Een hoer in de duiventil.

image_549867321595675

( Vervolg Dode Zee privé )
Het is een dag later, de dag nadat ik een man vanaf het tempelplein hoorde roepen:

“Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.”

De avond verliep zoals alle andere; mijn buideltje is nog meer gevuld, mijn ziel nog dichter bij de afgrond.
Ik heb het gevoel dat ik in een vrije val ben beland, die niemand meer stoppen kan.
Ik zelf zeker niet.
De vrome mannen, die hier stiekem mijn deur plat lopen ook niet.
Hun klop op mijn deur gisteravond, was als het slaan van een hamer op de spijkers in het hout.
Één van mijn klanten had het nog over de man die water uitdeelt.
Spottend noemde hij hem de “de timmerman die God speelt”
Het klonk verschrikkelijk gemeen.
Later stonden verschillenden voor mijn deur te smoezen.
Zouden ze wat in hun schild voeren?

Nu is het al ochtend, maar oh, wat ben ik moe.
Alle leven lijkt uit me weggevloeid, ik heb geen moed om op te staan.

Nee hè, weer die klop…
“Laat me met rust” wil ik schreeuwen, en rol me als een foetus in de baarmoeder in mijn bevuilde lakens.
Op nieuw geboren worden, zonder smet, zonder schaamte, zonder balast, zonder schuld.
Oh, die schuld …

Plotseling wordt mijn deur opengetrapt, en staan ze aan mijn bed; mannen van de Wet, hoeders van het geweten.
Zij weten precies hoe ík moet leven.
Ruw wordt ik beet gegrepen en meegesleurd naar het tempelplein.
Hun triomfantelijke gezichten doet me alle adem uit mijn longen knijpen.
Doelgericht word ik vlak voor de voeten van een andere man neergesmeten.
Als een trofee, die zijn waarde bewezen, maar nu geen nut meer heeft, lig ik daar.
Of is dit het uiteindelijke doel van mijn bestaan geweest?
Dat ik hier lig, in het stof van het tempelplein, de grond waar duizenden offerdieren naar het altaar gebracht zijn om als zondoffer geslacht te worden?
Het zand, waar miljoenen voetafdrukken staan, voeten van hunkerende zielen zoals ik?
Ik rol me op, en zoek in mijn fantasie de beschutting van de moederschoot.

De mannen die me hier gebracht hebben, beginnen de meest erge dingen over me te zeggen.
“ deze hoer, deze slet, spreek recht over haar, zoals de wet van Mozes gebiedt.”

Ze hebben gelijk, oh ja, ze hebben het recht me hier neer te gooien.
Ik ben een hoer, mijn gebruike lijf is het omhulsel van een zwart hart, inktzwart, zwart als pek, kleverig en vies, zodat er steeds meer vuil aan blijft kleven.
Er is geen bad ter aarde dat mijn vuil af kan wassen.
Het is een droom, een utopie om als een een pasgeboren baby nieuw te zijn.
Ik krimp in elkaar van schuld en schaamte.
Mijn armen voelen als lam geslagen vleugeltjes, ik voel me als een duifje dat maar geen stokje vinden kan om te rusten.
Ik verstop me, als in een rotsspleet, doodsbang dat iemand mijn zwarte hart zal zien.
Gooi die stenen van de wet dan maar, ik heb het verdiend!

De man, aan wiens voeten ik neergesmeten ben, gaat door de knieën en buigt zich vóór mij neer.
Een vreemde sensatie maakt zich van mij meester.
Terwijl de meute joelt in afwachting van wat komen gaat, bevind ik mij met deze knielende man in een serene stilte.
Alsof hij de denkbeeldige baarmoeder waar ik me verstopt heb, binnen gaat op zoek,naar…naar mij?
Met zijn vinger begint hij in het zand te schrijven, alsof hij de rotsspleet, waar ik als lamgeslagen duifje onzichtbaar hoop te zijn, en toch zo zielsgraag gevonden wil worden, open wrikt.
Mijn inktzwarte hart ziet in een flits vingers in steen de Wet van Mozes schrijven, dezelfde vingers aan dezelfde hand, de hand van deze knielende man.
De man, die afdaalt naar mijn niveau, één wordt met mij in het stof van het tempelplein, één in de stenen van de Wet.
Er begint een vlammetje te branden in mijn ziel, het flikkert als fladderende vleugeltjes van een pas uit het ei gekropen baby duifje.

