Goed nieuws tussen de lege schappen.

Wat een spannende tijd!
Exiting zegt het Engelse woord zo mooi!
Een tijd met geweldige kansen om het goede nieuws over een goede God te vertellen.
Je hebt geen sinaasappelkistje nodig, geen luidspreker of microfoon, een preekbevoegdheid van de TU is ook geen noodzaak, of je nu man of vrouw bent, jong of oud, geleerd of ongeletterd, licht of zwaar, evangelisch of reformatorisch, baptist of gereformeerd, rok of broek, wel of geen hoedje, tegen of voor vrouw in in het ambt, homo of hetero, gehuwd of alleenstaand, rijk of arm…

Het enige wat je hoeft te doen is je jas van de gerechtigheid en je schoenen van de bereidheid om het goede nieuws van de vrede met God bekend te maken, aan te trekken en naar buiten te gaan.
Bewust van je positie in Christus, verlicht je lamp de duisternis om je heen en trek je automatisch mensen naar je toe.
Zomaar in de supermarkt een vraag van een onbekende of jij ook zo bang bent voor dat virus, is een opeens mooie gelegenheid over de Viruskiller Himself te getuigen en de ander te zegenen met de rust en vrede van het Lam.

Wees niet bang, sta op en schitter, Jezus-mensen!
Nu is het de tijd!
Preach yourself happy and spread the good news…

Samen delen/Voedselbank.

Vorig jaar juni, na mijn wekelijk bezoek aan de Voedselbank, kwam ik er thuis achter dat de bak overrijpe aardbeien en los neergelegde al net zo overrijpe abrikozen en enkele kiwi’s, zich als een fruit-smoothie over de rest van de boodschappen had uitgespreid.
Het was de druppel die de emmer van pijn, vernedering om het handje ophouden, en de eis dankbaar te ‘moeten ‘ zijn, over liet lopen.
Ik heb zo vreselijk gehuild…

Daarna schreef ik het volgende blog wat heden ten dage nog net zo actueel, of misschien nog wel meer actueel is.
Ik heb namelijk nooit een antwoord gekregen op mijn vraag welk getuigenis er van de kerk in het algemeen uit gaat, wanneer ze haar eigen leden naar de Voedselbank laat gaan.
Wanneer je, zoals ik ook in mijn blog schrijf, de gemeente uit Handelingen 4 aanhaalt, moet ik dat zien als een droombeeld zoals een gemeente misschien wel zou moeten zijn, maar als ideaalbeeld toch echt niet haalbaar is.
Zelf zie ik dat anders.
Ik lees de Bijbel niet als droombeeld van hoe het zou moeten zijn, maar als aanmoediging en bemoediging hoe we in verbondenheid met Jezus en elkaar gemeente mogen en kunnen zijn zoals beschreven in Handelingen 4.

Mijn blog haalde zelfs de krant (ND 5 juli 2019) en riep grotendeels iritatie en zelfs openlijke vijandschap op.
Hier en daar was er wat goed bedoelde verontwaardiging en zeiden mensen dat ze het nooit zo bekeken hadden.
Jammergenoeg is deze verontwaardiging en het ongemakkelijk voelen over nood van de naaste meestal maar van korte duur, en blijft alles gewoon bij het oude.

Ik ben overigens daarna niet meer naar de Voedselbank gegaan.
Het was lichamelijk en emotioneel te zwaar.
Ik ben daarbij nog steeds van mening dat de Voedselbank enerzijds een geweldig goed initiatief en anderzijds een groot gevaar voor de volksgezondheid is.
Dit omdat ik zelf ervaren heb dat je wel genoeg te eten krijgt, maar door alle overbodige zoet, zout en vet ondervoed raakt.



Voedselbank

De gemeente uit Hand. 4 :32-34 wordt vaak als een droombeeld van een goed functionerende gemeente gezien.
Ze waren één van hart en geest en deelden al hun bezittingen met elkaar.
Wat was het geheim van de eerste kerk?
Men stond in vuur en vlam voor Jezus en sprak vrijmoedig over Hem.
Vervuld van grote genade, was het niet moeilijk om wat men zelf bezat te delen met elkaar.

Als zogenaamd onder aan de samenleving bungelend kerklid roept het lezen van Hand.4 bij mij de volgende vraag op;
‘welk getuigenis gaat er van de kerk van vandaag uit, wanneer haar eigen broers en zussen naar de Voedselbank moeten gaan om daar op hun beurt wachtend, de door hun eigen kerk gedoneerde boodschappen op te halen?

