Verbod op wc-tikken

Een paar weken nadat we in de kerk herdachten dat Luther zijn 95 stellingen schreef en die aan de deur van de Slotkapel in Wittenberg spijkerde, hing er in onze flat ook een pamflet.
Met kordate woeste letters werd ons het volgende meegedeeld;

Wc-tikker
Wil degene die iedere morgen op de wc staat te tikken daarmee stoppen?
Het is door de hele flat te horen!

Ik kan het niet helpen dat ik onbedaarlijk moet lachen om dit wc-tikverbod.
In mijn hoofd draait zich vervolgens het volgende filmpje af.

Eerste bedrijf, Flat A

Omdat hij ervan baalt iedere morgen gewekt te worden door een niet te stoppen innerlijk proces heeft de bewoner van deze flat gisteravond zo weinig mogelijk gegeten.
Toch komt hij er ook deze dag niet onderuit, zonder genade dringt de aandrang hem vlak voor de klok 4 uur wijst klaarwakker, waarop de niet voor de Big Bang onderdoende, door heel de flat galmende Bim Bam van zijn buurman bevestigd: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
Een vergeefse poging zich nog even om te kunnen draaien mislukt ook deze vroege morgen jammerlijk; dwingend als de toeter van de stadsomroeper, roept zijn knorrend binnenste ook deze dag om verlossing van haar last.
Alsof de wind zelf hem op de hielen zit eindigt zijn uitslaappoging in een met dicht geknepen billen sprintje naar de pot alwaar zijn binnenste zich zuchtend van genot ontlast van de overblijfselen van de gisteren genuttigde maaltijd.
Eer zijn ecologisch kunstwerk haar zwanenzang door de grijze afvoerbuizen van het riool aanvangt, werpt hij nog een trotse blik naar het torentje in de porseleinen pot.
Wanneer hij een forse ruk aan het touwtje van de stortbak geeft voelt de producent van het in de diepte verdwijnend werkstuk zich oppermachtig, als is hij hoofdpersoonlijk eigenaar van de Niagara-watervallen.
Maar dan; verdorie, het zo vernuftig in elkaar gedraaid vormsel heeft toch nog wat sporen nagelaten op het wit van de porseleinen pot…
Geen nood, daar heeft onze flatbewoner de volgende meest lumineuze uitvinding voor aangeschaft: de wc-borstel!
En juist daar begint het gedonder in de glazen, of liever gezegd, het wc-tikken…
Na de noodzakelijke rondgang van de borstel kan deze namelijk niet maar zo plassend weer in zijn houder gezet worden, waarom mijn medeflatbewoner hem droog tikt op de rand van zijn net gereinigd toilet.
Opgelucht dat dit klusje ook weer geklaard is kruipt hij nog even lekker onder de wol…

Tweede bedrijf, Flat B

Net als bovengenoemde flatbewoner is een van de andere medeflatbewoners gisteravond ook naar bed gegaan.
Hij hoopt net als zijn buurman eens een keertje uit te kunnen slapen, maar weet nu al dat dat ijdele hoop is.
Iedere morgen wordt hij namelijk gewekt door een wc-tikker, een medebewoner die na toiletbezoek steevast de wc-borstel droog tikt op het randje van de wc-pot.
De groeiende ergernis hierover houdt hem al bij voorbaat uit de slaap, waarom hij ieder uur aftelt.
Het is zo langzamerhand een gewoonte geworden, dat nog eer zijn klok met een niet voor de Big Bang onderdoende Bim Bam 4 uur slaat, hij allang van tevoren weet: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
En inderdaad, als een selffulfillig prophecy hoort hij even later de hamerslag van het wc-tikken door de flat galmen.
Gefrustreerd en zijn emoties tot het kookpunt opgezweept draait en woelt deze flatbewoner zich een slag in de rondte, totdat de lakens hem als in een kunstig en vernuftig gevormde cocon gevangen houden.
Plotseling begint zijn binnenste aan te dringen op toiletbezoek, maar mijn hemel, hoe bevrijdt hij zich op tijd uit zijn eigen gedraaide dwangbuis?
Te laat, het kwaad is al geschiedt…
Als de baby van vroeger, tot aan zijn nek zijn luiertje vol gepoept zoekt zijn woede zich een uitweg uit deze door de wc-tikker veroorzaakte vernedering.
Wanneer hij even later bevrijdt en schoongeborsteld als het wit van porselein, de wasmachine vult met vuile was, weet hij opeens wat hij doen moet; net als Maarten Luther gaat ook hij een pamflet opstellen.
Een toilet-hervormings plan voor wc-tikkers!
En zo kan het gebeuren dan deze medeflatbewoner driftig tikkend zijn al eerdergenoemd pamflet fabriceert en dit nog dezelfde dag aan het prikbord hamert.

Is het daarmee afgelopen, mijn beste lezers?
Welnee, er volgt nog een clifhanger.

