Middelvinger.

(True story)

In de stad op de fiets van A naar B is soms een levensgevaarlijke bezigheid.
In een paar maanden tijd hadden jullie, als lezer al diverse ter aarde bestellingen van mijn persoontje mee kunnen maken, en andersom waarschijnlijk ook!

Even terzijde,
maak er asjeblieft een feestje van wanneer het zover is, steek de vlag uit, hang de slingers op, eet heeeeel veel gebakjes, en hef het glas op mijn thuiskomst, waar Jezus me welkom heette.
Hij had al een lekker kopje thee voor me gezet, hing mijn jas aan de kapstok, en zit nu gezellig met mij aan tafel te keuvelen; “ hoe was je dag schat, vertel…”
In de Le Creuset pannen sudderen malse runderriblapjes en stoofpeertjes en in de koelkast staat een romige chipolata pudding met felgekleurde stukjes sucade en in rum geweekte rozijntjes op te stijven.
Een andere mooie schaal in de koeling is gevuld met vers geklopte slagroom, genoeg voor op de pudding straks, en het advocaatje bij de met de hand gezette gezette koffie na de maaltijd.
Zoiets dus…

Nou goed, fietsen in de stad.
Onlangs moest ik van A naar B.
Toen ik nog een auto had, vond het ik behoorlijk irritant dat zo weinig fietsers richting aangeven.
Soms fladdert er ergens een hand, met een waarschijnlijk zich voor zijn bestaan verontschuldigend wijsvingertje, waar ik als autobestuurder dan weer geen wijs uit weet.
“ steek je hand toch eens fatsoenlijk uit” mopperde ik dikwijls.
Vandaar, ik geef ook voor mijn eigen veiligheid, van te voren richting aan.
Niet sorry dat ik besta, vergeef me dat ik een andere kant op wil dan u, nee;
‘dit stukje weg is van mij, ik verwacht dat u mij daar de ruimte geeft, en bovendien , ik denk niet dat u bloed op de voorruit wilt’

De auto achter me, de bestuurder dan hè, kan dan ruim van te voren anticiperen in het verkeer. ( zo noem je dat toch?)
Meestal gaat het goed.
Ik moet eerlijk zijn, soms gaat het net níet goed…
Omdat ik dan zelf niet anticipeer, en geen besef heb van het stukje weg waarop ik mijn fiets van A naar B voort trap.
Dan zit ik met mijn hoofd in de wolken en droom ik van dat advokaatje met slagroom.
Ik dwaal alweer af…

Onlangs, van A naar B.
Met een paar auto’s ver genoeg achter me, zodat wanneer ik met mijn recht uitgestoken arm, richting aangeef ze me daar ook de gelegenheid voor kunnen geven.
De eerste auto scheurt nog snel om me heen, waarna de bestuurster in de auto daarachter, niet voldoende anticiperend, bot op de rem moet, omdat ze in de flow van de vorige auto ook om me heen wil.
Ik schrik, zij schrikt.
Raampje open, duidelijk vingertje opgeheven, begint ze me de les te lezen.
Ik zeg: “ mevrouw, ik heb ruim van te voren richting aangegeven.”
Wat stellig door de vrouw in kwestie ontkend wordt, want ze had niks gezien.
Tja, achteraf kan ik nu ook wel bedenken dat ze hoogstwaarschijnlijk ook droomde van een een prins die haar een advokaatje met slagroom aanbiedt.
Jammergenoeg op dat moment niet.
Iemand met een weerzinwekkende klauw krabde mijn “oude mens” en ik haalde haar uit de kast,.
Na wat heen en weer welles nietes stak ik mijn in felgeel gehandschoende middelvinger op…
Echt waar!
Erg hè?
Stel je voor, mijn oude ik is veilig in de kast opgeborgen, dood als een pier.
Niks meer in te brengen, ze moet haar bek houden!
Ik weet het, en toch doe ik de kast open en wek dat skelet op.
Ik geloof niet dat Jezus dat bedoelde toen Hij zei dat we zoveel opstandingskracht in ons hebben, om zelfs doden op te wekken!
Jammergenoeg zijn we als kinderen van God bijzonder goed in het op die manier de doden op laten staan, door het skelet steeds uit de kast te halen.
Gelukkig besefte ik dat op dat moment ook, ik schaamde me dood.
Ik wilde dat de grond onder me zich opende en me verzwolg als in een sinkhole.
En toen…

Thank God, zijn Geest woont in mij, en stak ook een vinger op.
Een wijsvinger naar mij, om me net als die mevrouw de les te lezen?
Een middelvinger die me net als ik naar de ander, oordeelde?
Nee!
Geen “sorry dat ik besta vingertje”maar een duidelijke richtingaanwijzer naar het kruis.
“Hier, deze kant op!
Ik wacht wel achter je”
De richtingaanwijzer wees me naar de geweldige tekst uit 2 Korinthe 5:21
“Ik ben de gerechtigheid Gods in Jezus Christus!”
Omdat ik zelf zo goed ben?
Nee, omdat Jezus, die geen zonde gekend heeft zonde voor mij geworden is.
Hij hing tussen hemel en aarde, door Vader verlaten, en wérd zonde!
Op dat moment kwam Zijn gerechtigheid op mij.
Ik werd rechtvaardig verklaard.
Wat Hij verdiende, kreeg ik.
Wat ik verdiende kreeg Hij!
Een zeer vrolijke ruil…

