Zussenhaat

We springen plonzend overboord hand in hand
we spetteren en spatten
totdat een kwaaie lust haar uitgenodigd overmand.

In t ruime sop is ruimte toch te klein
mijn zusje pakt me beet
wat doet ze nu, is dit soms gein?

Ze duwt en trekt totdat ik slap en willoos
van boven water of van onder
mijn leven als een film voorbij in t’felle kleurenwonder

Wie redt mij uit haar klauw, wie ziet de boze drift
de donkere wil en duistere zwarte plannen
in welke hand de pen die in haar hart haat heeft gegrift.

Ze wil me dood, die blinde haat
het is mijn eigen zus
die lachend mij verdrinkt en t’bloed verraad

Het doet zeer, dat stuk ijzer in mijn lijf.

Het is nu drie weken na de operatie en ik ben moedeloos.
Het lijkt alsof mijn angst voor het niet slagen van de operatie steeds meer waarheid wordt.
Nadat ik 8 jaar geleden mijn eerste heupprothese kreeg, en deze ingreep mislukte, waarna een tweede (revisie) operatie volgde, ging ik anders deze derde operatie in.
Wat als het nu weer mis ging?
Dan kan iemand anders me proberen op te beuren, mooie woorden spreken, ik moest het zelf ondergaan.
Omdat ik erg veel pijn had, en mijn versleten heup mijn leven behoorlijk beperkte, had ik geen andere keus dan me weer te laten opereren.
Erop vertrouwend dat het nu wel goed zou gaan, omgeven door een muur van gebed, op 4 october ging ik onder het mes.
Een dag later ging ik met ontslag, terwijl ik ren uurtje eerder steeds meer pijn kreeg.
En dat is nog steeds zo.
Het is sinds vorige week donderdag wel iets minder geworden, maar niet over.

Juist deze operatie is meest succesvol omdat de pijn van voor de operatie meteen weg is, als het goed gaat.
Ik ben moedeloos, bang, en heb veel pijn.

De foto’s laten geen afwijking zien, maar vanbinnen voelt het voor mij niet oké.
Het is een echo uit acht jaar geleden.

Het is erg fijn een mooi blog te schrijven om te bemoedigen of op te vrolijkten, en dat doet het mezelf ook, maar vandaag zit ik er wel een beetje doorheen.
Vandaar dit minder leuke blog.

Ik hoop dat ik me over een tijdje afvraag waar ik me zo druk om maakte, dat ik gewoon weer lopen kan, en mijn rondjes fietsen kan.

Genacht…

En ik leefde nog lang en gelukkig…

Afgelopen week zat ik aan het Oegstgeester kanaal te genieten in de stralen van het zomerzonnetje in de herfst.
Ik waande me midden in een schilderij van Monet.
De glinstering op het vriendelijk kabbelend water, de in herfsttooi gestoken bomen weerspiegelend, en af en toe een voorbijvarend bootje, ik genoot.

(Alhoewel, wanneer zo’n bootje vol blije mensen voorbij vaart kan ik ook stikjaloers zijn…)

Om de hoek zwemmend kwamen papa en mama zwaan me hun puberkroost showen.
Fier en koninklijk, hun veren wit als sneeuw, omringden ze trappelend van trots hun nog donzig grijs nageslacht.
De broertjes en zusjes, zich van geen door sprookjesschrijver Hans Christian Andersens’ bedachte lelijkheid bewust, lieten zich gewillig meevoeren, in het spel van zien en gezien worden.
Het volgende sprookje speelde zich letterlijk af:

“Kijk Zwaantje” zegt papa zwaan, “zie je die mevrouw daar op dat bankje?”
” Waar, waar, Gijs? Ik zie zoveel bankjes en zoveel vrouwen.”
snatert mama.
Papa foetert wat en brengt zijn gezin dichterbij.
“Die mevrouw, kijk die met dat wagentje op wieltjes.
Kom we gaan haar ons kroost voorstellen”
Als de familie van Trapp zwemmen de kinderen in het gelid, van het eerst uit het ei gekropen jong tot de laatste, die daarbij wat geholpen moest worden en daardoor met de helm op geboren is.
” Nou vertel maar hoe jullie heten” zegt papa Gijs.
De oudste kijkt me brutaal aan, die is duidelijk niet van plan iets weg te geven voor hij zelf iets gekregen heeft.
” Eerst jij zeggen”
Hahaha, ik schater het uit.
” Trientjen heet ik, Trientjen”
Meteen ontstaat in de von Trapp opstelling enige reuring daar het jongste lid van de familie opgewonden met haar vleugels op het hoogopspattend water begint te klappen en vrolijk, en duidelijk voor haar beurt roept: “ik ook, ik ook!
Ik heet ook Trientjen”
Nou, wat een toevalligheid.
Ik voel meteen een lijntje naar mijn naamsgenoot, en zou haar wel even op willen pakken om te knuffelen en kusjes te geven.
Vader zwaan hersteld snel de orde,
waarbij moeder zwaan hem gemoedelijk in zijn oor toefluisterd “ach Gijs, het zijn toch nog maar kinderen.
Laat ze een beetje…”
Vertederd knikt ze naar mij en haar eigen kleine Trientjen.
In goede orde, stelt het jonge grut zich vervolgens aan me voor.
Arie, Truus, Robert, Monique en Trientjen!