Derde bedrijf, Flat C

Een medebewoonster van desbetreffend flatgebouw kan het niet helpen dat ze verleidt door het verbod op wc-tikken iedere morgen een deuntje tikt op haar eigen mooie porseleinen plee’tje.
Grinnikend vraagt ze zich af: ’vroeger leefde ik zonder een wet op het wc-tikken. Maar toen ik die wet leerde kennen ontdekte ik dat wc-tikken een zonde is.
Zonder die wet had ik nog nooit wc-getikt, maar nu roept die wet de begeerte in mij op tot wc-tikken…
Mijn doen en laten zijn voor mezelf een raadsel, want ik doe niet wat ik graag wil, nee, ik doe waar ik een hekel aan heb.
Ik doe dus wat ik niet wil en daaruit blijkt dat ik het eens ben met de wc-tik wet.
In mijn diepste wezen wil ik helemaal niet wc-tikken maar ik zie dat mijn doen en laten daarmee volledig in tegenspraak is.
Wat ben ik er ellendig aan toe!
Wie verlost mij van deze wc-tik-tic?

Zussenhaat

We springen plonzend overboord hand in hand
we spetteren en spatten
totdat een kwaaie lust haar uitgenodigd overmand.

In t ruime sop is ruimte toch te klein
mijn zusje pakt me beet
wat doet ze nu, is dit soms gein?

Ze duwt en trekt totdat ik slap en willoos
van boven water of van onder
mijn leven als een film voorbij in t’felle kleurenwonder

Wie redt mij uit haar klauw, wie ziet de boze drift
de donkere wil en duistere zwarte plannen
in welke hand de pen die in haar hart haat heeft gegrift.

Ze wil me dood, die blinde haat
het is mijn eigen zus
die lachend mij verdrinkt en t’bloed verraad

Het doet zeer, dat stuk ijzer in mijn lijf.

Het is nu drie weken na de operatie en ik ben moedeloos.
Het lijkt alsof mijn angst voor het niet slagen van de operatie steeds meer waarheid wordt.
Nadat ik 8 jaar geleden mijn eerste heupprothese kreeg, en deze ingreep mislukte, waarna een tweede (revisie) operatie volgde, ging ik anders deze derde operatie in.
Wat als het nu weer mis ging?
Dan kan iemand anders me proberen op te beuren, mooie woorden spreken, ik moest het zelf ondergaan.
Omdat ik erg veel pijn had, en mijn versleten heup mijn leven behoorlijk beperkte, had ik geen andere keus dan me weer te laten opereren.
Erop vertrouwend dat het nu wel goed zou gaan, omgeven door een muur van gebed, op 4 october ging ik onder het mes.
Een dag later ging ik met ontslag, terwijl ik ren uurtje eerder steeds meer pijn kreeg.
En dat is nog steeds zo.
Het is sinds vorige week donderdag wel iets minder geworden, maar niet over.

Juist deze operatie is meest succesvol omdat de pijn van voor de operatie meteen weg is, als het goed gaat.
Ik ben moedeloos, bang, en heb veel pijn.

De foto’s laten geen afwijking zien, maar vanbinnen voelt het voor mij niet oké.
Het is een echo uit acht jaar geleden.

Het is erg fijn een mooi blog te schrijven om te bemoedigen of op te vrolijkten, en dat doet het mezelf ook, maar vandaag zit ik er wel een beetje doorheen.
Vandaar dit minder leuke blog.

Ik hoop dat ik me over een tijdje afvraag waar ik me zo druk om maakte, dat ik gewoon weer lopen kan, en mijn rondjes fietsen kan.

Genacht…

En ik leefde nog lang en gelukkig…

Afgelopen week zat ik aan het Oegstgeester kanaal te genieten in de stralen van het zomerzonnetje in de herfst.
Ik waande me midden in een schilderij van Monet.
De glinstering op het vriendelijk kabbelend water, de in herfsttooi gestoken bomen weerspiegelend, en af en toe een voorbijvarend bootje, ik genoot.

(Alhoewel, wanneer zo’n bootje vol blije mensen voorbij vaart kan ik ook stikjaloers zijn…)

Om de hoek zwemmend kwamen papa en mama zwaan me hun puberkroost showen.
Fier en koninklijk, hun veren wit als sneeuw, omringden ze trappelend van trots hun nog donzig grijs nageslacht.
De broertjes en zusjes, zich van geen door sprookjesschrijver Hans Christian Andersens’ bedachte lelijkheid bewust, lieten zich gewillig meevoeren, in het spel van zien en gezien worden.
Het volgende sprookje speelde zich letterlijk af:

“Kijk Zwaantje” zegt papa zwaan, “zie je die mevrouw daar op dat bankje?”
” Waar, waar, Gijs? Ik zie zoveel bankjes en zoveel vrouwen.”
snatert mama.
Papa foetert wat en brengt zijn gezin dichterbij.
“Die mevrouw, kijk die met dat wagentje op wieltjes.
Kom we gaan haar ons kroost voorstellen”
Als de familie van Trapp zwemmen de kinderen in het gelid, van het eerst uit het ei gekropen jong tot de laatste, die daarbij wat geholpen moest worden en daardoor met de helm op geboren is.
” Nou vertel maar hoe jullie heten” zegt papa Gijs.
De oudste kijkt me brutaal aan, die is duidelijk niet van plan iets weg te geven voor hij zelf iets gekregen heeft.
” Eerst jij zeggen”
Hahaha, ik schater het uit.
” Trientjen heet ik, Trientjen”
Meteen ontstaat in de von Trapp opstelling enige reuring daar het jongste lid van de familie opgewonden met haar vleugels op het hoogopspattend water begint te klappen en vrolijk, en duidelijk voor haar beurt roept: “ik ook, ik ook!
Ik heet ook Trientjen”
Nou, wat een toevalligheid.
Ik voel meteen een lijntje naar mijn naamsgenoot, en zou haar wel even op willen pakken om te knuffelen en kusjes te geven.
Vader zwaan hersteld snel de orde,
waarbij moeder zwaan hem gemoedelijk in zijn oor toefluisterd “ach Gijs, het zijn toch nog maar kinderen.
Laat ze een beetje…”
Vertederd knikt ze naar mij en haar eigen kleine Trientjen.
In goede orde, stelt het jonge grut zich vervolgens aan me voor.
Arie, Truus, Robert, Monique en Trientjen!