Ik woon zelf om de hoek van de kerk, net als de meeste van ons, waardoor het afgeven tijdens de maandelijkse inzameling een makkie is.
De Voedselbank is 6 kilometer verderop.
Omdat ik grotendeels afhankelijk ben van de Voedselbank moet ik dus iedere week, weer of geen weer, 12 kilometer fietsen om het pakket op te halen.
Het voedsel pakket bestaat voor het overgrote deel uit blikken soep, blikken groenten, deegwaren, potten sauzen , gezoete ontbijtgranen, chips koekjes, en verder houdbaar eten.
Aangevuld met leftovers uit de supermarkten zoals afgekeurde groenten en fruit, waar degene met een wat meer gevulde portemonnee in de winkel hun neus voor ophalen.
Van wat de Voedselbank mij biedt, kan ik tevens iedere avond te zoete en te vette snacks eten, ware het niet dat ik dit soort boodschappen na het eerste jaar 10 kg. te zijn aangekomen niet meer meeneem.

Ik heb er moeite mee, met de Voedselbank.
Goed bedoeld, daar twijfel ik niet aan, net zomin als aan de welwillende offervaardigheid in de kerk.
Maar ik heb een vraag;
Wie dien je met die offervaardigheid?
Ik vraag dat omdat mij nog nooit gevraagd is wat voor impact het op mezelf heeft dat ik naar de Voedselbank moet gaan.

‘Hoe ervaar je dat als steeds afhankelijk van wat anderen je toebedelen?
Eet je wel gezond met wat je van ons krijgt?’

Ik probeer deze nooit gestelde vragen hier te beantwoorden:
‘Ik ben blij dat jij/u als lid van de kerk mee doet aan de inzameling.
Tegelijk vraag ik me af; voor wie u/jij dat doet?
Voor de kwetsbare medemens of ook voor jezelf?
Begrijp me goed, het gaat niet om goed/fout.
Je medemens dienen is bijbels, maar zelf ook lid van een kerk, voelt het voor mij vaak alsof die paar boodschappen doneren, tevens een soort afkopen is van een fnuikend schuldgevoel over eigen rijkdom en bezit.
Dat baseer ik voorzichtig op de vaak naar mij gemaakte opmerking dat het zo fijn voor míj is dat er in ieder geval nog een Voedselbank is.
En wat als ik er helemaal niet blij mee ben?
U/jij hebt me dat toch nog nooit gevraagd?
Ik vind het nl. verschrikkelijk!
Het is iedere week weer een confrontatie met de onmacht van het onderaan de samenleving bungelen.
Een samenleving waar het haast onmogelijk is zelf beslissingen te nemen over wat ik wel of niet fijn vind, wat er gegeten wordt, en waar mijn geld naar toe gaat.
Een samenleving waar instanties, deurwaarders en ontelbare loketten de baas over mijn leven zijn geworden en daar zelf een dikke boterham aan verdienen.
Deze genadeloze samenleving botst zo met wat Jezus zegt in Handelingen 4, en botst daarom ook zo met wat ik in de kerk zie gebeuren.
‘In de kerk zijn we één grote familie waar we voor elkaar zorgen’ hoor ik dikwijls roepen.
Is dat zo?

Wanneer ik temidden van overwegend Arabisch sprekende mannen en zwart gesluierde vrouwen in de Voedselbank wacht op mijn beurt, maak ik mij juist zorgen om de kerk.
Mijmerend over Hand.4:33 ; ‘de apostelen gaven een krachtig getuigenis van de opgestane Jezus’ verlang ik zó naar dat getuigenis in onze kerken.
Ik geloof dat niet alleen ik, maar velen met mij, dan niet meer elke week 12 kilometer hoeven te fietsen voor de leftovers van de rest van het welvarende land als ons Nederland dat is.
De reden voor geen gebrek verheugd me nog het meest;
Op ieders lippen het krachtig getuigenis van de opstanding van Jezus.

