Poerstok.

Wanneer het zomer was gingen Vader en Moeder graag naar de dijk met ons.
Een oud sprei, dat we nu vintage noemen, broodjes, koffie en gazeuse mee, genietend van klein geluk.
Moeder vindt zwemmen altijd al heerlijk, waardoor het water van het IJsselmeer een enorme aantrekkingskracht op haar heeft om bij de stenen onder aan de dijk al zwemmend het ruime sop te kiezen.
Juist daar kan ze, net over de geul, lange einden weg zwemmen.
Vader vindt het heerlijk om zijn ontblote bast te laten koesteren in het warme zonnetje, vandaar dat hun lievelingsplek in de zomer, net voorbij het eerste hek van de dijk, ettelijke dagen bezet was.
Het op eerdere dagen platgetrapte hoge gras van de dijk gaf hun geliefde stekje aan het door schaapjes bevolkte groen aan.
Wanneer we de keuteltjes van de blatende bollen wol op vier poten hadden weg geveegd, spreidde Moeder het kleed en konden we gaan recreëren onder het wolkenloze blauw van Vaders’ hemelruim.

Vader had op een goede dag van een boomtak een poerstokje voor mij gemaakt, waarmee ik het ene na het andere voorntje ophaalde.
Vraag me niet hoe het kan, maar toen ik een echte hengel kreeg heb ik lang niet meer zo veel visjes kunnen verleiden de worm aan het haakje op de peuzelen
Alsof ook in de singels en het water van het IJsselmeer een automatisch afgesproken quotum was ingesteld zonder dat enig minister van landbouw en visserij zich daarmee bemoeid had, laat staan de hotemetoten die het visserijbeleid in het Europees Parlement bepalen.

Of misschien vonden de voorntjes het wel schattig, een klein meisje met een door Vader provisorisch in elkaar geknutseld hengeltje.
Als ze geweten hadden dat ik zo gemeen was om hen in met een worm vermomde haak te laten bijten, had vast nooit één visje zich door mij laten bovenhalen.
Ze zouden de hele school vissen bij elkaar geroepen hebben om elk voorwerp, dat beslist niet op de bodem van hun leefwereld thuis hoorde, aan mijn haak te hangen.
Het liefst zo zwaar mogelijk om wanneer mijn dobber aangaf dat ik beet had, en ik verrukt mijn hengel op wilde halen, door het gewicht voorover kukelde en pardoes tussen de mij uitlachende voorntjes belandde.

Zie je het voor je?
Nou ik wel…
Beduusd en in shock duikel ik voorover.
Wanneer er een wedstrijd onelegant-springen zou bestaan had ik vast en zeker het erepodium behaald, toegejuicht door de waterbewoners die mij gecoacht hebben deze plek te behalen.
Met hun getuite vissenlippen roepen ze “lekker puh” waarna alle toeschouwers op de tribune door hen aangemoedigd luider en luider mee roepen” lekker puh”.
De plaatselijke fanfare bespeeld toeterend en trommelend hun trompetten en slagwerk, waarbij de grote trom de maat aangeeft in het roepen van “ lekker puh”
Door het uitgelaten lawaai, gaat het dak van het stadion eraf en belandt met een kracht als afgeschoten door een kanon uit de tachtigjarige oorlog, zo eentje als bij het Naarden Vesting Museum, temidden van het maisveld van de trotse boer, die juist vanmiddag nog bij de buren opgeschept had over zijn hoge goudgele mais.
Verdorie, nu ligt daar dat dak van het nabijgelegen zwemparadijs, midden op zijn veld met geknakt mais.
Hij vraagt zich af waarom het nou juist bij hem en niet op het naastgelegen veld van de buurman is belandt, daar hij zeker weet dat zijn collega tussen het mais een ander tuintje heeft gezaaid.
Verborgen tussen de maisplanten staan, welriekend als de geuren in het Vondelpark, honderden wietplantjes welig te groeien en bloeien.
Omdat hij zichzelf niet de beroerdste vindt heeft hij het maar gedoogd, in de hoop straks een graantje mee te pikken van de oogst.
Tja, zijn eigen oogst is grotendeels verloren gegaan…
Nog een gelukje dat hij zojuist zijn rondgang tussen het mais gedaan had, anders was hij nu zelf geplet geweest.

Nieuwschierig welke ontploffing deze vernieling heeft aangebracht besluit hij op het uitbundig en steeds meer hysterische ” lekker puh” geroep af te gaan.
Hij is niet de enige, blijkt spoedig.
Al gauw belandt hij in een file van toegestroomde wielrenners, hardlopers, automobilisten en touringcars.
De chaotische toestand noopt de politie orde op zaken te stellen, maar de uitgelaten menigte laat zich niet tegenhouden, bang zich dit pretje af te laten pakken.
De atmosfeer trilt van opgewonden verwachtig, over wat er aan de hand is in het eerst nog overdekte zwemparadijs maar sinds kort een openluchttheater.
Ten einde raad roept de politie de hulp van het leger in, daar ze onmogelijk de aanzwellende menigte in de hand kan houden.
Om nou al die blije mensen met de wapenstok te lijf te gaan, lijkt hun ook niet zo verstandig, nee, hier is een hogere macht nodig.
Al gauw komen van alle kanten leger jeeps, bemand met knappe in legeruniform gestoken stoere jongens de politiemacht versterken.
Maar ach, het is onbegonnen werk…
Wat moeten ze nu doen, al deze groen en blauw geklede machtsdienaars?
Één voor één gooien ze hun petten en wapenstokken van zich af om zich temidden van het gejuich en gejoel te begeven, waarna de uitgelaten menigte hen al skydivend begroet.