Trientjen popelt om me nog wat te vragen ze ik.
” Wil je nog iets van me weten Trientjen?”
” Ja, waarom heb je zo’n wagentje op wielen?”
Ik vertel haar dat ik pas geopereerd ben en dat dat een rollator is.
” Die helpt me om niet te vallen, want mijn been doet een beetje zeer”
“Oh, doe jij dan niet ook fladderen met je pootjes” vraagt ze.
Ik gier het uit, terwijl haar broertje en zusje haar uitlachen,” gekkie, mensen hebben geen fladderpoten net als wij”
Trientjen is nog niet tevreden, ” wil je het niet een keertje proberen, net als ons te fladderen?
Dan zal zal het je wel leren”

“Weet je wat” denk ik, “wat kan het mij schelen, ik doe het!”
Mijn rollator achterlatend laat ik me voorzichtig in het water glijden.
De hele familie toetert van plezier, Trientjen mijn naamsgenoot het meest uitgelaten van allen.
Voorzichtig begin ik ook te fladderen en zowaar, als een zwaan fier rechtop als de andere zwanen, ontdek ik een nieuwe wereld.
Gijs zwaan klopt me bemoedigend met zijn vleugels op de schouders terwijl Zwaantje haar kroost tegen houdt me niet allemaal van dolle pret te bespringen.
Het fladderen gaat me steeds beter af waardoor ik me opeens een ander mens voel.
Mijn naamsgenootje wijkt niet van mijn zij, en snatert het uit in een lange stroom van uitgelaten blijheid en verwantschap.
” Ben je nu mij nieuwe tante” vraagt ze.
” Weet je wat, ik ben je Bessien, mag dat?”
“Bessien? Wat is dat dan?”
” Dat is een Urks woord voor Oma, daar ben ik geboren, leuk hè?”
“Mama mama, ik heb een Bessien!
Bessien Trientjen ” gilt ze luid kirrend naar Zwaantje.
Truus en Monique vragen bedremneld of ik dan ook hún Bessien wil zijn.
” Ja natuurlijk, ik ben ook jullie Bessien.Van jullie allemaal”
“Mogen we je een kusje geven?” vraagt Truus verlegen.
Wat maak ik wat mee, onder luid gespetter zoenen en knuffelen we elkaar verbaasd toegelachen door de zon, die toch al wat in de war is.
” Het moet niet gekker worden” zegt ze.”Het komt vast door mij deze vrolijkheid.
Ik kan er ook geen genoeg van krijgen jullie te kussen met mijn warmte”
Gekoesterd door zon en water, glijdt ik sierlijk verder, in de cadans van mijn nieuwe familie.

Nou, lieve mensen, als jullie me missen, zoek me in het Oegstgeester Kanaal.
Daar fladder ik voortaan tussen de familie Zwaan.
Nog lang en gelukkig…

Ik heb het op mijn heupen.

Vanmiddag was ik in het ziekenhuis voor een paar pré-operatieve afspraken I.v.m. een heupoperatie .

Wat gebeurt er dan ondertussen veel in mijn hoofd, ziel, gedachten.
Soms is er niet meer nodig dan een gebaar, geur, woordje, herinneringen die ik liever vergeet, om me soms als een kleine rimpeling, soms als een golf te overspoelen.
Er helpt geen lieve moedertje aan, het gebeurt, omdat het nu eenmaal een deel van mijn leven is.
De dingen niet meer te voelen zou voor mij betekenen dat ik mijn eigen bestaan in de geschiedenis ontken.

Ik zit dus in de wachtkamer, alleen.
Dat is een bewuste keuze geweest, alleen verder te gaan, en dat zou ik weer doen.
Maar wat is op dat moment alleen, dan ook erg alleen…
Terwijl ik me bedenken kan dat ik ook niet meer met degene in het ziekenhuis zou willen zijn die geschiedenis voor me is geworden.
En dat is het nou net; geschiedenis wis je niet maar zo even uit, het is deel van mij, ik ben er zelf deel van.

Dus begint de film zich in flarden af te spelen.
Terwijl ik mijn gedachten bij de gesprekken moet houden, dringen zich in mijn herinnering beelden op waar ik liever niet meer aan denk.

Een man die aan het voeteneind van mijn ziekenhuisbed zit, om vooral een vreemde voor me te blijven en geniet van mijn radeloosheid en smeken dichterbij te komen.
” Wie ben jij nou eigenlijk” de steeds terugkerende vraag…

Plop Plop Plop
De ene na de andere herinnering komt naar boven alsof het gordijn van het toneel open en dicht schuift met steeds een ander dramatisch tafereel.
Het ene nog schokkender dan het andere.
De eenzaamheid in het niet gehoord worden in een huwelijk en in het pastoraat van de kerk valt op dat moment als een verstikkende deken over me heen.