Daar stond ik dus, een “keurige oudere mevrouw” met mijn middelvinger felgeel opgestoken, midden op een kruispunt.
Welke afslag zou ik nemen?
Die van de zelfveroordeling en dood of die van de rechtvaardigheid in Christus?
Ik stapte weer op mijn fiets en stak mijn middelvinger op!
Naar die vuile aanklager die een gat voor me groef, waar hij me briesend ALS een leeuw wilde verslinden.
Belijdend :” ik ben de gerechtigheid Gods in Jezus Christus, ik ben rechtvaardig verklaard in Zijn bloed” ben ik weer verder de snelweg van het leven op gefietst.
Even verderop zag ik een sinkhole , er omheen een metershoge omheining.
Boven de ingang hing een levensgroot bord
“ Verboden toegang”
Engelen met vlammende zwaarden beletten me de toegang waardoor ik veilig verder fietsen kon.
In mijn ooghoek zag ik nog net een ter aarde bestelling van een felgeel gehandschoend handje .
Ze zwaaide vrolijk en stak een duimpje naar me op…

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

https://robertrothblog.wordpress.com/2019/06/10/geloven-over-vertrouwen-twijfel-en-vragen/
— Lees op robertrothblog.wordpress.com/2019/06/10/geloven-over-vertrouwen-twijfel-en-vragen/

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

https://robertrothblog.wordpress.com/2019/06/10/geloven-over-vertrouwen-twijfel-en-vragen/
— Lees op robertrothblog.wordpress.com/2019/06/10/geloven-over-vertrouwen-twijfel-en-vragen/

Prachtig getuigenis van een levensveranderende ontdekking.

Glorie aan het Lam!

In vuur en vlam.

Vorige week was ik op het Hemelvaartsconvent van CWN, waar we o.a. luisterden naar een lezing van Samuel Wells.
Hij sprak over het over het verschil tussen For/With.
Iets doen voor iemand of iets doen met iemand.
Het doen voor elkaar, of iets doen voor God, zit ons meer in het bloed dan dat we iets doen met elkaar,of stil zijn en luisteren naar God omdat Hij er zo naar verlangt met ons te zijn.
Vanmorgen in de dienst kwamen deze woorden For/With Voor/Met in mijn gedachten voorbij, t.a.v. de Pinksterviering.

Op de dag waarop de Joden van het Oude Testament vieren dat Mozes op de Berg Sinaï, de tien geboden ontving, op diezelfde dag viert de kerk van het Nieuwe Testament Pinksteren, het feest van de uitstorting van de Heilige Geest.

Over deze twee gebeurtenissen zijn zowel verschillende overeenkomsten als verschillen te noemen.
In beide gevallen gaat het vooral over God die bij de mensen wil wonen.

Het volk Israël had na hun bevrijding uit Egypte aan geen ding gebrek in de woestijn.
Iedere keer wanneer ze klaagden over water, brood en vlees zorgde God voor overvloed in wat ze misten.
Er viel niet één dode, omdat God hun Zijn vriendelijk aangezicht toonde en niet moe werd hun goed te doen.
Kortom, God liet hun de aard van Zijn wezen zien; Zijn verlangen de mens genade en goedheid te bewijzen.
Toch was het volk deze genade, iets ontvangen om niet, op een gegeven ogenblik spuugzat.
Ze eisten God zelf iets terug te willen doen.
Daarop trok God zich terug, en gaf hun de tien geboden.
Wederom kregen ze waar zo om vroegen, de wet, waarop ze overmoedig riepen dat ze álles zouden doen wat God hun in die wet gebood.

Waar het mis ging was precies dat waar Samuel Wells de vinger op legde.
God bevrijdde het volk Israël uit de slavernij van Egypte en trok met hun op naar het beloofde land.
Het volk kon de afhankelijkheid van een God met hun niet langer verdragen, waarop ze eigen verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid opeisten.
Die kregen ze van God, waarop zoals om de berg Sinaï een hek geplaatst werd, er ook denkbeeldig een afscheiding kwam tussen God en het volk.
Met God werd door het volk ingeruild voor voor God.

Hoe desastreus dit uitwerkte werd onmiddellijk duidelijk toen het volk zelfs het aanbidden van God inruilde voor het dansen om een gouden kalf.
Kort tevoren nog hadden ze geroepen alles te doen wat God hun gebood te doen…
Omdat ongehoorzaamheid aan de wet genoegdoening eist, kon God niet anders dan straffen.
Als gevolg van het overtreden van het eerste gebod:’ Gij zult de Here uw God liefhebben boven alles,’ stierven er drieduizend mensen.

Vele eeuwen later verliet de zoon van God de hemel om als mens onder ons te wonen.
Hij kwam op aarde omdat Hij als enige in staat was Gods wil te doen en zo de wet van Mozes te vervullen.
Door Zijn verschrikkelijke dood aan het kruis verbrak Hij de macht van de zonde en bevrijdde ons van de aanklacht van de wet.
Deze wet was het wapen van Satan om ons voortdurend aan te klagen;’zie je wel dat je dat niet kunt?’
En hij had gelijk!
We kunnen de tien geboden niet gehoorzamen, zelfs niet één gebod.

