Vlinders en griezeltjes

Voor de zoveelste keer zit ik op de puinhopen van mijn bestaan.
Ik vraag me zelfs af of ik nog wel een bestaan hèb!
Of ik zelf überhaupt wel bestaansrecht heb…

Alweer ben ik alleen omdat een man me verlaten heeft.
Vele mislukte relaties achter me latend had ik de vaste overtuiging dat het deze keer wel lukken zou, een man van onbesproken gedrag, alom gerespecteerd, charmant, geestig.
Al snel kwam ik erachter dat ik me wederom vergist had en dat ik in de val gelopen was van een zorgvuldig opgezet plan.
Deze man was helemaal niet geïnteresseerd in mij, ik diende als zijn dekmantel voor zijn goddeloze praktijken.
Oh, hoe dikwijls lag ik in bed mijn snikken in het kussen te smoren, terwijl hij als een onschuldige baby, zich van geen kwaad bewust, in diepe slaap naast me lag.

Langgeleden werd me op zondagschool het verhaal verteld van een jonge man, Jacob, die zó verliefd was, dat hij het ervoor over had 14 jaar voor dat meisje te werken.
Toen de vader van het meisje bemerkte hoe verliefd de jongen op zijn dochter was sloeg hij er gewoon een slaatje uit en had al die jaren een goedkope knecht aan de tot over zijn oren verliefde Jacob.
Rachel heette het meisje, en haar vader, de uitbuiter, heette Laban.
Toen Jacob Rachel zag wist hij het meteen; zîj was de vrouw van zijn dromen.
Met háár, en met niemand anders wilde hij oud worden en haar een leven lang beminnen en in de watten leggen.
Hij móest en zou haar hebben!
Het mislukte alsnog jammerlijk, omdat ze een zus had waarmee Jacob al eerder trouwde, een smeuiig verhaal vol bedrog en intrige.
Rachel stierf al jong, en uiteindelijk wilde Jacob niet naast háár maar naast haar zus, Leah, begraven worden.
De romance tussen Rachel en Jacob begon zo mooi, tijdens zijn jonge jaren had Jacob alles voor haar over, maar verkoos tijdens zijn sterven toch Leah boven haar.
Maar oh, een man die zó verliefd is dat hij 14 jaar voor je werkt…
Daar droomt elk meisje van!

Om mijn lege huis vol pijnlijke herinneringen te ontvluchten heb ik een bankje met uitzicht op zee opgezocht.
Terwijl het verdriet en de pijn als striemen door mijn lijf gieren, stromen de tranen in een niet te stuiten waterval over mijn wangen.
Ik voel me waardeloos en van geen enkel nut.
Niet waard om van te houden, een gebruikt vod dat geen dienst meer doet, weggegooid door de man die eens trouw tot de dood beloofde en me nu als een zak vuilnis aan de kant van de weg heeft gezet.
Dezelfde hand die mij eens plukte heeft me als een verlepte roos uit de vaas gerukt en achteloos weggesmeten.
Alweer is mijn hart gebroken, en oh, wat doet het zeer!

Door de mist van mijn tranen heen staar ik naar de zee vóór me, en lijkt het net of iemand over het water naar me toe komt, wat natuurlijk onmogelijk is.
De verscheurende pijn doet me zeker hallucineren, waardoor ik dingen zie die er niet zijn.
Ik wrijf door mijn rood gezwollen ogen en zoek naar het zoveelste zakdoekje, om mijn neus, die inmiddels pijnlijk schrijnt van het zoute zeer, te snuiten,
Een enorme berg zakdoekjes, verzadigd van het snotterend leed, ligt inmiddels verfrommeld aan mijn voeten.

Maar, zie ik het nou toch goed?
Ach nee, wat een dwaasheid, een man die over water naar me toekomt…
De zwijmelarij over Jacob en zijn Rachel hebben mijn fantasie teveel op hol doen slaan.
Ik moet nu echt oppassen want ik zie ze vliegen, het verdriet begint mijn hersenen aan te tasten…
Maar waarom weigeren mijn ogen mijn gezonde verstand te gehoorzamen en laten ze toe dat de man steeds dichterbij komt?
Het lijkt zelfs wel of hij mij op het oog heeft…
Zijn blote voeten doen het water bij iedere stap in parelende glinsteringen opspatten waardoor de zoom van zijn lange mantel steeds donkerder kleurt.
Ik bemerk dat ook mijn oren dienst weigeren aan het normale verstand, en hoor het zachte rinkelen van tegen elkaar botsende belletjes die onder aan zijn mantel genaaid lijken te zijn.

Plotseling ben ik als in een lang vervlogen droom het kleine meisje bij moeder thuis.
Zittend op mijn eigen stoeltje zie ik me zelf weerspiegeld in de rijk versierde kerstboom naast de door vader aangestoken haard.
De weerschijn van de knetterende vlammetjes doen mijn gezichtje dansen in het kleurige glas van de kostbare kerstballen.
Genietend van de hoge tonen in het frêle rinkelen van de zilveren klokjes, wanneer ik ze met mijn vingertjes aantik, fantaseer ik over de gebeurtenissen uit het Kerstverhaal.
Hoe verlangde het kleine meisje het kindje Jezus voorzichtig uit de kribbe te tillen om het daarna koesterend aan het hart te drukken.
Het te sussen wanneer het huilde, in de oortjes fluisterend dat alles goed komen zou.