“Wie zou me nu geloven?” ook zo’n vraag die ik me vaak stel, en waar ik maar liever het antwoord niet op weten wil.
Omdat ik bang ben voor dat antwoord.
Vorige week zei iemand in mijn kerk van nu tegen me; ” iedereen is voor zichzelf verantwoordelijk”
Het klinkt mij in de oren als :” ben ik mijn broeders hoeder?” en berooft me van een illusie, waar ik zo graag zelf in geloof, nl. dat we in de gemeente voor elkaar verantwoordelijk zijn in de verbondenheid van het kruis.

De afgelopen dagen is het me al vele keren gezegd; hoe gelukkig ik me nu moet voelen nu ik geopereerd word.
Iedereen kent wel één of meerdere mensen met een succesverhaal en die daarom zó blij waren na de operatie!

Heeft deze opmerking ook een beetje te maken met hoe fijn het is dat het ziekenhuis verantwoordelijk is voor mijn genezing en u/jij daarom aan de zijlijn kunt blijven staan?
Dat zijn vragen die me bezig houden omdat. wanneer er geen ruimte voor het verhaal vol trauma’s is, het me, zo ervaar ik het, tevens zo alleen laat.

(Laat ik voorop stellen, ja, ik ben dankbaar voor het ziekenhuis en de chirurg die het ziet zitten me te opereren!)

Het woelt nogal in mijn binnenste.
In situaties als deze is alleen erg alleen.
En besef ik weer des te meer dat pijn van eenzaamheid vooral de pijn is van heimwee naar het volmaakte.
Heimwee naar Hem, mijn bruidegom,heimwee naar de enige troost in leven en sterven.
Degene die mij dezelfde vraag stelt als aan de Emmaüs gangers:
” Wat dan?”
Jezus!

Boom doet Leven!

Boom doet Leven!

Majesteit, dat is wat ik uit straal.
Fris groene blaadjes vol glans en glorie sieren mijn dikke stevige takken.
Mijn kruin reikt naar de hemel en lijkt mee te draaien met de zon, mijn kracht.
Die heerlijke lichtbron geeft me energie en hoop.

Aan één van mijn takken hangt een schommel; 2 dikke touwen met een zitplankje.
Omdat mijn wijd verbreide armen zich hoog verheffen kan de schommel eindeloos zwieren, waardoor jong en oud plezier hebben van dit ogenschijnlijk eenvoudige pret-atribuut.
Kindjes, aangezwengeld door de grote mensen kirren van plezier.
” nog een keer papa. Hoger, hoger, nog hoger.”
Totdat papa zijn verlangen weer kind te zijn niet langer negeert, en zichzelf vaart geeft op het houten plankje aan de ruige vissers lijnen.
Hoger, hoger, nog hoger!

Dromend zo de hemel in te schieten geniet een mijmerend omaatje van het heen en weer, heen en weer…een zoete glimlach op haar gezicht, verwijzend naar vroeger, toen ze jong en verliefd was.

Vogels van allerlei pluimage nestelen zich in mijn takken en doen zich te goed aan de vruchten in mijn top.
In de winter, bij het eerste ochtendgloren fluit het winterkoninkje een aankondiging van de lente.
De in de herfst begraven voorjaarsbolletjes laten zich door zijn zang verleiden tot bloei, en sieren uitbundig het daarvoor nog saaie gazon.
Narcissen die de komst van nieuw leven rondbazuinen, tulpen met hun fiere stelen hoger en hoger naar de hemel bloeiend.
En zie je daar het kind dat ondanks de waarschuwingen van juf, de kleine mollige armpjes vol plukt voor de liefste mama?
Knak zegt de steel, knak, ik heb je.

De merels zingen in mei hun liefdes lied verrukt over hun piepend en hongerige jonge grut, net bevrijd uit het ei.
Tot groot plezier van de eenzame bewoners van het verzorgingstehuis aan de overkant, vliegt vadermerel af en aan, zijn snavel gevuld met wormen die als dikke palingen uit het IJsselmeer verheugd verorbert worden in het nest.

Onder mijn boom vindt een jonge vrouw, bont en blauw gebutst, net op tijd gevlucht uit een gewelddadige relatie, een plek om uit te huilen.
Ik hoor haar smartelijk gierende uithalen en laat voorzichtig één van mijn takken zakken.
Vlak voor haar in wanhoop gesloten tot vuisten gebalde handen, laat ik een zoet geurende sappige vrucht, bungelen.
Zou ze het zien?
“Open je betraande ogen, lieve jonge vrouw, eet mijn vrucht der vertroosting, ja, toe maar, eet!”
Voorzichtig proevend van elk partje, zie ik haar nieuwe moed opkomen als een sneeuwklokje, dat teer en fragiel, maar oh zo krachtig, de koude bevroren grond overleeft heeft en nu des te krachtiger haar witte belletjes laat klingelen.

En daar komt de vermoeide onzichtbare man met zijn koffertje vol niet belangrijke grafieken, berekeningen en tabellen.
Opgejaagd door de moderne tijd, de hoop eens belangrijk en werknemer van het jaar te zijn, als een kaars uitgeblazen door zijn hippe werkgever, die maar één belang heeft, zijn eigen allernieuwste Jaguar.
Moedeloos laat hij zich in het gras onder mijn takken vallen, waarbij zijn koffer vol gewichtloze caches open valt.
Een windvlaag neemt de papieren mee in de lucht, waar ze veranderen in witte wensballonnen, en de zinloosheid verbranden tot as.
Smullend van mijn vruchten waar hij maar geen genoeg van krijgt, komt de onzichtbare man uit zijn schulp, waarbij zijn hart plotseling barst van nieuwe ideeën.
Eindelijk heeft hij de moed zijn eigen dromen te verwezenlijken.

