Bellenblazen in het Vondelpark.

Vanmorgen werd ik wakker met een
plan:” ik ga naar het Vondelpark!”
Terwijl ik mijn ochtendritueel afdraai zingt in mijn hart een lied van David:”doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen want ik vertrouw op U…”
Vrolijkheid alom, vrijheid, blijheid, vandaag moet niks, terwijl alles mag, pompidompidom….
( “Als het maar leuk is” zou oma Fladder zeggen)

Vlakbij mijn huisje stap ik op de tram die mij in het park van mijn geliefde stad, Amsterdam brengt.
De zon doet haar best elke herinnering aan wind en kou van de afgelopen dagen te verdrijven en tot mijn plezier zie ik dat het park gezellig druk is.

De zoete geur van wiet vermengt zich met de nu al her en der in het groene gras rokende barbeque’s.
Af en toe komen jonge hippe gozers op skeelers voorbij razen, handig de ding-dong bellende fietsers en flanerende toeristen omzeilend.
Oma’s en Opa’s wandelen met hun vrolijk kwetterende oppas-kleinkindjes langs de grote vijver, en jonge verliefde stelletjes nestelen zich op de bankjes onder de rijk bloeiend overhangende takken van de weelderige gouden regen.

Rond het prachtige standbeeld van Joost van den Vondel worden bontgekleurde kleedjes neergelegd,waarop zich allerlei groepjes voorzien van koffie, broodjes en andere lekkernijen neervlijen.
De ijscoman doet goede zaken deze warme dag, evenals de rondrijdende frisdrank verkopers.
Surveilerende politie agenten rijdend op hun stoere motor of mountainbike geven me een gevoel van veiligheid en rust.

Amsterdam, the Place to be!

Glimlachend zie ik het allemaal aan, totdat opeens, zonder enige waarschuwing vooraf de pijn van verlies mijn hart doorklieft.
Hè bah, waarom nu weer al die herinneringen en het brandend heimwee en verlangen naar wie ik achterliet…
Hoe ze ook probeert met haar zonnestralen de wolk van duisternis die me plotseling overvalt te verdrijven, de zon verliest haar glans.
Ik wil naar huis, mijn eigen plekje waar ik de deur op slot kan doen en met de verduisteringsgordijnen het licht buiten sluiten kan.

Terwijl ik me resoluut omdraai sta ik tegenover een joviaal geklede man zittend op één van de bankjes.
Alsof hij zich totaal niet bewust is van de omgeving en daardoor ook niet van mij, blaast hij bellen uit zo’n potje bellenblaas waarmee ik vroeger tijdens een feestje de kinderen verraste.
Tegelijk met een soort van vertedering over de kinderlijk naïeve tederheid in het tafereeltje bekruipt me ergernis over een volwassen man met zijn kinderachtig speelgoed.
Terwijl ik gefascineerd toekijk word ik ook steeds bozer.
“Nou zeg, word volwassen” zou ik tegen hem willen zeggen, ” kijk om je heen, steek liever je handen uit de mouwen en maak je nuttig”

Ondertussen omringt de zwijgende man zich met de meest prachtige zeepbellen.
Kleurig glanzend dwarrelen ze om hem heen waardoor de man nog meer gelukzalig glimlacht.
Ik vergeet dat ik eigenlijk naar huis wilde gaan en blijf gebiologeerd toekijken.
Onverstoord blaast de man zijn zeepbellen die door het zacht fluisteren van de wind mijn kant op zweven.
Mijn hoofd geeft commando’s aan mijn handen ze weg te slaan, maar mijn armen weigeren dienst en hangen als slappe poppen langs mijn lijf.
Terwijl ook mijn voeten als aan de grond genageld geen enkele stap meer verzetten, blijft de man zijn bellen blazen.
Alsof de zon lachend van plezier kleurige tranen huilt spatten ze, mijn wangen natmakend, één voor één als mini motregentjes uiteen.

Mijn verlangens en dromen breken de weerstand en irritatie en in mijn fantasie word ik opgenomen in een reusachtige zeepbel
Zwevend op de wind wordt vroeger en de werkelijkheid van het heden opgelost in een toekomst zonder pijn.
Een toekomst waarin de tranen over “toen en eens” gehuild mogen worden in een schoot van eeuwige ontferming.
Gewiegd door een Vader wiens liefdevolle hand elke traan als kostbaar parfum opvangt om ze in een prachtig kristal karafje te verzamelen.
Daar waar de onmogelijkheid van “je moet het achter je laten” eindelijk zijn betekenis krijgt in de volmaaktheid van het nu, dat tot in eeuwigheid heden zal zijn.

Oh, hoe brandt in mij het verlangen en heimwee naar die toekomst, glanzend als de weerspiegeling van de zon in de zeepbellen van die man op het bankje in het Vondelpark.
Transparant, kleurig en ongrijpbaar te zijn zoals de om mij heen dansende bolletjes vol regenbogen.
Zwevend op de wind, gedragen door Zijn Geest, daar te zijn waar Hij is, Jezus Christus…
Opeens weet ik niet meer of het de uiteenspattende zeepbellen zijn of mijn eigen tranen die mijn wangen nat maken, maar het geeft niet…
Gevangen in de betovering van zon en glanzende regenbogen neem ik het in mij langgeleden het zwijgen opgelegde kind bij de hand en til het op het bankje naast de man.
Ik tuit mijn lippen en doe haar voor hoe het moet, eerst het stokje in het flesje zeepwater dopen en dan blazen.
Mijn kleine meisje en ik gaan zo op in het spel dat ik niet in de gaten heb nog met zijn tweeën alleen te zijn.
Aan mijn voeten me staat een picknick mand vol fruit, broodjes en flesjes bellenblaas, achtergelaten door de wonderlijke man.
Naast de mand ligt bovenop een rood geruit kleedje, een smetteloos witte roos met daaraan een klein roze envelopje waarop mijn naam geschreven staat.
Alsof ik hen bevrijd zwermen bij het openen daarvan, honderden vlinders om mij heen, vrolijk klapwiekend met hun frêle vleugeltjes.

Ik vouw een handgeschreven briefje uit en lees ontroerd het meest mooie gedicht ooit geschreven;
“wil je samen met mij
bellen blazen?”

“Ja Heer, ik wil” fluistert mijn stem…

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s