Er was eens een prins die móest wachten bij de put…

( De Samaritaanse vrouw 2 )

Op weg naar de waterput, de bron van Jacob, komt me een groepje van zo’n 12 mannen tegemoet.
Door hun luid praten en druk gebaren bekruipt me het gevoel alsof een grote legermacht mijn pad kruist.
Ik ga snel aan de kant van de weg zitten en hoop zo een confrontatie te voorkomen.

Tot mijn grote opluchting merken ze me niet eens op.
Wanneer ze dichterbij zijn hoor ik woorden als dopen en van een zekere Johannes en een Messias.

Dé Messias?
Zouden ze de langverwachte redder bedoelen?
Degene die nu eindelijk eens duidelijk maakt of de Joden gelijk hebben of wij, de Samaritanen, omtrent de plek waar we God aanbidden moeten.
Wij doen dat hier op onze eigen berg bij de stad Sichar, en natuurlijk hebben wij gelijk!
We hebben niet voor niets de bron van Jacob onze voorvader geërfd.
Maar die arrogante Joden zeggen dat er alleen aanbeden mag worden op de berg Jeruzalem.
Ze denken dat ze de wijsheid in pacht hebben met hun religie en offers in de tempel van Jeruzalem.
Daarbij komt, als dat waar zou zijn, hoe kom ik daar dan?
Ze minachten ons, mijn volk, dan zal er zeker geen plek voor mijn zijn!
Dus hoe zou ik op de berg Jeruzalem kunnen aanbidden?
Dat is een vraag die me al erg lang bezig houdt.
Als je claimt de ware godsdienst te hebben, sluit je anderen toch niet uit?
Of zou de God van Israël een exclusieve God zijn?

Iets in hun woorden laat een vlammetje branden in mijn hart.
Vooral, en ik hoop dat ik het goed gehoord heb, dat over de Messias.
Het liefst wil ik ze aanspreken, maar dat is ongepast in mijn situatie.
Wanneer ik weer verder loop voelt het als een gemiste kans.
Wat als deze groep mannen nou eens het antwoord op mijn vragen heeft?

Door dit gemijmer ben ik ongemerkt snel bij de put aangekomen, waar ik tot mijn ontzetting merk toch niet alleen te zijn.
Aan de rand zit een man van zo’n beetje mijn leeftijd, waarvan ik vermoed een Jood te zijn.
Hij heeft aan bijzonder mooie mantel aan, zoëen waar menig andere man jaloers op zal zijn.

Wat zal ik nu doen?
Maar weer gauw terug gaan?
Alsof de man mijn vertwijfeling ziet en me gerust wil stellen vraagt hij of ik een beetje water voor hem putten wil.
Zijn stem raakt me als de bliksem die met zijn onmetelijke kracht de stam van een eeuwenoude eik klieft
Het wonderlijke is dat ik niet bang ben voor deze man en hem openhartig in me opnemen.
Wanneer ik in zijn ogen kijk zie ik iets wat ik nog nooit in de ogen van welke, mij in mijn oren fluisterende man gezien heb.

Het is alsof ik erin verdrink maar niet ten onder ga.
Ik voel me in zijn ogen een dolfijntje dat salto’s maken wil om deze man te plezieren.
Ik word erin gezogen alsof ik in een kronkelende meterslange kleurige glijbaan schatetend van plezier wacht op het moment van plonzen.
Duizenden klokjes klingelen in mijn hoofd een lieflijke melodie waarbij mijn hart rondedansjes maakt op een pas geboende dansvloer in de balzaal van het paleis.
Het maakt niet uit of het in de pas is, of dat ik op lange tenen trap, de ogen waarin ik verdrink weerspiegelen erbarmen en mededogen.
Het is goed zoals het is.
Zijn stem brengt me bij de klaterende waterval uit mijn dromen.
Regenbogen in kleuren die ik nog nooit zo intens heb waargenomen, vormen een kroon boven zijn hoofd en wenken me dichterbij te komen onder zijn kroon.
Alsof deze regenboog al vanaf dat de wereld geschapen is speciaal voor mij gemaakt , en tot nu bewaard is gebleven in de ogen van deze man, wachtend op mijn komen bij de put.
Nu, op deze dag, op dit moment.

