Ds. J.Catsburg

Zevenentwintig weken zwanger van mijn tweede kindje wist ik dat er iets niet klopte.
Nog meer dan het weten, ik voelde het.
Op controle bij de huisarts werd me gezegd me niet zo druk te maken, waardoor ik weer enigszins gerustgesteld was.
Maar toch…

S’nachts kreeg ik weeën en werd met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
Eenmaal aangekomen in één van de onderzoekkamers kwam de gynaecoloog bij me waarna ze met zo’n toeter op mijn buik luisterde naar de hartslag van mijn kindje binnen in mij.
De woorden die ze toen sprak waren van een niet te bevatten kille waarheid, zoals de hakbijl van de guiotine die in vliegende vaart naar beneden suist en je hoofd van je romp snijdt, waarna het als een voetbal naar de lijn van buitenspel rolt.
“Oh, die vrucht is allang dood”

Verbijsterd over de snelheid waarmee mijn romp gescheiden was van mijn hoofd, lag ik als verlamd in het felverlichte ziekenhuiskamertje
Hoofd en romp als twee verschillende onderdelen uiteen gereten, ik kon niet meer denken.
Maar voelen des te meer, mijn eigen hart, dat tot voor kort in mijn lijf nog in stereo klopte, bonsde nu in mono ongenadig door.
Ik wilde wel dat dat ook gestopt was, tegelijk met dat van mijn ongeboren “vrucht”
Terwijl ik als verlamd in dat verschrikkelijk onpersoonlijke kamertje neergelegd werd, begon in mijn binnenste een strijd op leven en dood.
Mijn eigen hart dat het contact met mijn hoofd en het dode kind in mij verloren had, begon een stille kreet, een schreeuw van hoop en wanhoop, een hysterisch roepen en gillend krijsen.
” Nee nee nee, mijn kind is niet dood, mijn kind leeft”
” Vrucht? Mijn kind! Ik heb geen ananas of een meloen in mijn buik, mijn kind…!”
Stom en mijn keel dichtgeknepen van angst over wat komen ging, groeide van binnen een muur van verzet en bescherming om mijn eigen kloppend hart en om het stilgelegde hart van mijn dode kind.
Alsof ik mijn armen om mezelf en mijn baby heensloeg, om hen voor de harde werkelijkheid te beschermen.
De werkelijkheid van de dood, die onbarmhartig en zonder enige vorm van genade binnenin mij toegeslagen had.
Me zelf als levende moeder scheidend van mijn levenloze kind.
“Een dode vrucht”

Of ik wilde of niet, de natuurwetten deden hun werk, mijn kind moest eruit, zodat ik zelf verder leven kon…
Terwijl ik het beschermen wilde voor de naaktheid van het lawaai en de felle lampen om me heen, voltrok zich toch geruisloos het geboorte proces.
En hoe stil werd het toen.
Oorverdovend stil…
Mijn zoontje hield zijn oogjes met de rossige wimpertjes stijf dicht.
Zijn mondje ging niet huilen, omdat zijn longetjes geen seintje kregen zich te ontplooien.
Als een slappe pop lag hij in de handen van de arts, die mijn kind een vrucht noemde.
Als een slappe pop lag ik ook zelf, schijnbaar zonder enige emotie, in mijn binnenste te schreeuwen.
” Ga huilen, ga huilen”
Mijn zoon hield zijn lippen op elkaar, en ik ook.
Met mijn ogen keek ik, maar weigerde te zien wat ik zag.