Gods reddingsplan is er altijd op gericht geweest met ons te zijn.
Toen Jezus er voor koos om met ons te zijn kon het niet anders dan dat Hij hangend aan het kruis één werd met onze zonde.
Hij dróeg niet alleen onze zonde, Hij werd zonde, en wij, we lieten Hem alleen.
We konden ook niet anders dan Hem alleen laten, omdat we onmogelijk dragen konden wat Hij op dat moment Zelf op zich nam.
Omdat God de zonde niet verdragen kan, kon ook Hij niet anders dan Zijn Zoon alleen laten, en daarmee koos God onze kant.

In Kollosenzen 2 staat dat God Zelf de zonde,Jezus, én de aanklacht van dat wat tegen ons getuigde, de wet, aan het kruis nagelde en daarmee Satan het zwijgen oplegde.

Na zijn opstanding beloofde Jezus ons na Zijn Hemelvasrt niet alleen te laten, maar ons Zijn Geest te sturen, het bewijs van Zijn verlangen om met ons te zijn.
Het Immanuel, God met ons, bij de aankondiging van Jezus’ geboorte uitgesproken door de engel Gabriël, is in Zijn dood, opstanding en Hemelvaart bezegeld met de uitstorting van de Heilige Geest.
Elke belemmering om tot God te gaan is weggenomen omdat in het offer van Jezus elk wapen dat tegen ons gebruikt werd krachteloos is geworden.

En zie wat er gebeurde:
Bij de Sinaï, daar waar de mens koos om voor God te gaan werken, vielen drieduizend doden.
Op de Pinksterdag, de dag waarop God bewees het contact met
ons te hebben hersteld komen drieduizend mensen tot geloof.

Wat een wonderschone hereniging van God met allereerst Zijn volk Israël en daarna de andere volken.
Het was niet voor niets dat de uitstorting van de Heilige Geest juist op dát moment plaats vond.
Heel Israël en de mensen uit de omringende volken waren op de been om feest te vieren in Jeruzalem.
God de Vader liet zien dat het heil voor alle volken is.
Vier je het feest van de Geest mee op het Tempelplein?

Link naar de lezing van Samuel Wells:

Link naar de site van het Chatismstisch Werkverband Nederland
https://www.cwn-cwj.nl/

Kermis in de Kerk.

Ik ben een sneeuwwit duifje dat jullie meeneemt naar de Kermis, waar we in het reuzenrad en op de bont gekleurde paardjes van de draaimolen rondjes draaien gaan.
We gaan zorgeloos zwieren in de schommels zonder misselijk te worden van de vele suikerspinnen en warm verorberde oliebollen.

Maar eerst vertel ik je wat er 10 dagen geleden gebeurde.
Wat een belevenis!
Jezus was met zijn volgelingen,mannen en vrouwen,op de olijfberg.
De trouwe Maria van Magdala,en Zijn nog altijd jonge lieve moeder Maria.
Met hen en vele andere aanwezigen sprak Hij met hen over de tijd die komen ging.
Hij beloofde hun dat ze nooit meer alleen zouden zijn,en dat wanneer ze het goede nieuws zouden vertellen,iedereen aan de tekenen en wonderen zou zien dat ze de waarheid spraken.
Demonen uitdrijven,zieken genezen,ja,zelfs doden opwekken.
Een grote kracht gaat hun vervullen,beloofde Jezus.
Wat een geweldig uitzicht hè?
Daarna zegende Hij zijn vrienden waarna Hij opgenomen werd en de ere plaats naast Vader in mocht nemen.
Daar zit Hij nu op de troon,rustend aan Vader’s rechterhand!

In Jeruzalem zijn de vrienden eensgezind aan het bidden,in afwachting van de grote dingen die komen gaan.
En nu,vandaag is het Pinksteren,50 dagen na Pesach.
Het altijd durende jubeljaar zal worden ingeluid!
Een eeuwig durende grote verzoendag vangt op deze allang van te voren door de profeten aangekondigde dag aan.
Oh,deze dag zal de geschiedenis van de hele wereld beïnvloeden en op zijn grondvesten doen schudden.
Deze dag,waarop de geweldige gebeurtenissen op de berg Sinaï herdacht worden,zal een nog grotere impact hebben dan die dag.
Nu zal het doel,waarvoor de Wet gegeven is duidelijk worden.
Deze dag gaat het bewijs worden van de vrijheid en liefde die Vader vanaf de schepping bedoeld heeft.
Nu gaat ingezien worden dat Vader geen slaven wil maar kinderen!
Kom,laat je meeslepen in de karavaan “der dwaasheid”
Ik,een sneeuwwit duifje,de verteller van Het Verhaal,ben ook terug in Jeruzalem,waar het een drukte van jewelste is.
Uit de omringende landen zijn veel toeristen toegestroomd,om het feest mee te maken.
Oh,straks wanneer iedereen terug zal keren naar zijn eigen land,zullen ze heel wat te vertellen hebben!
Deze dag,gaat geweldig worden.
Deze dag zal de majesteit van Jezus de heilige stad dronken van plezier maken.
Ik mag…
Ik mag naar de vrienden gaan.
Het is tijd!
Mijn prachtige vleugeltjes klapwieken in een sierlijke cadans en elegantie,terwijl mijn duivenborstje zwelt van geluk.
De vrienden zien me aan komen vliegen en kijken verrukt naar me op.
Van blijdschap over mijn gratie en schittering door de Morgenster,stoten ze elkaar aan en heffen hun hoofden omhoog.
Nu,ja nu!
Nu mag ik mijn kracht loslaten.
Alsof ik afgeschoten wordt,en vanaf een duikplank een 1000 dubbele salto maak,laat ik alle kracht in me los.
Met een luid roekoooee open ik mijn snaveltje en blaas het vuur,wat in me is over hen uit.
Ik ben een vuurspuwend duifje!

