Kukeleku op de glijbaan.

Het is al dagen snikheet.
Niet dat ik zelf bezwaar heb hoor,ik vind het heerlijk.
Gisteren in de namiddag ben ik naar het strand van de zee van Tiberias gegaan om na mijn werk in het paleis van de hogepriester wat verkoeling aan het water te zoeken.
Omdat ik de hele nacht op het strand gebleven ben was ik getuige van het tevergeefs ploeteren van een een groepje vissermannen.
Ik dacht nog: “ probeer het eens aan andere kant “ maar ja, zij zullen het wel weten toch?
Volgens mij hebben ze niets gevangen en dobberen nu maar wat vlak voor de zachte branding.

Omdat ze nu dichterbij zijn kan ik hun goed verstaan en hoor dat de leider van het groepje Petrus heet.
Ik kijk nog eens goed, en ja hoor, mijn vermoeden wordt waarheid; dit is één van de volgelingen van die Jezus van Nazareth.
De andere mannen zullen daar dan ook wel bij horen.

Maar die Petrus…die ken ik.
Daar zal hij wel niet blij mee zijn denk ik.
Wat een nacht was dat zeg!

Het was al jaren aan de gang, de toenemende woede over die timmerman uit Nazareth moest wel tot een uitbarsting leiden.
Mijn werkgever, Anas, de schoonvader van Kajafas de hogepriester, liep soms paars aan van woede.
Nadat in Bethanië een al 3 dagen in het graf liggende dode was opgewekt door de timmerman, is de raad in spoedzitting bijéén geweest.
Het moest afgelopen zijn, die man uit Nazareth deed tekenen en wonderen, en hun macht, die van de hogepriester, overpriesters, Farizeeën en schriftgeleerden, werd totaal ondermijnd.
Straks hadden ze niks meer te zeggen!
En wat te denken van de Romeinen, die zouden het op een gegeven moment op hún gaan verhalen, al die onrust en opwinding in het land.

Ik bediende de vergadering van eten en drinken, vandaar dat ik alles goed volgen kon.
Diep van binnen heb ik een afkeer van deze mannen, opgeblazen en arrogant liggen ze aan de overdadig gevulde tafels.
Soms, in het voorbijgaan, geeft iemand van hun me een klap op de billen, of trekt me naar zich toe om me met zijn vieze vette lippen te kussen.
Bah, de hogepriester Kafafas schatert het dan uit, wat de overige aanwezigen aanmoedigt zich steeds vrijer te gedragen.
Het voelt voor mij dat deze zichzelf veroorlovende vrijheid hen steeds meer bindt aan iets sinisters, iets zo duister waar ze totaal geen grip meer op hebben.
Iets waardoor datgene wat vrijheid lijkt hun eigen ondergang gaat worden.


“Ik zie ze als kleine jongetjes de voor hun te hoge trap van een glijbaan opklimmen.
Hoewel een meetlat aangeeft dat ze nog veel te klein zijn klimmen ze hoger en hoger.
Boven aangekomen kirren ze van plezier over de afgrond die ze juichend in steeds snellere vaart tegemoet glijden.
Haantjes op de glijbaan”


Kajafas was na uren beraad gaan staan om iets te zeggen.
Hij was het spuugzat, en wilde naar bed.
(Waar hij volgens mij geen oog deed, zo hield de kwestie “Jezus” hem bezig.)

“Jullie hebben er de ballen verstand niet van.
Beseffen jullie dan niet dat het in ons aller belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat.”

Ik kon het niet helpen, maar de rillingen liepen me over de rug…
Het was alsof alles wat eeuwen hiervóór door onze profeten gezegd is, naar deze uitspraak had gewezen.
Tegelijkertijd was het onbegrijpelijk,de hogepriester, degeen die één keer per jaar het heilige de heiligen binnen ging, om verzoening voor het hele volk aan Jahweh te vragen, die een zo duivelse uitspraak deed.
Iets klopte er niet, en toch klopte het.

De hemel en de hel kwamen samen, leek het wel.
Ze waren het allebei eens, de strijd tussen licht en duisternis moest eindigen in de dood van één van hun.
Maar dat de hemel daarin meestemde is voor mij een groot mysterie.
Ik ben maar een eenvoudig meisje, en weet niet zoveel van Jahweh, maar dit houd me al weken bezig.
Ik durf ook niet echt te vragen aan Jahweh hoe dit nou in elkaar zit, maar het liefste zou ik het volgende willen zeggen:
“Heilige God, hoe kunt u goedkeuring geven voor de moord op iemand die alleen maar goed doet.
Wanneer U dat oké vindt, dan vindt U het dus ook oké dat satan een goed mens doodt?
Ik hoor de hel al lachen God…”

Hij zal wel erg boos worden over zoveel brutaliteit van een dienstmeisje.
Ik mijmer hier dag en nacht over, het laat me niet meer los.
Wat me het meest onrust geeft, ik voel dat ik het er óók mee eens moet zijn!
Dat is toch gek?
Het is idioot, dat een gewoon meisje als ik, van binnen wéét dat Kajafas gelijk had.
Alsof hij door alle monden, die van het verleden, én het heden, én de toekomst sprak!
Ook door die van mij, de mond van een dienstmeisje van de hogepriester.
Ik voel me er zo verschrikkelijk schuldig over.
Soms weet ik me geen raad meer ,omdat ik mee gedaan heb aan een moord!
Ik heb ermee ingestemd, ik heb het niet tegengehouden, alhoewel deze man alleen maar goed deed.