De man staat weer op, en richt zich naar de hoeders van de wet.
Door de spleetjes van mijn dichtgeknepen ogen durf ik voorzichtig naar hem op te kijken.
Als een koning staat hij daar, fier rechtop, de minachting waarmee hij bekeken wordt, trotserend.
Zijn lippen openen zich om iets te zeggen, ik voel dat het héél belangrijk zal zijn!
Het zal de wereld veranderen, het zal alles op zijn kop zetten, omdraaien tot iets geheel nieuws…
Zelfs wanneer ik hier straks dood gestenigd met mijn bloed het zand rood zal kleuren, zelfs dán is hier iets geheel nieuws geboren.
Ja, ik verlang er zelfs naar om gedood te worden, ik heb niets anders verdiend, het kan niet meer anders; mijn zonde móet betaald worden met de dood!
Stenig me maar dood…
Wie gooit ?

Ik wacht op wat er gezegd gaat worden “wie zonder zonde is mag de eerste steen gooien” klinkt zijn stem waarna hij, de aanklagers volkomen negerend, weer voor mij neerbuigt om met zijn vingers het zand, te bespelen.
Om alleen met mij te zijn, samen te zijn, met mij!

De pijl!
Dezelfde liefdes pijl doorboord opnieuw mijn hart, om sidderend na te veren in mijn diepst verlangen, bevrijd te zijn van schuld…
Dit is de man die water heeft!
Het water waar mijn moegestreden hart als een jong en onbezonnen hertje naar smacht!
Deze man, die een bron heeft, waardoor ik ook een bron mag zijn!

Oh, het liefste wil ik opspringen en de hoeders van de wet bedanken.
Op mijn knieën voor hen neervallen en het uitschreeuwen van vreugde, omdat ze me bij de man gebracht hebben die water voor mij heeft!

Maar door door de haartjes van mijn wimpers zie ik ze één voor één vertrekken, hun voeten doen het stof opwaaien en bedekt de schrijvende handen en mijn gebruikte lijf.
De stenen gereed om te smijten, vallen nutteloos uit hun handen en getuigen, als het altaar in het midden van de Jordaan, van een nieuw verbond.
Ik wil hier blijven, met mijn tranen het stof van zijn handen en voeten wassen, en ze met mijn bezoedelde lippen kussen.
Laat me hier alstublieft liggen, hier ben ik veilig!

“Heeft niemand u veroordeeld?” vraagt hij.
“Niemand Heer”
“Dan zal ik u ook niet veroordelen.
Ga maar naar je huisje, en zondig niet meer”

Als een hertje dat uit een frisse beek gedronken heb, begin ik te rennen.
Dartelend over de heuvels van een nieuwe wereld, dans ik op op tippen van denkbeeldige spitzen,mijn woning binnen.
Ik gooi alle ramen open, mijn huisje dat nu een echt huis van plezier is geworden!
Ik ben een pasgeboren baby en heb gedronken aan een borst die melk en honing bracht.
Onder in de la van mijn linnenkast liggen naar lavendel geurend smetteloos witte lakens, waarmee ik mijn slaapkamer tot een bruidssuite maak, nadat ik de smerige gekreukte lakens in de haard heb verbrand.
In mijn badkamer laat ik het bad schuimend en geurend naar witte rozen vollopen, en hef mijn handen in lofprijs op.
Mijn armen zijn als vleugels van een duifje, wit als sneeuw, dat zich in de rotsspleet verborgen hield maar gezocht, gevonden en vrijgelaten is.

Jubelend zing ik,
“Ik ben van mijn Geliefde, en mijn Geliefde is van mij!”
Vrijgesproken;
Ik ben vrij!
Geringd vrij…

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

2 gedachten over “Een hoer in de duiventil.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s