En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote genade over hen allen. Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte.’
Handelingen 4:32-35 NBG51
https://www.bible.com/328/act.4.32-35.nbg51


https://www.nu.nl/eten-en-drinken/4949105/klanten-van-voedselbank-eten-ongezonder.amp

Schuld en Armoede

Vanaf dat ik vijf jaar geleden besloot uit een destructieve relatie te stappen moest ik noodgedwongen schuldsanering aanvragen.
In dat traject ben ik jarenlang van het ene naar het andere loket verwezen met als gevolg dat
door incasso en deurwaarders kosten de schulden steeds hoger opliepen; de alom bekende stapelings-problematiek.
Toen ik zat van dit van het kastje naar de muur spel zelf aan het plafond zat, werd me doodleuk gezegd: ‘mevrouw Kramer, ik geloof dat u erg boos bent!
U moet hulp gaan zoeken…’

Omdat achter al die kille cijfertjes een enorme berg pijnlijke herinneringen schuilde, kostte het me verschrikkelijk veel energie alle verplichte paperassen overzichtelijk in een map te ordenen.
Eenmaal aangeleverd zorgde de onverschilligheid van de meneer achter het toenmalige loket ervoor dat deze papieren alras een onoverzichtelijke wanorde en chaos werden.
Het gevolg daarvan was dat bij de zoveelste fout ingevulde aanvraag de rechter niet hém, maar míj waarschuwde dat de maat vol was en ik het zelf maar uitzoeken moest.

Toen ik ten einde raad op het desbetreffende loket zei dat mijn problemen alleen maar groter werden getuigde het weerwoord van een verbluffend achteloze desinteresse: ‘ach mevr. Kramer, of u nou 100 of 200 000 euro schuld heeft, dat maakt immers niets meer uit?’

Intussen was er loonbeslag gelegd waardoor ik dat jaar ook mijn vakantiegeld kwijt was.
Met andere woorden: ik was veroordeeld en overgeleverd aan een gedwongen hulpverlening die geen enkele verantwoordelijkheid hoefde af te leggen voor hun fouten.
Daar draaiden niet zij maar ik voor op!

Intussen ben ik 5 jaar verder, en word nog steeds van loket naar loket gestuurd.
Ieder loket verdiend aan mijn armoede en nood zelf een goede boterham.
Er wordt nog steeds fout op fout gestapeld, waar niemand verantwoording voor schuldig is.

Bij het Paleis van Justitie op het matje geroepen vroeg de rechter-commissaris me onlangs wat ik er zelf van vind in de WSNP te zitten,
(Wettelijk Schuldsaneringstraject Natuurlijke Personen)
Ervan uitgaand dat ik erg dankbaar moet zijn voor de ‘hulp’ die ze me bieden was zijn ongenoegen groot toen ik antwoordde: ‘ik ben van de ene gevangenis in de andere beland.’
‘Nee, zo moet u het niet zien, mevr.Kramer, we helpen u toch?’

Even dacht ik de afgelopen week wat meer lucht te hebben: er werd me toegezegd dat ik deze zomer een deel van mijn vakantiegeld zelf houden ‘mag!’
Bijna €600, ik voelde me de koning te rijk!
‘Weet je wat’ dacht ik, ‘ik ga op Marktplaats een tentje kopen!
Kan ik gelijk in mijn eigen tentje slapen tijdens de conferentie waar ik graag naar toe wil, dan hoeft het niet zo veel te kosten!’
Ik heb een week lang plezier gehad in het uitzoeken welke tent geschikt is.

Vandaag kreeg ik zonder ook maar enig woord van excuus te horen dat ze zich vergist hebben, ik heb geen recht op vakantiegeld.