Maar naar wie moet ik nu toe met deze schuld?
Moet ik met een offer duifje naar de priester gaan om deze zonde te belijden, terwijl de priester ook besmet is door dezelfde zonde?
Kan ik, omdat ik hem dagelijks zie, naar de hogepriester gaan?
Ik heb al vaak op het punt gestaan dit te doen.
In de nachtmerries s’nachts durf ik het wel.
Dan val ik voor zijn dikke voeten neer, om vergeving te vragen, verzoening voor deze vreselijke zonde, moord!
Daarna word ik schreeuwend wakker, bang dat ik nu aan de buurt ben om gedood te worden.

Ik begrijp helemaal niets meer van mezelf, ik ben de weg kwijt.
Dat is het!
Ik dool maar wat, als een schaapje op zoek naar een herder.
Ik zou veilig moeten zijn in het paleis van de hogepriester, daar weten ze toch alles van Jahweh?
Maar het is alsof ik in het hol van de wolven ben, wolven die elkaar verscheuren, om niet zelf verscheurd te worden.

Het bloed dat in de tempel al die eeuwen van offeren een welhaast grote oceaan moet wezen, lijkt een poel waarin ik verdrinken ga.
Soms zie ik voor me dat ik radeloos en wanhopig op een hemelhoge duikplank sta, en onder me is die oceaan van offerbloed.
Kilometers diep kolkt het en lokt me te springen en erin ten onder te gaan.
En wanneer ik me dan wil laten vallen in dat bloed, omdat ik zelf ook vind dat dat de enige weg is, dat is wellicht het antwoord op mijn wanhoop, dan is het net alsof ik vanuit de hemel, die toch al dichtbij is op dat moment, vastgegrepen wordt.
Een warme vaderstem zegt; “nee, niet jij, iemand anders moet verdrinken in dat bloed…”
En dat klopt dan ook weer!
Ik ben bang dat ik door ga draaien, en weet vaak niet meer waar ik het zoeken moet van angst voor Jahweh.
Maar die vaderstem op de duikplank is óók van Jahweh …
Zou Hij dan toch niet boos op me zijn?

Maar…ik heb meegedaan aan een móórd!
Wel niet letterlijk, maar in mijn gedachten.
De timmerman is gevangen genomen en gedood, ook door mijn schuld!
Ik ben een lafaard…of een held…?

Vlak na zijn gevangenneming werd hij in het paleis gebracht.
De hele raad had zich opgedoft en zaten in triomf te wachten op het voorkomen van de gevangene, de timmerman uit Nazareth.

En toen, bij het vuur zag ik die Petrus!
Ik zei tegen hem: “jij hoort toch ook bij die man daar?”
Hij loog er glashard om!
Ik had het echt wel goed gezien, want later werd het hem nog twee keer gevraagd door anderen die hem ook herkenden als een discipel van de nu geboeide man.
Wat een held op sokken zeg!
Jarenlang heeft hij met deze goeddoende man opgetrokken, en nu hoorde ik hem bij hemel en aarde vloeken om maar te bewijzen dat hij de timmerman niet kende.
Ik schaamde me plaatsvervangend, en keek ondertussen naar die Jezus van Nazareth.
“Hoe zou hij dat vinden” vroeg ik me verward af.
In een ondeelbaar moment besefte ik plotseling dat ik óók een Petrus was…
Ik deed toch ook niets om deze wonderlijke man te verdedigen?
De andere kant opkijken, daar was ikzelf toch ook kampioen in?

Op dat moment keek Jezus óók de andere kant op…
Naar Petrus, en naar míj!
Onze blikken kruisten elkaar als in een knallende vuurwerkbom.
In die explosie was het binnenin, in de kern, sereen stil.
Stille acceptatie van iets ongehoord groots, iets wat niet eerder gebeurd was, iets wat de loop van de geschiedenis compleet andersom zou laten draaien.
Recht tegen al het eerdere, wat we geleerd hadden dat dat goed was, in.
Iets in dat omdraaien naar degene die zich omdraaiden, Petrus en ik, ook ik, was een vinger op de mond: “ ssst! stil maar, wacht maar…”
Die ogen zeiden dat ik moest zwijgen, dat ik niet het recht had de boeien van de timmerman af te doen.
Het moest gebeuren!
Hij wilde dit!
Ik wilde het,
Ik wilde het niet!
Die blik dwóng me zelfs me van hem af te draaien, en zo hem mijn rug toe te draaien.
Ik draaide me om, tegelijkertijd met Petrus, en hoorde een haan jubelend kraaien, een nieuwe morgen!


Deze man wílde sterven, hij koos er zelf voor leek het wel.
En hij stierf ook.
Dezelfde dag nog is hij door de Romeinen gekruisigd.
Voor hem geen nieuwe morgen!
Nou ja, eigen schuld dan maar…


Ik was naar strand gegaan, om bij te komen.
Niet meer teveel na te denken over de afgelopen tijd.
Het weg te stoppen.
Maar nu gaat het gerucht dat de timmerman uit Nazareth is opgestaan uit de dood…
Mijn hemel, ik kom niet meer van hem af,
Hij is niet meer weg te stoppen.

Oh, help…wanneer stopt dit in mijn hoofd?
Sinds die blik…
Is het nog wel te stoppen?
Die man zit in mijn hoofd…
Ik zoek naar een knopje om hem uit te zetten,
Ik zoek naar een knopje om hem aan te zetten…
Aan
Uit

Whhhaaaa, wie gaat me verlossen…

(Wordt vervolgd )

‭‭

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s