij zet me daarna voor zich neer en bekijkt me van alle kanten.
Zo te zien is hij erg blij met me, dus nu mag ik mezelf ook vast wel zien, maar nee, ik ben nog niet af, zegt hij.
Hij begint met een scherp papiertje over me heen te wrijven, wat ook helemaal niet fijn voelt.
‘Ik schuur net zo lang tot je zo glad als een bel bent,’ zegt de pottenbakker, ‘maar ik moet heel voorzichtig zijn want ik wil niet dat je uit elkaar barst.’
Ik wilde dat hij mijn omgevormd klompje maar gewoon links had laten liggen want ik vind de handen van de pottenbakker helemaal niet lief meer…
Ondertussen blaast hij glimlachend het stof van me af en gaat er eens goed voor zitten.
Naast me staan een paar potjes met verf waarin de pottenbakker keer op keer een klein kwastje doopt om me te beschilderen.
Het kietelt en kriebelt, ik kan amper stil blijven staan.
De pottenbakker lijkt zeer tevreden over zijn werk, zijn voorhoofd glimt van trots.
Nu mag ik mezelf vast ook bekijken, maar oh nee, hij zet me weer in de oven.
Het wordt nog heter dan de vorige keer, maar het schijnt de pottenbakker niet te deren.
Met zijn hoofd voor het glas wacht hij nieuwsgierig af wat er met mij gebeurt.
Eindelijk tilt hij me weer in het kommetje van zijn handen en bekijkt me van alle kanten.
‘Wat ben je mooi geworden’ zegt hij, ‘precies zo als ik het me voorgesteld had.’
Springend en zingend doet hij een rondedansje door zijn atelier, zo blij is hij.

‘Kom, ik ga je aan jezelf laten zien,’ zegt hij en haalt het antieke spiegeltje van de muur.
Hij zet me voorzichtig op tafel met het spiegeltje tussen ons in.
Opgewonden wacht hij mijn reactie af…
Waar ik naar kijk is haast niet te bevatten, zo mooi heeft de pottenbakker me gemaakt.
Ik kan niet geloven dat ik dat ben, zo prachtig; heeft de pottenbakker dat echt uit mijn eerder onooglijk grijze klompje klei gemaakt?
In de spiegel zie ik een betoverend mooie kop en schotel, maar kijk toch stiekem even naast me of er soms nog een ander kop en schoteltje staat.
Boven de spiegel zie ik de pottenbakker glimlachen, ‘je bent het echt hoor, precies zo als ik het bedoeld had.’
Als hij het zegt moet ik het dus wel geloven!
Mijn mooie ronde vorm is zo dun en fragiel geboetseerd en zo mooi zachtgeel glanzend paarlemoer geëmailleerd dat het wel lijkt alsof ik transparant ben.
Sierlijk gevormde krulletjes vormen twee oortjes waarmee ik kan worden vastgepakt.
Op het zuiverwit aan de binnenkant zijn prachtige bloemetjes geschilderd, zo teer dat het haast lijkt alsof de blaadjes door de wind bewogen worden.

Nu begrijp ik ineens dat de pottenbakker me eerst goed kneden moest voor hij me zo mooi maken kon.
Ik begin me een beetje te schamen voor dat ik zo tegenstribbelde en zoveel kabaal gemaakt heb maar zie meteen dat het paarlemoer daardoor doffer wordt.
De pottenbakker zegt dat hij nooit boos op me worden kan en alleen maar ongelooflijk trots op me is, dus hoef ik me nergens schuldig over te voelen.
Ik kijk nog eens goed en opeens zie ik het gezicht van de pottenbakker in het paarlemoer weerspiegelen.
Zijn ogen houden me gevangen in een cirkel van liefde en mededogen, ik kan niet meer anders dan prompt en fier glanzend voor hem te staan.
Voorzichtig neemt hij mijn oortjes tussen duim en wijsvinger en brengt me aan zijn mond.
‘Ik ben zó blij met je’ fluistert hij zacht, ‘zo eentje als als jij heb ik nou altijd al gewild.’