Mijn voorbeeld zal over de hele wereld na gedaan worden.
In een zwakke imitatie zullen vuurspuwers hun monden met een brandbaar goedje vullen,en aansteken.
De omstanders zullen verbaasd oh,en ah roepen,maar verder dan dat zal het niet reiken.
Het zal zal niets zijn in vergelijking met mijn vuur.
Mijn vlammen,worden door Vader zelf aangestoken.

De vrienden van Jezus roepen het uit.
Op elk van hen zijn vurige vlammetjes te zien,maar het verteert hen niet.
Er is een heerlijke geur merkbaar in plaats van de penetrante brandlucht van verschroeide haren.
Het is een vuur,dat anderen weer aan zal steken om het goede nieuws te vertellen.
Het is een vuur,zo krachtig,dat het alles in een ander licht zet.
Dat zie je nu al.
In talen,waarvoor ze geen diploma of bachelor hebben behaald beginnen de vrienden luid te getuigen van hun opgestane Jezus.
Het geluid gonst door heel Jeruzalem.
Het is als toen Salomo,de vredevorst de tempel in gebruik nam.
Zo trilt de hele atmosfeer van de grootheid en macht uit de hemel.
De mensen stromen toe,nieuwsgierig aangetrokken door het mysterie van het vuur.
Iedereen hoort in zijn eigen taal,hoe de vrienden getuigenis geven van Jezus.
Dit is nog nooit vertoond.
Deze kakofonie van geluid is haast hysterisch te noemen.
Het is een kermis van blijde dansende mensen!
Volwassenen die kinderen worden.
Deftige profesoren laten elke schroom varen,en in de stoeltjes van de draaimolen zwieren ze gillend en uitgelaten van pret steeds hoger en hoger rond.
Afgestudeerde academici staan zij aan zij met eenvoudige ongelettereden in de rij bij de botsautootjes,waarna ze gierend van pret elkaar de pas afsnijden in hun felgekleurde voertuigen.
Het reuzenrad draait zijn rondjes zoals nog nooit eerder vertoond.
Niemand maalt erom dat de bakjes veel te vol geladen zijn,en schommelen op een manier die gisteren nog levensgevaarlijk was.
De gekleurde paardjes draaien rond,en hinniken luid omdat ze nog niet eerder zulke vrolijke lasten hebben gedragen.
De grijpmachines,die anders de uit de Action vergaarde prullen nooit prijs gaven,zijn nu gevuld met de prachtigste gouden sieraden,bezet met diamanten,saffieren en smaragd.
De klauwen van de grijpers laten hun schatten automatisch los bij de aanblik van de glundering in de ogen van jong en oud.
Ik zie Rebekka verbijsterd haar doffe oude ringen,armbanden en neuspiercing weg smijten,flabbergasted over de schoonheid van haar nieuwe sieraden.
Om zich niet te laten verblinden door de glans en schittering draagt ze een peperdure Guichi zonnebril,haar aangereikt door Eliëzer,
De koningin van Sheba begrijpt nu pas dat de rijkdom en wijsheid van Salomo niet meer dan een schaduw was,van hetgeen er nu ten toon wordt gespreid.
Ik zie Jozef,die zich door zijn broers luid schreeuwend van uitgelaten pret in de echoput laat gooien,waarna zijn familie verkleed in korenschoven zich buigen voor hun dromen dromend broertje.
Rachab staat trots en fier boven op een berg opgestapelde bierkratten,in haar handen een lang karmozijn roden koord,waarmee ze het spel verspiedertje vangen speelt.
De schatten van de wijzen uit het Oosten verbleken wanneer ze uit de hand van Petrus zakken vol mirre en specerijen ontvangen.
Een aanhangwagen beladen met goustaven,staat klaar om wanneer ze weer terug zijn in het Oosten,uitgedeeld te gaan worden aan het gewone volk.
Simson wappert koket met zijn lange pijpenkrullen en speelt samen met Leah,gepassioneerd het toneel spel”Simson en Delilah.”
Zoals prins Claus zich bevrijdde van zijn knellende stropdas,rukken door hun overgewicht door de kansel gezakte Reformatorische dominees hun witte bef af,die hen onderscheide van de graatmagere Evangelische in spijkerbroek en T-shirt geklede pastors,
Heupwiegend met de handen hoog in de lucht,bewegen ze zich samen naar het Schommelschip waar men eensgezind het net aan de andere kant uitgooid.
Vandaag kan alles!
De hele wereld staat in Jeruzalem op zijn kop!
Oliebollen,rijk bestoven,worden met tientallen opgesmikkeld.
Het vet vermengt met de poedersuiker,loopt in smalle witte stroompjes langs de mond van de etende smulpapen, en vormt een plasje in de plooitjes en holte van hun keel.
Met de overgebleven oliebollen worden gooi en smijt wedstrijdjes gehouden,al spoedig gevolgd door het elkaar bekogelen.
De felgekleurde suikerspinnen vinden gretig aftrek,in alle kleuren van de regenboog.
Groot en klein smeert het goedje in elkaars haren en giert het uit!
Spuitbussen worden uitgedeeld,waaruit neon kleurig poeder de kleverige kleding en haren van de mensen er nog grotesker uit laat zien!
Iedereen omarmt elkaar en blijft aan de ander plakken.
Het maakt niet meer uit.
#metoo heeft een hemelse betekenis gekregen.
Alles is omgedraaid.
Hier hebben de mensen van gedroomd,weer kind te zijn,en je te kunnen laten gaan zonder enige gêne.
Niet meer na te hoeven denken over wat een ander er van denkt of zegt.
Want die ander is net zo!
De schaamte voorbij!
“Hier ben ik voor gemaakt”zo voelt het voor iedereen!
“We zijn broertjes en zusjes en spreken dezelfde taal!
We klinken anders,maar toch hetzelfde.”
Lachend vertellen ze het elkaar:
“Eindelijk is het verlangen vervuld,één te zijn.
Zoals bij de bouw van de toren van Babel.
Toen wilden we één zijn door zelf naar de hemel op te klimmen,nu zijn we één omdat vanuit de hemel God af daalde naar ons.
Wat zal God gelachen hebben om onze dwaasheid,toen hij neerkeek op ons.
Toen spraken we een taal in dezelfde klanken,waarbij we elkaar niet begrepen,nu loeien we als koeien een taal in een kakofonie van onverstaanbare klanken zonder Babylonische spraakverwarring!”
Vol zelfspot bekijken ze elkaar in de lachspiegels,en slaan elkaar joelend op de borst,om hun idiote verwaandheid,te denken dat ze door een toren te bouwen,de hemel in bezit konden nemen.
Wat een hilariteit.
“Wat zijn we dom geweest luitjes.”
Het grappige is dat ze er om grinniken kunnen,en als bevrijde mensen plezier hebben in wat hun eerder onmogelijk leek
Drieduizend mensen…hetzelfde aantal als de grote stapel doden,die bij de Sinaï omkwamen na het dansen om het gouden kalf.
Achtergebleven in de haastig gedelfde graven,om vruchteloos te verteren en één te worden met het het stof van de woestijn.
En nu…
Drieduizend mensen,die dansen om de overwinning,behaald door het sterven en opstaan van Jezus…
Drieduizend mensen in het badwater van geloof ondergedompeld beleven een bevrijding waar ze al naar hunkerenden vanaf hun vormeloos begin.
De ervaring opnieuw geboren te zijn is een niet te bevatten werkelijkheid geworden.
Drieduizend mannen en vrouwen,die de woestijn waar ze voortaan hun voeten zullen zetten,laten veranderen in een bloeiende rozentuin.