De moegestreden dominee gooit alle frustratie en verloren geestdrift in een wilde noodkreet aan mijn voeten.
Hoe komt het toch dat de fontein in zijn binnenste de muur in zijn gemeente maar niet bereikt?
Hij voelt zich een kleine jongen met een waterpistool, krachtig genoeg om iedereen nat te spuiten en aan te steken tot een vrolijk waterballet.
Maar waarom duikt de gemeente weg, zodra hij spelen wil?
Het heldere water van de beek, waaruit ik drink, doet hem zomaar zijn Jezus sandalen uitgooien en de sokken van zijn voeten trekken.
Aaaah…wat een genot, pootje baden zoals vroeger aan de hand van opa.
“Vertrouw op de bron mijn jongen, vertrouw op de bron”
Hij hoort het opa zeggen…
In een flits begrijpt hij het, zijn waterpistool is geen middel om het vuil aan te wijzen, maar een kracht om het Vaderhart te laten zien.
De muren in zijn eigen hart zijn omgevallen zodat elk hoekje open en bloot ligt, en zo moet het zijn!
“Goedzo mijn jongen,goedzo” klinkt het warm en zachtmoedig in het kwetsbare hart.

Zo sta ik tot eer van mijn Schepper koninklijk midden in het park.
Ik ben trots dat ik hier sta, eens een piepklein zaadje, meegenomen door een warme windvlaag die mij hier, in het midden een plek gaf, vlakbij de klaterende beek.
Mijn wijd verbreide wortels, zich onzichtbaar onder de grond vertakkend, verzadigen zich met het water dat mij leven geeft.
Dat is de oorzaak van mijn majesteit en mijn glorie; de beek waaruit ik drinken mag en de zon waarnaar ik mijn takken draai, zodat mijn vruchten glans geven in het leven van ieder die zich eraan tegoed wil doen.

Kom je ook in mijn schaduw schuilen, zoals een kuikentje onder de vleugels van mama-kip?
Kom je ook rusten in mijn belofte van het land van melk en honing?
Kom, leg je neer:
Enjoy my fruits of Happyness…

Kdengkdeng,kdengkdeng.

Stel dat Jezus een trein is, en alle gebeurtenissen in je leven een tussenstation.
Op het CS heb je een keus, instappen of op het station blijven hangen.
Er kunnen allerlei bezwaren in je hoofd zijn, Jezus met zijn offer…wat moet jij ermee.
Of,je zult wel niet goed genoeg zijn…

Of je doet een sprong in het diepe, baadt het niet, schaadt het niet…
Omdat Hij een gentleman is dwingt Hij niet,je moet niet,je mag.

Ingestapt kun je je druk maken of je het einddoel wel haalt
In het reisschema staan allerlei tussenstops vermeld, pauzes waarin passagiers in en uit kunnen stappen.
Op die tussenstations werken verschillende Conducteurs.
Ze hebben allemaal dezelfde achternaam: “Omstandigheden”.De Conducteur op de eerste tussenstop laat je twijfelen aan de geldigheid van je kaartje.
Stel dat…
Je vergeet haast het einddoel,en wilt het liefst uitstappen en je kaartje thuis controleren.
Gelukkig roept Jezus door de microfoon:”Goedemiddag, dames en heren , de kaartjes zijn in orde en Al-inclusieve.
Wanneer de catering langs komt mag je vrij zoet en hartig eten, wat je maar wilt.”
“Tja, wat zou nou waar zijn?”
Achterdochtig bestel je toch maar een Van Dobben kroket,zo’n lekkere dikke romige Rundvleesragout hap.
Als het niet klopt kun je altijd nog zelf betalen…
Maar gelukkig,Jezus heeft de waarheid gesproken…
Verdorie,spijt dat je niet ook een vruchtensallade en koffie besteld hebt.

Bij de volgende tussenstop verleidt Conducteur Omstandigheid je je om vanwege je ziekte uit te stappen, en zo het einddoel te missen.
De pijn in je benen is soms zo ondraaglijk dat je begint te twijfelen of het nog wel zin heeft, je tripje.
Maar door de microfoon klinkt het: “Goedemiddag dames en heren,omdat je ticket All-inclusive is hoeft niemand zich zorgen te maken over zijn gezondheid.
Mijn striemen hebben jou genezing gebracht, geloof je dat?
Dan mag je naar voren komen om de ziekenzalving te ontvangen.”

Tja…ziekte zal toch wel een doel hebben?
Iemand op een ander station heeft je verteld dat God je vast wat leren wil…
Omdat dat wel lekker voelt,een nederige houding in je ziekte aanvaarden, wordt je zelfvoldaanheid gestreeld.