Terwijl mijn lijf deed wat het doen moest, en dat wat niet meer leefde uitdreef, ging in mijzelf ook iets dood.
De schreeuw van pijn, verdriet, verbijstering en wanhoop werd omsingeld door een leger van zelfbescherming, dat daarna zijn eigen wetten bepaalde.
De poort werd gesloten om jaren later open te barsten.
Als een vulkaan, waar aan de buitenkant niets te zien is, maar waar in het binnenste langzaam alles tot een kookpunt komt, om daarna zijn lava in een geweldsexplosie vrij te geven, zo barstte jaren later de bom.
Door de opsluiting enorme schade in mijzelf gemaakt, beschadigde het daarna ongewild wie ik lief had.
De omgevingsdruk, niet meer te praten over mijn doodgeboren kind, heeft zowel in mezelf als in de omgeving wonden nagelaten.
Zwijgen maakte dat ik zelf, zowel als de omgeving een masker droeg.
Hoe bevrijdend en helend is het daar samen achter te komen en gezamenlijk de maskers af te gooien!

De dag na de geboorte vroeg ik aan de arts waar mijn kind was.
Niemand sprak verder over het vervolg, terwijl ik mijn zoontje begraven wilde.
” Gaat u er dan ook een zerkje op zetten?” vroeg ze verbaasd…

Ondertussen was mijn lijf moeder geworden en gaf melk.
Alles deed het gewoon, zoals het dat doet na een geboorte.
Met volle borsten en een lege buik, mijn handen bovenop de dekens lag ik verstild in mijn bed, terwijl ondertussen mijn zoontje begraven werd.

Daarna zou de dominee bij mij in het ziekenhuis komen.
Een bezoek dat ik nooit meer vergeten ben, omdat ook hij mij aanraakte en iets sprak…
Ds.J.Catsbug kwam naar me toe en legde zijn grote handen bovenop die van mij.
” Vrouwtje”
Dat was alles wat hij in die eerste ogenblikken zei, “Vrouwtje”

Het gebeurt maar zelden dat een enkel gebaar, een enkel woord, zoveel troost en medeleven uitdrukken, waarna verder praten alleen maar kapot maken wat daarnet uitgedeeld is.
Meer was op dat moment niet nodig.
Iemand raakte mijn verlamde handen die ik beschermend op mijn lege buik gelegd had aan en zag de wond binnen in mij.
Iemand keek in mijn ziel en peilde zonder dat ik de dikke poort open deed mijn verdriet en wanhoop.
Een diep mededogen doorboorde als een liefdespijl de dikke muur om met de punt binnen in de vesting trillend na te veren.

En deze pijl veert nog steeds na.
Omdat deze afgeschoten werd vanuit de hemel, rechtstreeks afkomstig uit het hart van God, de Vader van Jezus Christus de gekruisigde en opgestane Heer.

Wat wilde ik op die dag in het ziekenhuis dat die handen me nooit meer loslieten, dat ze daar voor altijd bleven liggen.
En dat zijn ze ook.
Omdat op dat moment ds.Catsburg Jezus was voor mij.
Zijn doorboorde handen hebben mij in zijn Vader al vanaf de schepping gedragen.
Mijn lege handen, moedeloos bovenop de deken van wanhoop, schuld en schaamte neergelegd, heeft Hij bedekt met zijn liefde.
In zijn kruisdood heeft Hij mijn schuld niet onder de deken geveegd, maar in zich zelf opgenomen om er daarna zelf in te stikken.
Als in een baarmoeder werd Hij in het graf gelegd, een dode zoon.
Maar Halleluja, Hij stond op uit de dood waardoor in mijn binnenste een nieuw leven werd geboren.
De dood is teniet gedaan, Hij leeft!
Hij leeft in mij!

Wat kan ik me verheugen op het weerzien met Marlon, mijn zoon, die leeft bij Vader in de hemel.
Daar mijn tranen te huilen waarna Vader mijn ogen droog dept, en ik mijn zoon ontmoeten zal omdat deze Vader zíjn Zoon gaf als betaling voor en ontmaskering van het kwaad.
In Hem leven en bewegen wij.
Jezus…

Opgedragen aan ds.J.Catsburg.
9 mei 1984 op 55 jarige leeftijd te Garderen overleden.