Trientjen popelt om me nog wat te vragen ze ik.
” Wil je nog iets van me weten Trientjen?”
” Ja, waarom heb je zo’n wagentje op wielen?”
Ik vertel haar dat ik pas geopereerd ben en dat dat een rollator is.
” Die helpt me om niet te vallen, want mijn been doet een beetje zeer”
“Oh, doe jij dan niet ook fladderen met je pootjes” vraagt ze.
Ik gier het uit, terwijl haar broertje en zusje haar uitlachen,” gekkie, mensen hebben geen fladderpoten net als wij”
Trientjen is nog niet tevreden, ” wil je het niet een keertje proberen, net als ons te fladderen?
Dan zal zal het je wel leren”

“Weet je wat” denk ik, “wat kan het mij schelen, ik doe het!”
Mijn rollator achterlatend laat ik me voorzichtig in het water glijden.
De hele familie toetert van plezier, Trientjen mijn naamsgenoot het meest uitgelaten van allen.
Voorzichtig begin ik ook te fladderen en zowaar, als een zwaan fier rechtop als de andere zwanen, ontdek ik een nieuwe wereld.
Gijs zwaan klopt me bemoedigend met zijn vleugels op de schouders terwijl Zwaantje haar kroost tegen houdt me niet allemaal van dolle pret te bespringen.
Het fladderen gaat me steeds beter af waardoor ik me opeens een ander mens voel.
Mijn naamsgenootje wijkt niet van mijn zij, en snatert het uit in een lange stroom van uitgelaten blijheid en verwantschap.
” Ben je nu mij nieuwe tante” vraagt ze.
” Weet je wat, ik ben je Bessien, mag dat?”
“Bessien? Wat is dat dan?”
” Dat is een Urks woord voor Oma, daar ben ik geboren, leuk hè?”
“Mama mama, ik heb een Bessien!
Bessien Trientjen ” gilt ze luid kirrend naar Zwaantje.
Truus en Monique vragen bedremneld of ik dan ook hún Bessien wil zijn.
” Ja natuurlijk, ik ben ook jullie Bessien.Van jullie allemaal”
“Mogen we je een kusje geven?” vraagt Truus verlegen.
Wat maak ik wat mee, onder luid gespetter zoenen en knuffelen we elkaar verbaasd toegelachen door de zon, die toch al wat in de war is.
” Het moet niet gekker worden” zegt ze.”Het komt vast door mij deze vrolijkheid.
Ik kan er ook geen genoeg van krijgen jullie te kussen met mijn warmte”
Gekoesterd door zon en water, glijdt ik sierlijk verder, in de cadans van mijn nieuwe familie.

Nou, lieve mensen, als jullie me missen, zoek me in het Oegstgeester Kanaal.
Daar fladder ik voortaan tussen de familie Zwaan.
Nog lang en gelukkig…

Ik heb het op mijn heupen.

Vanmiddag was ik in het ziekenhuis voor een paar pré-operatieve afspraken I.v.m. een heupoperatie .

Wat gebeurt er dan ondertussen veel in mijn hoofd, ziel, gedachten.
Soms is er niet meer nodig dan een gebaar, geur, woordje, herinneringen die ik liever vergeet, om me soms als een kleine rimpeling, soms als een golf te overspoelen.
Er helpt geen lieve moedertje aan, het gebeurt, omdat het nu eenmaal een deel van mijn leven is.
De dingen niet meer te voelen zou voor mij betekenen dat ik mijn eigen bestaan in de geschiedenis ontken.

Ik zit dus in de wachtkamer, alleen.
Dat is een bewuste keuze geweest, alleen verder te gaan, en dat zou ik weer doen.
Maar wat is op dat moment alleen, dan ook erg alleen…
Terwijl ik me bedenken kan dat ik ook niet meer met degene in het ziekenhuis zou willen zijn die geschiedenis voor me is geworden.
En dat is het nou net; geschiedenis wis je niet maar zo even uit, het is deel van mij, ik ben er zelf deel van.