Totdat de andere kreupelen en blinden in jou coupe, genezen van hun kwalen uitgelaten feest gaan vieren.
Wat stom van jezelf!
Daar zit je met je zere botten wat niet gehoeven had.
Snel neem je een Tramadol in,en smeekt of de pil je wat verlichting mag geven.
Om Jezus wil,natuurlijk…

Aangekomen op het volgende tussenstation roept Conducteur Omstandigheid om, dat de wisselkoers van je vakantiegeld verandert is.
Je geld is niets meer waard!
Wooouw…je geld, het meest tricky deel van je eigen verantwoordelijkheid.
Je kunt hier nog uitstappen natuurlijk, en dan maar genoegen nemen met een mindere kostbare vakantie te gaan vieren

Maar de microfoon van de trein roept “Goedemiddag dames en heren,in het gedeelte van de trein waar je in en uit kunt stappen staat een flappentapper, je bent daar vrij een bedrag te pinnen zo veel als je wilt.De code is 777”

Sjonge…
Je besluit toch maar niet al te begerig en hebberig over te komen
Huiverig pin je de code waarna er een minimaal bedrag uitrolt.
Verbouwereerd tel je je centen,waarbij je je af vraagt waarom al die anderen dikke buidels briefgeld in hun koffers stoppen.

Omdat het vreselijk oneerlijk is stap je geërgerd naar de machinist, de stem achter de microfoon.
Hier wil je toch wel even duidelijkheid over!
Zijn die anderen soms beter dan jij?

De machinest legt uit dat je gekregen hebt wat je verwachtte,en vraagt je vriendelijk wat daar oneerlijk aan is.
Waarop je bedremmeld afdruipt naar je hut, om deze zaken eens goed te overdenken.

Of zou het zo zijn dat je je brein uit moet schakelen en je hart moet laten spreken?
Met ogen van je hart moet kijken?
Met oren van je hart moet luisteren?
Het is in ieder geval de moeite van het proberen waard…

De eerste mogelijkheid is morgenochtend het ontbijt, je gaat het erop wagen!

Ik zelf zit ook in de trein en zie deze beknepenheid met een verdrietig hart aan.
Wat gun ik alle passagiers een overvloedige reis, All-inclusieve.
Het is nl. betaald, overbetaald zelfs.
Op ieder station stap ik uit,om anderen aan te moedigen ook in te stappen.

Omdat ik zelf zo’n lol heb!

Ballerina

Op mijn spitzen draai ik mijn prachtige pirouettes en spring gracieus de hemel dichterbij.
De meest mooie zalen in theaters over de hele wereld hebben van mijn schoonheid en gratie genoten.
Ik danste in het Nederlands Dans Theater verschillende rollen, waarbij mijn favoriet altijd het Zwanenmeer van Tsjaikovski is geweest.

Het melodrama van de stervende zwaan bracht niet alleen het publiek in vervoering ,maar ontroerde ook mij, als prima ballerina, elke uitvoering opnieuw.

Vanaf klein meisje wilde ik al dansen.
Papa en mama namen me een keer mee naar het kinder ballet “de Notenkraker”
Meteen, bij het zien van de dansende meisjes wist ik het: dat wilde ik ook!
De ruisende tulen rokken en de spitzen die lichtvoetig de meest prachtige kunst ten toon spreiden, het betoverde me vanaf het begin.
Tot op de dag van vandaag heeft het nog steeds dezelfde uitwerking op mij.

Je zult mijn naam op allerlei affiches hebben zien staan, zo beroemd ben ik geworden over heel deze aardbol.
En toch…het heeft me niet het geluk gebracht waarop ik hoopte.
De droom eens zó te dansen dat ik op de toppen van geluk dans, is haast vervlogen.

Haast…bijna.
Mijn van hunkering nog klein walmend vlaswiekje heeft nieuwe lucht toevoer gekregen.
Ik ben namelijk uitgenodigd voor een privé voorstelling in het paleis van de Koning.
Het raadselachtige is, hij heeft me verzocht te dansen als mezelf.
Geen beroemd stuk van een bekende componist en choreograaf, nee als mezelf!
Wat een wonderlijke vraag.
Ik heb er lang over nagedacht hoe dat dan te doen, maar ik ben er niet uit gekomen.
Vraag me naar al mijn rollen, en ik zal ze voor je dansen, maar hoe dans ik als mezelf?
Vanavond is dé avond en ik weet het nog steeds niet.
Mijn mooiste tutu is ingepakt en mijn nieuwe spitzen ingedanst, ik wacht op de taxi van het paleis.

Zojuist ben ik aangekomen in de prachtige hal van s’Konings woning.
Er hangt een serene sfeer van zuiver verlangen.
Een prachtige wenteltrap nodigt uit naar boven te rennen om daarna langs de bochten van de metershoge leuning naar beneden te roetsjen.
Zou ik het doen?
Ik kan de verleiding niet weerstaan, en omdat ik verwacht dat de Koning me nog niet ontvangen zal, ren ik opgewonden de met zachtblauw tapijt beklede treden op.
Boven aangekomen ga ik, als een amazone met de glanzend gepolijste leuning als paard tussen mijn benen, in een sierlijke glijbaantocht weer naar beneden.
Ik heb de smaak te pakken, ik doe het nog een keer.
Gillend van pret verlies ik alle voorzichtigheid en roetsj keer op keer naar beneden.
Ik ga zo op in dit plezier dat ik niet meer in de gaten heb dat ik in het paleis van de koning ben.