Om de dwaasheid van deze kinderlijke dromen van me af te schudden, richt ik mijn ogen naar beneden, daar waar aan mijn voeten de werkelijkheid van het leven in slijmerige proppen ligt opgestapeld.
Was ik nog maar dat dromende meisje onder de kerstboom, naïef gelovend in een wereld van klingelende klokjes en glanzende kerstballen.
De rauwe werkelijkheid van het leven hebben de verwachtingsvolle fonkeling in mijn ogen gedoofd, de ballen en klokjes liggen in duizenden scherpe scherven op de grond.

Terwijl uit mijn keel een rauwe oerschreeuw omhoog komt beginnen mijn voeten woedend en wild om zich heen te schoppen.
Weg met de viezigheid en pijn van het verleden, weg met de vergane illusies en zeer…

Opeens raken twee doorboorde handen mij aan waarop mijn voeten als aan de grond genageld hun wilde schoppen stoppen.
Door het staren naar de berg bij elkaar gepropte wanhoop heb ik niet in de gaten gehad dat dezelfde man, die over water lopend naar me toekwam, zich aan mijn voeten heeft genesteld.
Als een kind, verheugd over de sneeuw op Kerstmorgen is hij midden in mijn troep gaan zitten en kijkt me glimlachend aan.
Verbijsterd zie ik dat door zijn aanraking elk behuild zakdoekje verandert in een schitterend witte roos waarvan de geur me betoverd en bedwelmd.
Ik knipper met mijn ogen en knijp mijzelf in mijn vel om wakker te worden.

Lachend om mijn verbazing wist hij met de ene hand teder mijn tranen, waarbij hij ze in zijn tot kommetje gevormd andere hand opvangt om ze daarna in een prachtig albasten kruikje te gieten.
Eer hij het met een kurk sluiten wil ruikt hij eraan, waarop zijn ogen één en al verrukking en tedere liefde uitstralen.
Voorzichtig houdt hij het onder mijn rood opgezette neus.
‘Ruik maar eens,’ zegt hij met warme stem waarna ik de lieflijke geur van een pasgeboren baby waarneem, puur en onbesmet.

Als het kindje dat ik als klein meisje zo graag uit de kribbe wilde tillen, zo neemt hij me in zijn armen en legt me aan zijn warm kloppend hart.
Het kinderlijk verlangen van vroeger vindt opeens zijn vervulling in het zelf gekoesterd worden door deze wonderlijke man.
Ik laat alle schroom varen en geef me over aan een oneindig erbarmen en tomeloos ontfermen.
‘Zonder dat je het wist heb je op mij gewacht mijn liefste’ zegt hij.
Een diepe schaamte overvalt me, en ik wil wegvluchten.
Ik besef opeens dat ik hier niet pas, deze armen horen niet om mij heen, ik verdien deze liefde niet!
Ik schreeuw het uit van pure ellende om mijn steeds op de verkeerde plek zoeken naar liefde en voel me zo besmeurd en vies.
Zijn lippen lispelen op zachte fluistertoon in mijn oor; ‘het is goed, mijn lieveling, het is goed.
Je kon er niets aan doen…’
Met beide handen pakt hij mijn hoofd en kijkt me liefdevol aan.
Ik ben opeens weer het kind dat zich verwonderend spiegelde in de bont gekleurde kerstballen.
Het vuur in zijn ogen doet mijn eigen gezicht lachend dansen in de diepte van zijn liefdevolle blik.
Gerustgesteld leg ik mijn hoofd weer in zijn schoot waarin hij me met zijn handen zachtjes streelt.
‘wilt u nog eens in mijn oren fluisteren?’ durf ik te vragen.
‘Dat kriebelde zo lekker’
‘Alleen wanneer je gewoon ‘je’ zegt’ antwoord hij grinnikend, ‘en wanneer jij mij ook wat in mijn oren fluistert.’
‘Ik vroeg het eerst’ lach ik.
‘Nou vooruit dan’
De griezeltjes trekken over mijn rug,wanneer zijn mond de meest mooie woorden in mijn oren fluisteren.
‘Ik heb zo naar je verlangd liefste, mijn hele leven lang.
Je bent mijn meisje, mijn mooiste bruid, jij bent mijn witte roos.
Ik noem je mijn Rachel.’
‘Je bent mijn Jezus’ fluister ik in zijn oren, genietend van zijn kriebelende krullen in mijn gezicht.
Zijn naam te noemen doet mijn hart sneller kloppen en mijn lijf trillen van pure verwachting en hoop.
Mijn hele zijn verliest zich in zijn naam om daarna te ontdekken dat ik eindelijk heel ben.

‘Jezus, mijn Jezus…’

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

One thought on “Vlinders en griezeltjes”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s