Dus begint de film zich in flarden af te spelen.
Terwijl ik mijn gedachten bij de gesprekken moet houden, dringen zich in mijn herinnering beelden op waar ik liever niet meer aan denk.

Een man die aan het voeteneind van mijn ziekenhuisbed zit, om vooral een vreemde voor me te blijven en geniet van mijn radeloosheid en smeken dichterbij te komen.
” Wie ben jij nou eigenlijk” de steeds terugkerende vraag…

Plop Plop Plop
De ene na de andere herinnering komt naar boven alsof het gordijn van het toneel open en dicht schuift met steeds een ander dramatisch tafereel.
Het ene nog schokkender dan het andere.
De eenzaamheid in het niet gehoord worden in een huwelijk en in het pastoraat van de kerk valt op dat moment als een verstikkende deken over me heen.

“Wie zou me nu geloven?” ook zo’n vraag die ik me vaak stel, en waar ik maar liever het antwoord niet op weten wil.
Omdat ik bang ben voor dat antwoord.
Vorige week zei iemand in mijn kerk van nu tegen me; ” iedereen is voor zichzelf verantwoordelijk”
Het klinkt mij in de oren als :” ben ik mijn broeders hoeder?” en berooft me van een illusie, waar ik zo graag zelf in geloof, nl. dat we in de gemeente voor elkaar verantwoordelijk zijn in de verbondenheid van het kruis.

De afgelopen dagen is het me al vele keren gezegd; hoe gelukkig ik me nu moet voelen nu ik geopereerd word.
Iedereen kent wel één of meerdere mensen met een succesverhaal en die daarom zó blij waren na de operatie!

Heeft deze opmerking ook een beetje te maken met hoe fijn het is dat het ziekenhuis verantwoordelijk is voor mijn genezing en u/jij daarom aan de zijlijn kunt blijven staan?
Dat zijn vragen die me bezig houden omdat. wanneer er geen ruimte voor het verhaal vol trauma’s is, het me, zo ervaar ik het, tevens zo alleen laat.

(Laat ik voorop stellen, ja, ik ben dankbaar voor het ziekenhuis en de chirurg die het ziet zitten me te opereren!)

Het woelt nogal in mijn binnenste.
In situaties als deze is alleen erg alleen.
En besef ik weer des te meer dat pijn van eenzaamheid vooral de pijn is van heimwee naar het volmaakte.
Heimwee naar Hem, mijn bruidegom,heimwee naar de enige troost in leven en sterven.
Degene die mij dezelfde vraag stelt als aan de Emmaüs gangers:
” Wat dan?”
Jezus!

Boom doet Leven!

Boom doet Leven!

Majesteit, dat is wat ik uit straal.
Fris groene blaadjes vol glans en glorie sieren mijn dikke stevige takken.
Mijn kruin reikt naar de hemel en lijkt mee te draaien met de zon, mijn kracht.
Die heerlijke lichtbron geeft me energie en hoop.

Aan één van mijn takken hangt een schommel; 2 dikke touwen met een zitplankje.
Omdat mijn wijd verbreide armen zich hoog verheffen kan de schommel eindeloos zwieren, waardoor jong en oud plezier hebben van dit ogenschijnlijk eenvoudige pret-atribuut.
Kindjes, aangezwengeld door de grote mensen kirren van plezier.
” nog een keer papa. Hoger, hoger, nog hoger.”
Totdat papa zijn verlangen weer kind te zijn niet langer negeert, en zichzelf vaart geeft op het houten plankje aan de ruige vissers lijnen.
Hoger, hoger, nog hoger!

Dromend zo de hemel in te schieten geniet een mijmerend omaatje van het heen en weer, heen en weer…een zoete glimlach op haar gezicht, verwijzend naar vroeger, toen ze jong en verliefd was.

Vogels van allerlei pluimage nestelen zich in mijn takken en doen zich te goed aan de vruchten in mijn top.
In de winter, bij het eerste ochtendgloren fluit het winterkoninkje een aankondiging van de lente.
De in de herfst begraven voorjaarsbolletjes laten zich door zijn zang verleiden tot bloei, en sieren uitbundig het daarvoor nog saaie gazon.
Narcissen die de komst van nieuw leven rondbazuinen, tulpen met hun fiere stelen hoger en hoger naar de hemel bloeiend.
En zie je daar het kind dat ondanks de waarschuwingen van juf, de kleine mollige armpjes vol plukt voor de liefste mama?
Knak zegt de steel, knak, ik heb je.