Nog één keer…
Net wanneer ik de landing naar beneden weer in wil zetten bemerk ik dat ik niet alleen ben.
In één van de deuropeningen zie ik de Koning geamuseerd naar me opkijken, wachtend op mijn reactie.
Aan zijn blik te zien, vermoed ik beschaamd dat hij daar al een tijdje staat.
Mijn van te voren keurig gekapte haren hangen in verwilderde slierten langs mijn hoofd, als lianen in de jungle, waaraan elk moment een bende krijsende apen zich van de ene naar de andere kant zal slingeren.

Lieve help, hier zit ik bezweet met mijn benen elk aan een kant bovenop de trapleuning van s’Konings paleis.
Wat nu?
Ik zal wel een belachelijke eerste indruk maken, een indruk die ik nooit meer over kan doen.
Nee, als prima ballerina heb ik nou niet de meest elegante houding uitgekozen om mijn Koning te ontmoeten.
Ik schaam me dood…
Hoe heb ik het in mijn hoofd gehaald me zo te laten gaan?
Ik, die nou juist de meest grazieuze buiging voor de Koning zou moeten kunnen maken…
Dit is desastreus, mijn hele carrière is naar de knoppen!

Maar dan begint mijn Koninklijke toeschouwer in zijn handen te klappen…
Hij is niet boos?
Met ogen waarin ik pretlichtjes zie fonkelen zoals ik nog nooit bij iemand anders zag, moedigt hij me aan mijn geplande roetsj in te zetten.
Verlegen doe ik dan maar wat de Koning van me verwacht en probeer er nu toch enige elegantie in mee te laten dalen, wat natuurlijk jammerlijk mislukt.

Beneden aangekomen zie ik een teleurgestelde blik op zijn gezicht.
“wil je het nog een keer doen zoals al die andere keren?” vraagt hij.
Lieve help, wat moet ik nu doen?
Oké het is de Koning, dus…
Hij ziet mijn aarzeling en schroom, “wanneer je het niet durft is het goed hoor, alleen zou je er mij zo’n plezier mee doen”

Nou vooruit, zijn zachte stem, zonder dwang trekt me over de streep.
Iets minder snel,toch nog iets verlegen loop ik de treden naar boven.
Daar aangekomen beklim ik de trapleuning en gooi alle schaamte overboord.
Luid gillend “joeghee” laat ik me glijden alsof ik een cowgirl ben die de onder aan de trap staande cowboy wil veroveren.
“Nog een keer?” joel ik brutaal, en sta al boven, waarna ik mijn zoveelste roetsj inzet.
De Koning giert het uit!
Nog een keer, en nog een keer…

Bezweet als een volleerd rodeo,mag ik even later in het geurende bad van de Koning bijkomen.
Ik trek voorzichtig mijn prachtige zuiverwitte tutu aan.
De rok van 7 lagen ruisend tule, en het zijden lijfje met de Swarovski bezette spaghettibandjes staan me prachtig.
Het beeld in de spiegel vertedert me zelf.
Ik vraag me geen moment meer af hoe ik als mezelf dansen moet.
Wanneer ik aankom in de prachtige balzaal wéét ik het gewoon.

Vol passie, luisterend naar mijn hart, dans ik een niet vooraf ingestudeerde dans voor mijn Koning.

Niet alsóf een witte roos, nee ik bén de roos!
Ik dans een witte roos…
Zíjn roos.
Ik dans als nooit te voren, en ervaar een ongekende vervulling.
Steels kijk ik naar mijn Koning en zie zoveel compassie op zijn gelaat.
Zonder gêne biggelen tranen van ontroering uit zijn koningsblauwe ogen langs de kuiltjes in zijn wangen.
Zijn tedere glimlach verovert mijn hart.

Mijn Koning, ik dans voor U,
Ik dans mezelf,
op de toppen van het geluk…
Ik ben Uw roos,
ik dans
een roos,
wit,
dans ik…

( opgedragen aan Hanneke Roth )

Een nieuw hartje.

Ik ben nog een klein meisje en lig in het gras,van de dijk aan het IJsselmeer,naar de hemel te staren.
Mijn hartje bonst in mijn lijf.
Als het lieflijk,maar tegelijkertijd dringend,kloppen op een deur.
Mijn hartje…mijn vader en moeder zeggen dat ik bidden moet om een nieuw hartje.
Want,wordt me ook door de dominee verteld,anders kom ik in de hel.
Ik weet al heel veel over de hel.
Het is een plek waar wening is en knersing der tanden.
Tot in eeuwigheid roepen en schreeuwen de mensen daar:”ach,had ik maar”
Waarna het antwoord steevast zal zijn:”te laat”
De duivel,heeft volgens de dominee,heel veel macht.
Hij gaat rond als een briesende leeuw om mij te verslinden.
De dominee zegt ook dat alle mensen het liefst naar die duivel luisteren in plaats van naar de Heere God.
Zoveel macht heeft hij!
En wanneer je dan dood gaat,kom je bij hem in de hel waar je nooit meer dood gaat.

In de kinderbijbel en in de kerk wordt me verteld dat ik uitverkoren moet zijn,om niet in dat eeuwig brandende vuur, maar in de hemel te komen.
Maar er zijn volgens de dominee,en mijn opa en opoe maar heel weinig uitverkoornen.
Daarom moet ik maar veel bidden om een nieuw hartje.
Mijn vader doet vaak voor hoe een dominee op de kansel stond te ruiken.
Daarna zei hij:”Ik ruik hellevlees…”
Dát zijn de goeie dominees…volgens mijn vader,en opa zegt dat ook.
Die vertellen je precies de waarheid!