En daar zie ik Zijn moeder,Maria,alsof ze weer maagd is.
Dromerig als in trance laat ze zich eindeloos rond draaien op een van de felgekleurde paardjes.
Het meisje,dat ik bevrucht heb,en vandaag Jezus voor de tweede maal in haar binnenste geboren heeft laten worden,om Hem nu voor altijd mee te mogen dragen,voor eeuwig en eeuwig!
Het meisje,nu een vrouw,die de woorden sprak:”mij geschiede naar Uw woord”
Vertederd door haar schoonheid laat ik me landen in haar open handen.
Ontroering doen haar ogen blijdschap tranen.
Precies in het midden van het kermisterrein staat een reusachtge boom,die met frisse groene bladeren verkoelend schaduw biedt aan degeen die even rusten wil.
De sappige oranjeappeltjes mogen vrij geplukt worden,daar de slang niet meer is dan een pluchen tochtstrip.
Wat een uitbundige stemming heeft mijn vuur teweeg gebracht.
Iedereen die zijn ik kwijt was heeft zijn oorspronkelijkheid terug gevonden in mijn levend brengende opstandingskracht.
Alle scherven van het leven,die slapeloze nachten,vol van wanhopige schuld,schaamte,pijn en verdriet tot gevolg hadden,het past allemaal weer in elkaar.
Als porseleinen kop en shotels,die in duizend stukken op de grond lagen en door een onzichtbare hand opgeraapt,met bloedrode lijm weer in elkaar zijn gezet.
Als kapot gesmeten kristallen vazen,die met hun glassplinters bloedende wonden gaven.
Wonderbaarlijk geheeld van hun butsen,staan ze nu gevuld met witte rozen welriekend te pronken in de huizen,waar men elkaar eerder nog de hersens insloeg.
Het deert ons niet,dat de vrome Farizeeën en Schrifgeleerden de spot met mij en de mensen die ik met mijn vuur heb aangestoken drijven.
Laat ze toch lachen en spotten.
Laat hen in de waan dat we vol zoete wijn zijn.
Dat zijn we ook,het bloed van Jezus stroomt als vreugde gevende wijn door onze aderen.
Laat hen maar zeggen dat we dwazen zijn.
Dat zijn we ook,het woord dat ik met mijn vuur kracht bijzet is ook dwaas.
Het heeft alles omgedraaid.
Wat hiervoor nog normaal was is nu abnormaal geworden.
En andersom ook.
De dwaasheid van het Evangelie zal tot vrolijke en bevrijde harten leiden.