De merels zingen in mei hun liefdes lied verrukt over hun piepend en hongerige jonge grut, net bevrijd uit het ei.
Tot groot plezier van de eenzame bewoners van het verzorgingstehuis aan de overkant, vliegt vadermerel af en aan, zijn snavel gevuld met wormen die als dikke palingen uit het IJsselmeer verheugd verorbert worden in het nest.

Onder mijn boom vindt een jonge vrouw, bont en blauw gebutst, net op tijd gevlucht uit een gewelddadige relatie, een plek om uit te huilen.
Ik hoor haar smartelijk gierende uithalen en laat voorzichtig één van mijn takken zakken.
Vlak voor haar in wanhoop gesloten tot vuisten gebalde handen, laat ik een zoet geurende sappige vrucht, bungelen.
Zou ze het zien?
“Open je betraande ogen, lieve jonge vrouw, eet mijn vrucht der vertroosting, ja, toe maar, eet!”
Voorzichtig proevend van elk partje, zie ik haar nieuwe moed opkomen als een sneeuwklokje, dat teer en fragiel, maar oh zo krachtig, de koude bevroren grond overleeft heeft en nu des te krachtiger haar witte belletjes laat klingelen.

En daar komt de vermoeide onzichtbare man met zijn koffertje vol niet belangrijke grafieken, berekeningen en tabellen.
Opgejaagd door de moderne tijd, de hoop eens belangrijk en werknemer van het jaar te zijn, als een kaars uitgeblazen door zijn hippe werkgever, die maar één belang heeft, zijn eigen allernieuwste Jaguar.
Moedeloos laat hij zich in het gras onder mijn takken vallen, waarbij zijn koffer vol gewichtloze caches open valt.
Een windvlaag neemt de papieren mee in de lucht, waar ze veranderen in witte wensballonnen, en de zinloosheid verbranden tot as.
Smullend van mijn vruchten waar hij maar geen genoeg van krijgt, komt de onzichtbare man uit zijn schulp, waarbij zijn hart plotseling barst van nieuwe ideeën.
Eindelijk heeft hij de moed zijn eigen dromen te verwezenlijken.

De moegestreden dominee gooit alle frustratie en verloren geestdrift in een wilde noodkreet aan mijn voeten.
Hoe komt het toch dat de fontein in zijn binnenste de muur in zijn gemeente maar niet bereikt?
Hij voelt zich een kleine jongen met een waterpistool, krachtig genoeg om iedereen nat te spuiten en aan te steken tot een vrolijk waterballet.
Maar waarom duikt de gemeente weg, zodra hij spelen wil?
Het heldere water van de beek, waaruit ik drink, doet hem zomaar zijn Jezus sandalen uitgooien en de sokken van zijn voeten trekken.
Aaaah…wat een genot, pootje baden zoals vroeger aan de hand van opa.
“Vertrouw op de bron mijn jongen, vertrouw op de bron”
Hij hoort het opa zeggen…
In een flits begrijpt hij het, zijn waterpistool is geen middel om het vuil aan te wijzen, maar een kracht om het Vaderhart te laten zien.
De muren in zijn eigen hart zijn omgevallen zodat elk hoekje open en bloot ligt, en zo moet het zijn!
“Goedzo mijn jongen,goedzo” klinkt het warm en zachtmoedig in het kwetsbare hart.

Zo sta ik tot eer van mijn Schepper koninklijk midden in het park.
Ik ben trots dat ik hier sta, eens een piepklein zaadje, meegenomen door een warme windvlaag die mij hier, in het midden een plek gaf, vlakbij de klaterende beek.
Mijn wijd verbreide wortels, zich onzichtbaar onder de grond vertakkend, verzadigen zich met het water dat mij leven geeft.
Dat is de oorzaak van mijn majesteit en mijn glorie; de beek waaruit ik drinken mag en de zon waarnaar ik mijn takken draai, zodat mijn vruchten glans geven in het leven van ieder die zich eraan tegoed wil doen.

Kom je ook in mijn schaduw schuilen, zoals een kuikentje onder de vleugels van mama-kip?
Kom je ook rusten in mijn belofte van het land van melk en honing?
Kom, leg je neer:
Enjoy my fruits of Happyness…

Kdengkdeng,kdengkdeng.

Stel dat Jezus een trein is, en alle gebeurtenissen in je leven een tussenstation.
Op het CS heb je een keus, instappen of op het station blijven hangen.
Er kunnen allerlei bezwaren in je hoofd zijn, Jezus met zijn offer…wat moet jij ermee.
Of,je zult wel niet goed genoeg zijn…

Of je doet een sprong in het diepe, baadt het niet, schaadt het niet…
Omdat Hij een gentleman is dwingt Hij niet,je moet niet,je mag.