De verhalen over de Heere God,(Heere met 2 e’s!)die erg boos op me is,vanwege mijn van nature zondige hartje,en over de Heere Jezus…(ook met 2 e’s),het is als het praten over iemand waar ik vreselijk bang voor moet zijn.
En al helemaal voor de Heilige Geest,want wanneer ik dáár eenmaal tegen gezondigd heb kom ik zeker in de hel.
Dan kan ik mijn vuisten blauw slaan en op mijn knietjes gaan tot het bot erdoor heen komt,maar daar is geen vergeving voor.
Nooit meer!
Nee ik begrijp zo langzamerhand wel dat ik niet moet denken dat ik de Heere Jezus in mijn broekzak heb.
Anders ga ik met een ingebeelde hemel toch nog naar de hel.
Op mijn sterfbed zal het misschíen nog goed komen,maar dat is echt een héél klein hoopje!

Zondag’s in de kerk wil ik graag eens gaan roepen dat ik wil weten Wie de Heere Jezus is.
Maar dat durf ik niet want je moet netjes zitten en stil zijn in het huis van de Heere God.

Af en toe staat er een tafel vooraan in de kerk.
Dan hebben we Heilig Avondmaal.
De dominee nodigt dan aan de tafel des Heeren de mensen uit om Wijn te drinken en brood te eten.
Maar daarvóór heeft hij in de preek gezegd dat wanneer je onwaardig eet en drinkt je jezelf een oordeel eet.
Daar heb je het weer,dan kom je in de hel.
Terwijl hij dus vraagt om op te staan en ook aan die tafel te gaan zitten,is het toch maar beter dat je,zoals veel mensen doen,snikkend blijft zitten.
Vóór me zitten ook altijd een paar vrouwen luid te snotteren.
Ik zie hun schokkende bewegingen en stiekem walg ik daarvan.

Voor mijn gevoel hangt er een zwaard boven die tafel dat je onmiddelijk doorklieft wanneer je onwaardig eet en drinkt.
Hetzefde als Annanias en Safira,die dood neervielen in de kerk omdat ze ook liever naar de duivel luisterden.

Het is jammer dat ik nog niet groot ben,want ik vind het ook best wel zielig voor de dominee.
Staat hij daar te smeken of er meer mensen komen,maar ik mag niet omdat ik nog te klein ben.
Terwijl er toch ook een mooie plaat in de kinderbijbel staat van de Heere Jezus met allemaal kindjes om zich heen.
Ze zitten zelfs bij Hem op schoot!
En op de plaat ziet Hij er erg vriendelijk en gelukkig uit.

Dat soort mijmeringen gaan er allemaal door mijn hartje,nu ik hier lig in het gras.

Mijn hartje…daar binnen in hoor ik een voortdurende fluistering.
Als het fladderen van de vleugeltjes van een baby duifje dat net uit het ei gekomen is.
Het fluistert dat het niet waar is wat ze me vertellen over de Heere God.
Dat het leugens zijn.
Het klinkt als het kabbelende water van het IJselmeer,dat in kleine golfjes breekt op de stenen onder aan de dijk.
In een eindeloze cadans,van breken en terug keren in het meer,om daarna weer in een lieflijke en tegelijkertijd onverzettelijke kabbeling de grens,die de dijk aangeeft,probeert op te rekken.
Het is alsof de bijbel open naast me ligt in het gras.
Een zacht windje doet het dunne papier ritselend de pagina’s omslaan.

Oh,wat voel ik een verlangen om de Heere Jezus te leren kennen!
Te wéten wie Hij is!
Gewoon bij Hem te horen!
Waarom moet ik eigenlijk bang zijn voor iemand die me nota bene zélf gemaakt heeft?
Nee,het kan ónmogelijk waar zijn wat me geleerd wordt over de Heere God.

Diep verborgen is er een wéten,dat Jezus(oh die naam,Jezus…)van me houdt.
Hij houdt van mij.
Ik ben speciaal voor Hem.
Al was ik de enige,dan was Hij nóg gekomen,om voor mijn zonden te sterven.
Diep in mijn binnenste besluit ik gewoon te geloven dat ik erbij hoor.
Ik wéét het,
ik gelóóf het.
Al ben ik nog zo klein…
Diep van binnen weet ik,alhoewel niemand het me verteld;Hij gelooft in mij,in Mij!

Er zingt een melodie in mijn hartje van een lied over bazuinen en een gouden stad.
Een stad waar de Heere Jezus Koning is.
Een lied over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar geen verdriet meer is.
Ik tuur naar de blauwe hemel op zoek naar een teken van Zijn komst.
Mijn hartje beeft van spanning en verlangen om de Heere Jezus op de wolken te zien verschijnen.
Jezus…Jezus…alleen al zijn naam doet mijn hartje opspringen in mijn lijf.
Ik droom over een stad met paarlen poorten en gouden straten.
Het Nieuwe Jeruzalem.
Stel dat Hij nu komt,de Heere Jezus.
Wat dan?
Nou,ze kunnen me wat…
Dan ga ik gewoon mee.
Wat ze me ook wijs maken…ik ga!
Ik ga mee met de Heere Jezus!
En ik wil vooraan staan zodat ik Hem goed kan zien!
Niemand houdt mij tegen…
Niemand!

Ik ben uitverkoren…