Oh,wat ben ik gelukkig!
Laat er zang en dans zijn in de huizen.
Laat de vrede en vreugde des Heeren de kracht zijn waarmee het leven zijn bestemming krijgt.
Dit is mijn doel,vanaf het begin!
Ik,een sneeuwwit duifje,in de hemel bewaard en nu losgelaten.
Zoals ik losgelaten werd door Noach,en uiteindelijk een rustplaats vond om,om een nest te bouwen in een nieuwe wereld.
Zo zoek ik ook nu steeds een rustplaats in de harten van degene die zijn opgestaan in een nieuw leven,en verlangen naar mijn vuur.
Waarin ik met onuitsprekelijke verzuchtingen Abba,Abba fluister,Abba Abba…daarmee de wetten in hun hart schrijvend.
Soms zie ik andere nesten op de hoofden van mensen.
Het nest van roofvogels,die stinkende rotte eieren gelegd hebben.
De bedorven eieren verhard hun hart,zodat ik geen toegang meer heb voor mijn nestje.
Zonder het zelf te willen, gooit men voor elkaar de glazen in,zelf machteloos bloedend in duizend stukken uiteen vallend.
Maar ik geef het nooit op.
Tot aan het einde van deze tijd blijf ik een vuurspuwend sneeuwwit duifje.
Zoekend naar iemand die zich op wil laten rapen.
Speurend naar een porseleinen kop en schotel,dat smeekt weer in elkaar gezet te worden om daarna feest te vieren op de tafel van een high tea vol geurige vers gezette thee en zoete lekkernijen.
Tot de dag komt,die grote dag…
De dag van de voltooiing.
De kroningsdag van Jezus waarbij Hij alle heerschappij uit handen van Vader ontvangen zal.
De huwelijksdag van bruid en bruidegom!
Ik,het sneeuwwitte duifje, jullie gids in dit verhaal, wacht op die dag.
Ik zie uit.
Jij ook?

Vlinders en griezeltjes

Voor de zoveelste keer zit ik op de puinhopen van mijn bestaan.
Ik vraag me zelfs af of ik nog wel een bestaan hèb!
Of ik zelf überhaupt wel bestaansrecht heb…

Alweer ben ik alleen omdat een man me verlaten heeft.
Vele mislukte relaties achter me latend had ik de vaste overtuiging dat het deze keer wel lukken zou, een man van onbesproken gedrag, alom gerespecteerd, charmant, geestig.
Al snel kwam ik erachter dat ik me wederom vergist had en dat ik in de val gelopen was van een zorgvuldig opgezet plan.
Deze man was helemaal niet geïnteresseerd in mij, ik diende als zijn dekmantel voor zijn goddeloze praktijken.
Oh, hoe dikwijls lag ik in bed mijn snikken in het kussen te smoren, terwijl hij als een onschuldige baby, zich van geen kwaad bewust, in diepe slaap naast me lag.

Langgeleden werd me op zondagschool het verhaal verteld van een jonge man, Jacob, die zó verliefd was, dat hij het ervoor over had 14 jaar voor dat meisje te werken.
Toen de vader van het meisje bemerkte hoe verliefd de jongen op zijn dochter was sloeg hij er gewoon een slaatje uit en had al die jaren een goedkope knecht aan de tot over zijn oren verliefde Jacob.
Rachel heette het meisje, en haar vader, de uitbuiter, heette Laban.
Toen Jacob Rachel zag wist hij het meteen; zîj was de vrouw van zijn dromen.
Met háár, en met niemand anders wilde hij oud worden en haar een leven lang beminnen en in de watten leggen.
Hij móest en zou haar hebben!
Het mislukte alsnog jammerlijk, omdat ze een zus had waarmee Jacob al eerder trouwde, een smeuiig verhaal vol bedrog en intrige.
Rachel stierf al jong, en uiteindelijk wilde Jacob niet naast háár maar naast haar zus, Leah, begraven worden.
De romance tussen Rachel en Jacob begon zo mooi, tijdens zijn jonge jaren had Jacob alles voor haar over, maar verkoos tijdens zijn sterven toch Leah boven haar.
Maar oh, een man die zó verliefd is dat hij 14 jaar voor je werkt…
Daar droomt elk meisje van!

Om mijn lege huis vol pijnlijke herinneringen te ontvluchten heb ik een bankje met uitzicht op zee opgezocht.
Terwijl het verdriet en de pijn als striemen door mijn lijf gieren, stromen de tranen in een niet te stuiten waterval over mijn wangen.
Ik voel me waardeloos en van geen enkel nut.
Niet waard om van te houden, een gebruikt vod dat geen dienst meer doet, weggegooid door de man die eens trouw tot de dood beloofde en me nu als een zak vuilnis aan de kant van de weg heeft gezet.
Dezelfde hand die mij eens plukte heeft me als een verlepte roos uit de vaas gerukt en achteloos weggesmeten.
Alweer is mijn hart gebroken, en oh, wat doet het zeer!

Door de mist van mijn tranen heen staar ik naar de zee vóór me, en lijkt het net of iemand over het water naar me toe komt, wat natuurlijk onmogelijk is.
De verscheurende pijn doet me zeker hallucineren, waardoor ik dingen zie die er niet zijn.
Ik wrijf door mijn rood gezwollen ogen en zoek naar het zoveelste zakdoekje, om mijn neus, die inmiddels pijnlijk schrijnt van het zoute zeer, te snuiten,
Een enorme berg zakdoekjes, verzadigd van het snotterend leed, ligt inmiddels verfrommeld aan mijn voeten.