Staat mijn persoonlijk verhaal opzichzelf?
Was dat maar waar…
Duizenden mensen bungelen net als ik onder aan de samenleving en worden door allerlei instanties als een nul behandeld.
Een niemand.
Iemand waar geen rekening meer mee hoeft te worden gehouden dan alleen de rekening die ze je zelf steeds presenteren.
Wij, de niemand-mensen zijn pionnen in een miljarden verslindende schulden fabriek.
We worden constant op onze plichten gewezen en hebben geen enkel recht dan ons handje op te houden en ‘dankjewel’ of ‘ik begrijp het’ te zeggen.
Onze privacy hebben we verspeeld, onze inlogcodes liggen op het bureau van de bewindvoerders en we moeten elke cent die we uitgeven verantwoorden.
Wanneer we te maken krijgen met extra kosten, bv voor fysiotherapie o.i.d. moeten we toestemming vragen en maar afwachten of we daar recht op hebben.
Onze post gaat eerst naar de rechtbank en wordt gecontroleerd op verborgen geld of bezit, waarna we onze geopende post pas dagen later zelf in de brievenbus krijgen.
Onze deuren hebben geen sloten omdat de bewindvoerders zonder onze toestemming onze spullen aan een inspectie mogen onderwerpen, zodat we ook binnen onze eigen muren niet meer veilig zijn.
Het is een soort van geoorloofde gijzeling en tot vogelvrij verklaard opgejaagd wild.
Wanneer we van iemand een extraatje krijgen zijn we volgens de wet verplicht dat te melden en af te geven.
Als we dat ‘stiekem’ toch achterhouden moeten we oppassen aan wie we dat vertellen want op elke straathoek worden we bespiedt.
We raken steeds meer vrienden kwijt omdat ook de omgeving soms meent dat we bij bepaalde uitgaven zelfs aan hun verantwoording schuldig zijn.
Doordat we nergens anders geld voor hebben dan voor het goedkoopste eten, raken we steeds meer geïsoleerd van de maatschappij en samenleving om ons heen.

Terwijl geen enkele over ons aangestelde instantie zelf verantwoordelijkheid hoeft te nemen over hun regelmatig verzuimde plichten, worden wij voortdurend gecontroleerd en bedreigd met beëindiging van het WSNP traject.
O wee wanneer we niet op tijd doen wat van ons geëist wordt, dan worden we eruit gegooid en staan binnen niet al te lange tijd op straat omdat de schuldeisers dan zonder pardon ons boeltje verkopen mogen.

Het onbegrip van de omgeving en het vaak bewust niet willen weten van onze benarde situatie maakt dat we ons op een gegeven moment zelf ook maar zo onzichtbaar mogelijk maken.
Voortdurend als een niemand behandeld worden verandert langzaam maar zeker ook het denken over jezelf.
De ‘opbeurende’ bemoediging dat er licht is aan het eind van de tunnel ziet voorbij aan de nog jarenlange worsteling om van €7 per dag rond te moeten komen.
Iedere keer moeten zeggen: ‘daar heb ik geen geld voor’ wanneer anderen je mee vragen leuke dingen te gaan doen, herinnert je constant aan isolatie door geldgebrek.

In een rijk en welvarend land als Nederland heeft de gevangenis van de WSNP zowel metersdikke als flinterdunne muren, waarbinnen geen enkele bescherming meer lijkt te zijn.

Wie betaalt, bepaalt?

Op tv zag ik eens een fragmentje van de uitreiking van één of andere grote geldprijs.
De reactie van de winnaars op de vraag van de verslaggever: ‘wat gaat u ermee doen?’ was amusant ad rem: ‘dat gaat niemand wat aan.’
En gelijk hebben ze!

Een soortgelijke situatie, en naar mijn persoonlijke mening nóg pijnlijker onbeschaamd doet zich voor wanneer je weinig geld te besteden hebt.
Eerder schreef ik al over mijn ervaringen t.a.v. de Voedselbank, een artikel dat door diverse lezers negatief ontvangen is en me verschillende vijanden heeft opgeleverd.
Maar dat niet alleen, van een enkeling hoorde ik zeggen dat het hun ogen heeft geopend en ze nu toch wat anders naar armoede en/of de voedselbank kijken.
Mijn blog van vandaag is een ongewild vervolg.

Het is bekend dat ineens een groot geldbedrag winnen iets met je doet, logisch natuurlijk!
Tevens doet het iets met de omgeving, opeens wil iedereen vriendjes zijn met de nieuwe rijken, waarom terecht begeleiding wordt geboden hoe met de nieuwe status om te gaan.

Armoede doet ook iets met je, ten eerste met je status.
Geen leuke uitstapjes, niet naar de sportschool, niet aansluiten bij één of andere klup, het betekent een zeker isolement waar je niet zelf voor gekozen hebt.
Schaamte en iedere keer moeten zeggen dat je geen geld hebt, plaatsen je langzaam maar zeker buiten de kring.

De reden waarom ik dit blog schrijf is om een nog andere, zo niet pijnlijker vorm van isolement.
Armoede van de één verandert in zekere zin namelijk ook de ander in je omgeving.