Ingestapt kun je je druk maken of je het einddoel wel haalt
In het reisschema staan allerlei tussenstops vermeld, pauzes waarin passagiers in en uit kunnen stappen.
Op die tussenstations werken verschillende Conducteurs.
Ze hebben allemaal dezelfde achternaam: “Omstandigheden”.De Conducteur op de eerste tussenstop laat je twijfelen aan de geldigheid van je kaartje.
Stel dat…
Je vergeet haast het einddoel,en wilt het liefst uitstappen en je kaartje thuis controleren.
Gelukkig roept Jezus door de microfoon:”Goedemiddag, dames en heren , de kaartjes zijn in orde en Al-inclusieve.
Wanneer de catering langs komt mag je vrij zoet en hartig eten, wat je maar wilt.”
“Tja, wat zou nou waar zijn?”
Achterdochtig bestel je toch maar een Van Dobben kroket,zo’n lekkere dikke romige Rundvleesragout hap.
Als het niet klopt kun je altijd nog zelf betalen…
Maar gelukkig,Jezus heeft de waarheid gesproken…
Verdorie,spijt dat je niet ook een vruchtensallade en koffie besteld hebt.

Bij de volgende tussenstop verleidt Conducteur Omstandigheid je je om vanwege je ziekte uit te stappen, en zo het einddoel te missen.
De pijn in je benen is soms zo ondraaglijk dat je begint te twijfelen of het nog wel zin heeft, je tripje.
Maar door de microfoon klinkt het: “Goedemiddag dames en heren,omdat je ticket All-inclusive is hoeft niemand zich zorgen te maken over zijn gezondheid.
Mijn striemen hebben jou genezing gebracht, geloof je dat?
Dan mag je naar voren komen om de ziekenzalving te ontvangen.”

Tja…ziekte zal toch wel een doel hebben?
Iemand op een ander station heeft je verteld dat God je vast wat leren wil…
Omdat dat wel lekker voelt,een nederige houding in je ziekte aanvaarden, wordt je zelfvoldaanheid gestreeld.

Totdat de andere kreupelen en blinden in jou coupe, genezen van hun kwalen uitgelaten feest gaan vieren.
Wat stom van jezelf!
Daar zit je met je zere botten wat niet gehoeven had.
Snel neem je een Tramadol in,en smeekt of de pil je wat verlichting mag geven.
Om Jezus wil,natuurlijk…

Aangekomen op het volgende tussenstation roept Conducteur Omstandigheid om, dat de wisselkoers van je vakantiegeld verandert is.
Je geld is niets meer waard!
Wooouw…je geld, het meest tricky deel van je eigen verantwoordelijkheid.
Je kunt hier nog uitstappen natuurlijk, en dan maar genoegen nemen met een mindere kostbare vakantie te gaan vieren

Maar de microfoon van de trein roept “Goedemiddag dames en heren,in het gedeelte van de trein waar je in en uit kunt stappen staat een flappentapper, je bent daar vrij een bedrag te pinnen zo veel als je wilt.De code is 777”

Sjonge…
Je besluit toch maar niet al te begerig en hebberig over te komen
Huiverig pin je de code waarna er een minimaal bedrag uitrolt.
Verbouwereerd tel je je centen,waarbij je je af vraagt waarom al die anderen dikke buidels briefgeld in hun koffers stoppen.

Omdat het vreselijk oneerlijk is stap je geërgerd naar de machinist, de stem achter de microfoon.
Hier wil je toch wel even duidelijkheid over!
Zijn die anderen soms beter dan jij?

De machinest legt uit dat je gekregen hebt wat je verwachtte,en vraagt je vriendelijk wat daar oneerlijk aan is.
Waarop je bedremmeld afdruipt naar je hut, om deze zaken eens goed te overdenken.

Of zou het zo zijn dat je je brein uit moet schakelen en je hart moet laten spreken?
Met ogen van je hart moet kijken?
Met oren van je hart moet luisteren?
Het is in ieder geval de moeite van het proberen waard…

De eerste mogelijkheid is morgenochtend het ontbijt, je gaat het erop wagen!

Ik zelf zit ook in de trein en zie deze beknepenheid met een verdrietig hart aan.
Wat gun ik alle passagiers een overvloedige reis, All-inclusieve.
Het is nl. betaald, overbetaald zelfs.
Op ieder station stap ik uit,om anderen aan te moedigen ook in te stappen.

Omdat ik zelf zo’n lol heb!