Maar, zie ik het nou toch goed?
Ach nee, wat een dwaasheid, een man die over water naar me toekomt…
De zwijmelarij over Jacob en zijn Rachel hebben mijn fantasie teveel op hol doen slaan.
Ik moet nu echt oppassen want ik zie ze vliegen, het verdriet begint mijn hersenen aan te tasten…
Maar waarom weigeren mijn ogen mijn gezonde verstand te gehoorzamen en laten ze toe dat de man steeds dichterbij komt?
Het lijkt zelfs wel of hij mij op het oog heeft…
Zijn blote voeten doen het water bij iedere stap in parelende glinsteringen opspatten waardoor de zoom van zijn lange mantel steeds donkerder kleurt.
Ik bemerk dat ook mijn oren dienst weigeren aan het normale verstand, en hoor het zachte rinkelen van tegen elkaar botsende belletjes die onder aan zijn mantel genaaid lijken te zijn.

Plotseling ben ik als in een lang vervlogen droom het kleine meisje bij moeder thuis.
Zittend op mijn eigen stoeltje zie ik me zelf weerspiegeld in de rijk versierde kerstboom naast de door vader aangestoken haard.
De weerschijn van de knetterende vlammetjes doen mijn gezichtje dansen in het kleurige glas van de kostbare kerstballen.
Genietend van de hoge tonen in het frêle rinkelen van de zilveren klokjes, wanneer ik ze met mijn vingertjes aantik, fantaseer ik over de gebeurtenissen uit het Kerstverhaal.
Hoe verlangde het kleine meisje het kindje Jezus voorzichtig uit de kribbe te tillen om het daarna koesterend aan het hart te drukken.
Het te sussen wanneer het huilde, in de oortjes fluisterend dat alles goed komen zou.

Om de dwaasheid van deze kinderlijke dromen van me af te schudden, richt ik mijn ogen naar beneden, daar waar aan mijn voeten de werkelijkheid van het leven in slijmerige proppen ligt opgestapeld.
Was ik nog maar dat dromende meisje onder de kerstboom, naïef gelovend in een wereld van klingelende klokjes en glanzende kerstballen.
De rauwe werkelijkheid van het leven hebben de verwachtingsvolle fonkeling in mijn ogen gedoofd, de ballen en klokjes liggen in duizenden scherpe scherven op de grond.

Terwijl uit mijn keel een rauwe oerschreeuw omhoog komt beginnen mijn voeten woedend en wild om zich heen te schoppen.
Weg met de viezigheid en pijn van het verleden, weg met de vergane illusies en zeer…

Opeens raken twee doorboorde handen mij aan waarop mijn voeten als aan de grond genageld hun wilde schoppen stoppen.
Door het staren naar de berg bij elkaar gepropte wanhoop heb ik niet in de gaten gehad dat dezelfde man, die over water lopend naar me toekwam, zich aan mijn voeten heeft genesteld.
Als een kind, verheugd over de sneeuw op Kerstmorgen is hij midden in mijn troep gaan zitten en kijkt me glimlachend aan.
Verbijsterd zie ik dat door zijn aanraking elk behuild zakdoekje verandert in een schitterend witte roos waarvan de geur me betoverd en bedwelmd.
Ik knipper met mijn ogen en knijp mijzelf in mijn vel om wakker te worden.

Lachend om mijn verbazing wist hij met de ene hand teder mijn tranen, waarbij hij ze in zijn tot kommetje gevormd andere hand opvangt om ze daarna in een prachtig albasten kruikje te gieten.
Eer hij het met een kurk sluiten wil ruikt hij eraan, waarop zijn ogen één en al verrukking en tedere liefde uitstralen.
Voorzichtig houdt hij het onder mijn rood opgezette neus.
‘Ruik maar eens,’ zegt hij met warme stem waarna ik de lieflijke geur van een pasgeboren baby waarneem, puur en onbesmet.

Als het kindje dat ik als klein meisje zo graag uit de kribbe wilde tillen, zo neemt hij me in zijn armen en legt me aan zijn warm kloppend hart.
Het kinderlijk verlangen van vroeger vindt opeens zijn vervulling in het zelf gekoesterd worden door deze wonderlijke man.
Ik laat alle schroom varen en geef me over aan een oneindig erbarmen en tomeloos ontfermen.
‘Zonder dat je het wist heb je op mij gewacht mijn liefste’ zegt hij.
Een diepe schaamte overvalt me, en ik wil wegvluchten.
Ik besef opeens dat ik hier niet pas, deze armen horen niet om mij heen, ik verdien deze liefde niet!
Ik schreeuw het uit van pure ellende om mijn steeds op de verkeerde plek zoeken naar liefde en voel me zo besmeurd en vies.
Zijn lippen lispelen op zachte fluistertoon in mijn oor; ‘het is goed, mijn lieveling, het is goed.
Je kon er niets aan doen…’
Met beide handen pakt hij mijn hoofd en kijkt me liefdevol aan.
Ik ben opeens weer het kind dat zich verwonderend spiegelde in de bont gekleurde kerstballen.
Het vuur in zijn ogen doet mijn eigen gezicht lachend dansen in de diepte van zijn liefdevolle blik.
Gerustgesteld leg ik mijn hoofd weer in zijn schoot waarin hij me met zijn handen zachtjes streelt.
‘wilt u nog eens in mijn oren fluisteren?’ durf ik te vragen.
‘Dat kriebelde zo lekker’
‘Alleen wanneer je gewoon ‘je’ zegt’ antwoord hij grinnikend, ‘en wanneer jij mij ook wat in mijn oren fluistert.’
‘Ik vroeg het eerst’ lach ik.
‘Nou vooruit dan’
De griezeltjes trekken over mijn rug,wanneer zijn mond de meest mooie woorden in mijn oren fluisteren.
‘Ik heb zo naar je verlangd liefste, mijn hele leven lang.
Je bent mijn meisje, mijn mooiste bruid, jij bent mijn witte roos.
Ik noem je mijn Rachel.’
‘Je bent mijn Jezus’ fluister ik in zijn oren, genietend van zijn kriebelende krullen in mijn gezicht.
Zijn naam te noemen doet mijn hart sneller kloppen en mijn lijf trillen van pure verwachting en hoop.
Mijn hele zijn verliest zich in zijn naam om daarna te ontdekken dat ik eindelijk heel ben.