Deze man kent me, hij kijkt dwars door me heen met een vurigheid die 1000 maal meer passie veraad dan welke minnaar ooit.
En toch verteerd dat vuur me niet.
Het verwarmt mijn verschrompelde botten en gewrichten.
De denkbeeldige grafwindsels wikkelen zich als vanzelf van me af waardoor mijn huid zacht en roze tevoorschijn komt hunkerend naar aanraking van deze man.

Dit alles flitst in een duizendste van een seconde door me heen alsof ik afgeschoten ben in een tijdscapsule waarbij mijn heden en verleden samenkomen op dit ene moment hier bij de Jacobsbron.

Mijn gedachten lezend opent hij zijn armen en als vanzelf stort ik mij in hem.
Op dat moment voel ik hem sterven waardoor ik tot leven kom.
De vragen die ik stellen wil kunnen wachten, dit moment is belangrijker dan ooit.
Ik zou de antwoorden niet begrijpen als ik niet hier geweest ben, in zijn armen dicht tegen zich aangedrukt.
” Kom uit de kloof mijn duifje en luister naar mijn hart.”

Hij weet dus alles van me…
Hoe ik me door schuld en schaamte het liefst verstop en ondertussen snak naar iemand die me ziet en tevoorschijn roept.

Hij brengt mijn oor naar zijn hart en klemt me nog steviger aan zijn borst.
Dit is anders dan de sixpack van het lonkende graf…
” Wat zie en hoor je mijn duifje?” vraagt hij.
Met de ogen van mijn tot leven gewekte hart zie ik een deur opengaan waarbij aan de posten het bloed van een pasgeboren lam is gesmeerd.
Als een bruid over de drempel gedragen, treed ik binnen…
Luister, ik hoor het kloppen van een hart zoals dat alleen van een vader klinkt.
Het neemt de melodie over van een liefdeslied alleen voor mij geschreven.
Onbeschrijflijke woorden vinden zijn weerklank in mijn eigen hart dat fladdert als een verliefde tiener.
Bloeiende weide bloemen smeken het vlindertje in mijn buik hen te vereren met mijn bezoek.

” Kom maar staan onder de waterval mijn duifje” klinkt zacht zijn lieflijke stem.
“Alleen als u meegaat” fluister ik verlegen maar beslist.
” Ik ben er al mijn duifje” hoor ik hem lachend zeggen.
Vanuit het donderend geraas reikt hij me zijn hand en sta ik met hem op het zachte gras van de holte achter de waterval.
Hij draagt de kruik uit mijn dromen en laat me drinken tot ik volledig verzadigd ben.
Zijn krachtige handen tillen in mijn binnenste het deksel van een put vol viezigheid, waarna hij het water uit zijn bron net zolang in de put giet tot alle vuil eruit gespoeld is.

De fonkeling in zijn ogen laat me diamanten zien geslepen in tienduizenden facetten.
Hij toont me een boom vol sappige vruchten waarin het wanhopig zoekende vogeltje in mij een thuis vindt.

Straks ga ik naar mijn stad, en zal hen alles vertellen.
De vreugde in mijn hart is te groot om alleen voor mezelf te houden.
De bron in mij loopt over van zuiver water door hem in mij gegoten.
Spinnend als een jong kitten geniet ik van zijn koestering waarin ik mij volledig geaccepteerd weet.
God is niet meer boos op mij.Hij heeft een hoopvolle toekomst voor mij klaargelegd.
Tóen al bij het begin van de schepping!

Ik lig voor eeuwig in zijn armen luisterend naar het lied in zijn hart.
Het lied dat zingt dat ik geliefd en bemind ben.
” Je bent mijn mooiste duifje” fluistert hij…

Ik weet, ik ben thuis!
Eindelijk thuis.
Het fladderende vogeltje mag nestelen in de boom die …
” Uh, wat is uw naam eigenlijk” vraag ik.
“Jezus”
Ik pluk een sappig appeltje uit de Jezus boom.
” Eet smakelijk lieveling” fluistert Jezus,
mijn prins…

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

2 gedachten over “Er was eens een prins die móest wachten bij de put…”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s