Maar Heer, U bent onze Vader. U heeft ons gemaakt zoals een pottenbakker iets maakt van de klei. Wij zijn de klei en U heeft ons met uw eigen handen gemaakt.
JESAJA‬ ‭64:8‬ ‭BB‬
https://www.bible.com/1276/isa.64.8.bb

Help, ik help helpen.

Sinds september zit ik weer in de schoolbanken van het Evangelisch College in Zwijndrecht.
Over drie jaar hoop ik daar de HBO opleiding Pastoraal Hulpverlener af te ronden en op dat terrein aan de slag te kunnen gaan.

Bijzonder interessant is dat het overgrote deel van ons klasje zoals dat in de volksmond heet, een rugzakje heeft.
De één wat zwaarder dan de ander maar bij ieder gevuld met in het leven opgedane pijnlijke herinneringen en/of traumatische ervaringen.

Niemand ontkomt in het leven aan dit soort kwetsuren, we lopen allemaal vroeg of laat één of meerdere emotionele verwondingen op.
Deze pijn worden als het ware stenen die het rugzakje steeds zwaarder maken.
De stenen die het leven in je tas heeft gestopt kunnen een enorme belemmering worden het leven überhaupt te leven.
Opgestapeld worden de stenen een steeds hogere muur waarachter je je voor de rest van je leven verstoppen kunt, afgeschermd van welk gevaar dan ook.
Je waant je veilig achter je eigen muur, waar je er zelf voor zorgen kunt dat niemand je nog kwetst.

Na opgedaan zeer is het erg begrijpelijk een verdedigingslinie aan te leggen waar alleen jij de baas bent.
Maar daar ontstaat meteen een nieuw probleem; de verstopplek wordt je eigen ontworpen gevangeniscel.
Bij elke, al dan niet realistische dreiging wordt deze gevangenis enger en benauwder totdat het jezelf verstikt.
Door anderen op afstand te houden en niemand meer toe te laten vereenzaam je steeds meer, en wordt je je eigen gevangenisbewaarder waardoor je uiteindelijk zelf de pijn van het trauma in leven houdt.
Om achter deze waarheid te komen kan verschrikkelijk confronterend zijn…

De stenen in je rugtas kun je ook als stepping stones gebruiken naar een leven na het trauma.
Het zijn dan geen bouwstenen voor een muur waarachter je jezelf veilig waant, maar de stenen waarmee je een pad naar een leven van de pijn voorbij plaveit.
Iedere steen waarmee je het pad verlengt, brengt je voeten naar daar waar de pijn van het verleden je toekomst niet meer bepaald.
Om te voorkomen dat de wond gaat etteren, wordt deze niet ontkend maar verzorgd en geheeld.

‘I’ve been there,’ zegt de Engelse taal zo mooi.
Na opgelopen trauma wilde ik met niemand meer iets te maken hebben, en al helemaal niet met de plek waar ik de grootste averij opliep, de kerk.
Toch wil ik juist daarom in de kerk pastoraal werker zijn.
Ik heb zelf ondervonden dat wanneer je eindelijk om hulp durft vragen, je in de kerk groter kans hebt nog meer schade op te lopen dan waar ook.
Daar tegenover staat dat de Heer iemand op mijn pad bracht die d.m.v. goed pastoraat het vertrouwen in de kerk en het pastoraat herstelde.

Ik zou daarom willen dat het pastoraat door niet niet meer alleen (overigens goedwillende) vrijwilligers wordt ingevuld, maar meer en meer een geprofessionaliseerde taak wordt.
Dit om de zorg over de gemeente niet alleen op de schouders van een predikant te leggen en tevens ter bescherming van de hulpvrager en vrijwilligers.
Ik ben daarbij van mening dat de kerk het zichzelf ook waard moet vinden goede zorg te bieden aan haar huisgenoten.
Dat zorgt voor openheid in het kwetsbaar durven zijn waardoor de gemeente meer en meer een veilige plek voor de mensen binnen en buiten de kerkmuren wordt.

Waar ik naar verlang is dat ik de ogen en oren van Jezus mag zijn om daar met mijn handen aan te raken en te helen waar dat nodig is.
Tevens bid ik om onderscheidingsvermogen om mijn ogen en oren te sluiten voor daar waar ik mijn handen, om ze niet zelf te branden vanaf moet trekken.