Het wordt al gekker en gekker!
De op de hoogte gebrachte nationale pers komt ook snel ter plaatse.
Daar het onmogelijk is zich een weg door de mensenmassa te banen zetten ze helikopters in, om in een concurrentiestrijd de eerste te zijn die op tv en internet verslag uitbrengt van dit wonderbaarlijke mysterie in het nog voor kort onbekende dorpje aan het IJsselmeer.

De boer die tussen het mais zijn verboden kruid heeft aangelegd, begint zich nu toch wel te knijpen…
Stel dat de scherpe ogen van de pers zijn geheim ontdekken?
Het is haast niet meer te voorkomen, dat snapt hij wel, en om nou in allerijl zijn bijna rijpe plantjes te gaan oogsten, daar is het nu al te laat voor.
Het loopt hem groen en geel tussen zijn benen van benauwdheid, en in gedachten ziet en hoort hij de blauw gillende flikkering van de politiesirenes zijn erf op scheuren, om hem en zijn van niets wetende echtgenote geboeid af te voeren.
Hij ziet de krantenkoppen al voor zich:” streng gereformeerde boer betrapt op wietteelt”
Maar gelukkig, zijn schietgebedjes worden verhoort, het lijkt de nieuwsvergarende pers te gaan om wat er in het zwembad gebeurt.

Ondertussen sta ik bedremmeld op het erepodium, mezelf verbaasd afvragend wat er om me heen gebeurt.
Ik heb toch alleen maar mijn door Vader geknutseld poerstokje uitgegooid…

Verbijsterd zie ik Mathijs van Nieuwkerk, uit één van de boven mij cirkelende helikopters, aan een touw met veiligheidszitje neergelaten worden.
Onmiddellijk gevolgd door Jeroen Pauw en Twan Huys.
Vlak na elkaar landen ze aan mijn voeten, waarna de drie journalisten elkaar in de haren vliegen over wie deze primeur binnen mag halen.
Welke primeur, wat is hier in vredesnaam aan de hand?
Ik gooide toch alleen maar mijn poerstokje uit, waarna ik door de zwaarte van wat er aan mijn haakje hing voorover kukelde in de meest onelegante duik ooit gemaakt.

De zwemmeester maakt een eind aan de strijd tussen de mannen die alsof ze drie haantjes zijn, de één nog luider dan de ander kraaiend elkaar de veren uitrukken in hun gevecht om dat ene kipje.
En dat kipje schijn ik te zijn!
Dat wordt me plotseling duidelijk.
Terwijl ik vanmorgen nog met Vader en Moeder, aan de dijk mijn simpele door Vader gemaakte poerstokje uitwierp, in de hoop mijn emmertje te vullen met voorntjes, of misschien wel een dikke paling.
Moeder ging kilometers een uit mijn zicht verdwenen verte zwemmen, waardoor ik in mijn kinderfantasie gevoed brein haar weer aan land zag klimmen in Enkhuizen, aan de overkant van het IJsselmeer.
Vader lag tevreden knorrend op ons sprei-kleedje, en ik staarde met tegen de zon inkijkend tot spleetjes dichtgeknepen ogen naar mijn, door het rustig kabbelende water van het meer, op en neer bewegend dobbertje.

Alsof ik geen stem in het geheel heb sluiten de drie kemphanen aan de voet van mijn ereplek een verbond, en om de lieve vrede wordt besloten er een gezamenlijke show van te maken, waarbij na loting Mattijs van Nieuwkerk de eerste vraag mag stellen.

Onder luid applaus zit ik s’avonds aan tafel van een nog nooit eerder zo vredige samenwerking tussen de verschillende omroepen.
De draaiende camera’s nemen iedere beweging op, en zenden via alle zenders live uit.
Als eerste wordt verslag gedaan van de op pleinen en in stadions opgestelde metershoge schermen, zodat iedereen kan meegenieten van een nog nooit eerder zo vermakelijke uitzending.
Mij wordt verzekerd dat in de hele wereld mensen op de been zijn, om zich te begeven naar plekken waar men de rechtstreekse uitzending kan mee beleven.
Een grote verbroedering van elkaar begroetend en zoenend zwart, geel en blank gekleurde mensen, is op zich zelf al reden deze uitzending nu al als meest bekeken progamma ooit te bestempelen, en meteen te nomineren voor de gouden Televizierring.
Ik hoor om me heen fluisteren over wereldwijde stemming voor de aanstaande uitreiking van de Nobelprijs voor Onbezonnen Lol en Jolijt aan ….mij?
Ik heb, verstomd van verbazing en ongeloof, nog steeds geen woord uit kunnen brengen.
Wanneer het sein gegeven wordt met de live uitzending te kunnen starten, vraagt Matthijs van Nieuwkerk met een van spanning trillende stem, (zo onzeker heb ik hem nog nooit gehoord ) “vertel eens, wat maakt dat het je gelukte om in één dag een zo grote wereldwijde beweging in gang te zetten?”

Huh?
Terwijl ik nog nadenk over welke beweging hij bedoelt, en wat ik antwoorden zal, voel ik iemand aan mijn arm schudden, en hoor in de wazige verte van mijn, in het zomerzonnetje gekoesterd slaperig brein, de stem van Vader roepen;
“ Onze Trien, je hebt beet…”

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s