Ja maar of gaan?

Een tijdje geleden hoorde ik een spreker zeggen dat je in Israel beter de naam van Jezus niet noemen kunt, want daarmee jaag je Joden tegen je in het harnas.
Notabene onder het volk van God roepen christenen andere christenen op te zwijgen over Jezus, en de Naam der namen niet op je lippen te nemen.
De voorganger in kwestie haalde Mattheus 10 aan waar Jezus zelf zegt dat wanneer je als Christen bang bent voor de naam van Jezus uit te komen je het niet waard bent Christen genoemd te worden.

Is het alleen in Israel zo, dat we zo ‘voorzichtig’ zijn geworden de naam van Jezus aan te roepen?
Zijn we nog wel trotst op die naam, Jezus, de Messias, de Redder der wereld?
Durven we nog uitkomen voor die geweldige naam?

Op internet wordt me over allerlei namen het volgende verkondigt:
’Wen er maar aan dat steeds meer mensen zichzelf identificeren met hun seksuele voorkeuren die afwijken van de norm.’
Vervolgens worden me 20 seksuele voorkeuren uitgelegd.
Om ons heen is er totaal geen schaamte meer allerlei borden omhoog te houden en luidkeels te roepen wat je bent.
Om een paar van de meest bekende te noemen:
’Ik ben homo,
ik ben lesbienne
ik ben transgender,
ik ben bisexueel
ik ben interseks’

Jezus roept ons in Matteus 10 ook op een bord omhoog te houden wanneer Hij zegt je kruis op te nemen en achter Hem aan te gaan.
Durven we als Zijn naamdragers dat kruis nog wel omhoog te steken tussen al die andere borden die de wereld ons voor houdt?
Durven wij, tussen al die anderen die ons toeschreeuwen wat ze zijn, te zeggen wie we zijn ?
Zijn we nog wel trots op onze identiteit in Christus?
Zijn we ons voldoende bewust welke macht en kracht we in ons meedragen?
Beseffen we nog wel dat het kruis van Golgotha ieder ander kruis lichter te dragen maakt?
Zijn we genoeg bewogen met de, zowel in kerk als samenleving steeds meer onder allerlei kruizen gebukt gaande wereld om ons heen?

In Hosea 4:6 lezen we Gods hartverscheurende klacht t.a.v. de priesters van het volk Israel:
‘Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is.
Jij wilde het niet met Mij vertrouwd maken , daarom wil Ik niets meer met jou te maken hebben, je zult Mij niet meer als priester dienen.’

Petrus zegt in 2:1 dat we in Jezus Christus “een koninklijk priesterschap zijn, een uitverkoren geslacht een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis naar Zijn wonderbaarlijk licht geroepen heeft.”

Wanneer ik deze twee tekstgedeelten naast elkaar leg en op me in laat werken word ik bang te moede over onze schroom voor Jezus uit te komen.
Is het terecht dat we deze angst met een vroom woord ‘voorzichtigheid’ noemen?

Al dit soort vragen gaan door me heen wanneer we bijv. zoals onlangs, in de kerk luisteren naar een preek over Lukas 14;
‘En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.
En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht.
En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken?
Maar zij zwegen. En Hij greep [hem] vast, genas hem en liet [hem] gaan.
En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte: Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?
En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.’

Naar goede gewoonte wordt na de preek de gemeente uitgenodigd een dank of gebedspunt in te brengen; zo ook deze keer.
Een van de gemeenteleden vroeg gebed omdat hij komende tijd een aantal onderzoeken moest ondergaan i.v.m. vocht vasthouden in de benen.
De dienstdoend ouderling ging ons voor in gebed…

Op momenten als deze kan ik me maar moeilijk verenigen met de kerk en vraag me verbaasd af wat we nu eigenlijk aan het doen zijn.
In het gelezen hoofdstuk lezen we dat Jezus iemand met waterzucht geneest en in andere gedeeltes dat hij de discipelen uitzendt het Koninkrijk der hemelen te verkondigen waarbij hij hen macht geeft boze geesten uit te drijven en zieken te genezen.
(Marcus 16:17-18)

‘En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.’

In Johannes 14:12 belooft Jezus:
‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.’

In het ter sprake brengen van bovengenoemde situatie, en de vraag hoe anderen hier over denken is het antwoord meestal: ‘maar we hebben er toch voor gebeden?”
‘Maar wijs mij dan de plek eens aan waar staat dat Jezus ons opdraagt te bidden voor de zieken?
Ik kan het over het hoofd zien, maar ik lees alleen dat Jezus ons opdraagt de zieken de handen op te leggen en te genezen…’

Gesprekken over onderwerpen die te maken hebben met de opdracht van Jezus en de belofte daaraan verbonden, verlopen meestal op de volgende manier:
‘Maar stel je voor dat we dat gaan doen, dan zijn er altijd mensen die daar erg van schrikken omdat we het niet gewend zijn’
‘Maar Jezus zegt: ‘angst voor mensen is een valstrik, wie op de Heer vertrouwt, wordt beschermd.’ (Spreuken 29:25)
‘Ja maar, we zijn gewoon nog niet zo ver.’
‘Maar bij Jezus is het al tweeduizend jaar zo ver! Hij zegt: ‘Laat de goedheid die hij u bewijst niet tevergeefs zijn. Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.’ (2 Korintiërs 6:1-2).’
‘Maar ik ben bang dat er dan misschien wel mensen weggaan.’
‘Maar Jezus zegt: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudig ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt he eeuwige leven.’ (Marcus 10: 29-30)
‘Ja, maar is dat nog wel voor deze tijd?’
Maar Jezus zegt: ‘Ik Ben gisteren en heden tot in eeuwigheid’(Hebreeën 13:8)
‘Ja, je hebt wel gelijk, maar toch denk ik…’
Maar Jezus zeg: ‘wie mijn woorden hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots.’ (Mattheus 7:24)
‘Maar ja, ik ben Jezus niet.’
Maar Jezus zegt: ‘hoewel je nog in de wereld bent, ben je als Jezus.’ (1 Johannes 4:17)

‘Maar hoe weet ik of ik daar geschikt voor ben?’
‘Gewoon omdat Jezus dat zegt!’
‘Ja, nou ja, jij bent altijd zo lekker (en soms irritant) radicaal, ik durf dat niet.’
Maar in Romeinen 8:11 staat een geweldige bemoediging: ‘dezelfde Geest die Jezus deed opstaan uit de dood woont in jou en mij.’
En gelukkig, je hoeft niet mij te volgen, je moet Jezus volgen; wat zegt Hij?
‘Ga in Mijn naam…’
‘Maar ik moet daar toch ook een soort gevoel bij krijgen om te weten dat ik dat moet doen?’
‘Jezus zegt: ‘wees niet bang want Ik ben met je…Ga!’

Mijn gebed is:
‘Heer, vergeef ons onze ongehoorzaamheid, ongeloof en eigengerechtigheid.
Vergeef ons de vrees voor mensen Heer en vervul ons met vrees voor U.
U zegt toch zelf dat de Vreze des Heren wijs maakt en ten leven lijdt.
Vergeef ons Heer dat we Uw Geest bedroeven.
Maak ons gewillig Uw vuur te ontvangen.’

Doe ik het goed Pa?

Auteur: tinyonline

Ik word blij van zelf nadenken i.p.v. napraten

One thought on “Ja maar of gaan?”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s