‘Jezus, mijn Jezus…’

Goed gedaan trouwe klusjesman!

Deze week zag ik gebeuren hoe makkelijk mijn eigen schuldig aanwijzend vingertje de ander ziek maakt.

Ik kan al twee maanden niet in mijn eigen huis douchen ivm lekkage.
Dat geeft af en toe veel stress omdat ik het gevoel heb dat mijn huis niet meer van mezelf is, daar het een rommel van jewelste geeft terwijl ik juist net mijn huisje helemaal opgeruimd had.
Ik was zo trots op de, in mijn ogen balzaal aan ruimte in de grote slaapkamer, terwijl die nu al weken vol staat met bouwgereedschap en de wasmeubeltjes uit mijn gesloopte douche.
En dan het stof… verschrikkelijk!

Afgelopen dinsdag stond ik voor mijn deur en kon er niet in.
Het slot van de deur weigerde mijn sleutel, waardoor ik eerst ging twijfelen of het mijn deur wel was.
De overdadig bloeiende Geraniums lachten me met hun bonte kleuren bemoedigend toe, waardoor ik zeker wist; ‘dit is echt mijn eigen huis.’
Maar nee, het slot weigerde de tot dan toe altijd geaccepteerde sleutel te gehoorzamen, wat me vervolgens vertwijfeld af deed vragen of ik wel de goeie sleutel had.
Ook een gekke vraag natuurlijk, want het was dezelfde sleutel als altijd aan hetzelfde sleutelbos.
Ik bedacht me dan maar de Woningbouwvereniging te bellen, tot het wrikken toch de deur opende.
Gelukkig, ik was binnen.

Maar in mijn hoofd begon tegelijk een ‘wiens schuld is dit?’ vraag te spelen, waar ik meteen het antwoord al paraat had;’ Wouter natuurlijk’
Hij had die dag in mijn huis geklust, dus hij had mijn slot vernachelt!

Het eerste wat ik hem de volgende dag vroeg was:’wat heb je met mijn slot gedaan?’ waarop hij meteen van alles aanbracht om mij van zijn onschuld te overtuigen.

Toen hij al een tijdje aan het werk was, en ik kijkje nemen ging,
vroeg ik hem of het goed ging, waarop hij antwoordde van niet.
Er van uit gaande dat hij bedoelde dat het betegelen moeilijk ging, vroeg ik wat er dan tegenzat, waarop hij haast in huilen uitbarstte.
‘Ik doe zo mijn best en het eerste wat u tegen me zegt is dat ik uw slot kapot gemaakt heb’

Dit was voor mij een mooie oefening in de schuldvrije ruimte.

Omdat ik zelf dacht in mijn recht te staan had ik mijn klusjesman schuld opgelegd.
Of dat terecht of onterecht was is niet belangrijk, de schuld maakte dat hij zich klein ging voelen ten opzichte van mij, waarom hij op zijn beurt mij weer beschuldigde van dat hij niet meer met plezier zijn werk kon doen.

Ik zag voor mijn ogen hoe fnuikend en gemeen schuld is.
Het maakt inderdaad ziek!
Wouter deed zó zijn best, en ik reageerde mijn stress op hem af.
Terwijl ik graag wilde dat hij mijn douche zo snel en netjes mogelijk klaar maakte, werd ik met mijn schuldig wijzend vingertje zelf de belemmering daarvoor.

Toen ik hem zei dat hij het goed deed, ik erg blij met hem ben, hij een toppertje is en niet meer dan zijn best hoefde te doen leefde hij weer op.
Het gevolg was dat hij meer dan zijn bedoeling die dag, alle drie de muren betegeld heeft.
Hij vond het fijn zich uit te sloven voor mij…

Wat mezelf weer leerde dat de ander omhoog tillen voor beide kanten prettiger en produktiever sfeer geeft.
Tenslotte is er ook helemaal geen schuld, dus waar hebben we het over!
Zelfs voor dit soort ogenschijnlijk kleine voorvalletjes geldt:

‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.’
‭‭Romeinen‬ ‭8:1‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/rom.8.1.nbg51

Dit houdt niet alleen het ontvangen van vrijspraak in, het feestje in de schuldvrije ruimte wordt pas compleet wanneer we het ‘niet schuldig’ ruimschoots om ons heen uit gaan delen.
Vier je mee?