Mijn maatschappelijke status de komende jaren is dat ik onder bewind sta, en iedere stap aan de rechtbank moet verantwoorden.
Ik heb daar moeite mee, erg veel moeite.
Gelukkig heeft Vader enkele mensen in mijn leven geplaatst die me regelmatig wat toestoppen, waardoor ik mezelf af en toe mee uit neem, iets nieuws kan kopen, het lampje van de afzuigkap kan verwisselen of mezelf trakteer op een kopje koffie bij LaPlace.

In principe moet ook hier verantwoording over worden afgelegd, alsof overal je gangen worden nagegaan.
Op iedere straathoek van mijn leven hangen als het ware camera’s om vast te leggen of er niet ergens verborgen geld ligt.
Wat ik steeds vaker tegenkom is dat buiten de controle van de rechtbank, ook de omgeving ongevraagd meekijkt en verantwoording eist.

Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: “je hebt anders wel een heel dure fiets.”
Of: “hoe komt het dat je dit of dat dan wel betalen kunt?”
Of: “oh, en wie betaalt dat dan voor je?”
Of: “ik kan anders niet aan je zien dat je naar de Voedselbank moet.”
Of je hoort via via dat je niet genoeg dankjewel gezegd hebt voor iets wat je gekregen hebt…
Wanneer ik in mijn naïviteit mijn blijdschap deel over een onverwachts extraatje zijn er genoeg mensen die oprecht blij voor en met me zijn, maar ik kijk er ook niet meer van op dat er zeer negatief gereageerd wordt met: ‘mooi makkelijk hè dat een ander alles voor je betaald.’
Het heeft me zelfs vriendschappen gekost…

Ik kan nog veel meer voorbeelden van dit soort opmerkingen noemen, waarvan je al heel snel de ondertoon leert herkennen.
Het gevolg van dit voortdurend controleren is dat maar gewoon thuis blijven het meest veilig lijkt
waardoor je uiteindelijk niemand meer ziet en het contact met de buitenwereld nog verder verliest.

Eerlijk, ik begin steeds meer moeite te krijgen met al die ongevraagde bemoeizucht.
Ik ben een mensenmens maar merk dat het steeds lastiger wordt open en zonder oordeel naar de omgeving te zijn dus ik vraag wat hulp van die omgeving.

Zou je daarom alsjeblieft wat moeite willen doen je af te vragen wat je voor de arme medemens zou kunnen betekenen?
(niet persé voor mij, er zijn er veel meer dan je denkt)
Een tip kan b.v. zijn:
wanneer je je bijdrage aan de voedselbank aflevert, vraag je zelf dan eens af wie je in een meer persoonlijk contact aan je tafel nodigen kunt.
Probeer zonder oordeel eens te bedenken dat elke voor jou zo gewone boodschap, dokters of tandartsbehandeling, reparatie, onderhouds of knipbuurt, vakanties en uitjes, lidmaatschappen en abonnementen misschien voor een bepaald lid van je familie, je buren of een lid van de gemeente niet te betalen zijn.
Durf je dat aan; niet weg te kijken van de om je heen toenemende armoede en de gevolgen die dat voor je medemens heeft?

Durf je écht te kijken om te zien?

De vraag aan mezelf is: durf je het aan om kwetsbaar en open je armoede en rijkdom te (blijven) delen?
Zonder een oordeel te hebben over het groeiend onbegrip…

Link naar mijn blog over de Voedselbank

Voedselbank

Verbod op wc-tikken

Een paar weken nadat we in de kerk herdachten dat Luther zijn 95 stellingen schreef en die aan de deur van de Slotkapel in Wittenberg spijkerde, hing er in onze flat ook een pamflet.
Met kordate woeste letters werd ons het volgende meegedeeld;

Wc-tikker
Wil degene die iedere morgen op de wc staat te tikken daarmee stoppen?
Het is door de hele flat te horen!

Ik kan het niet helpen dat ik onbedaarlijk moet lachen om dit wc-tikverbod.
In mijn hoofd draait zich vervolgens het volgende filmpje af.

Eerste bedrijf, Flat A

Omdat hij ervan baalt iedere morgen gewekt te worden door een niet te stoppen innerlijk proces heeft de bewoner van deze flat gisteravond zo weinig mogelijk gegeten.
Toch komt hij er ook deze dag niet onderuit, zonder genade dringt de aandrang hem vlak voor de klok 4 uur wijst klaarwakker, waarop de niet voor de Big Bang onderdoende, door heel de flat galmende Bim Bam van zijn buurman bevestigd: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
Een vergeefse poging zich nog even om te kunnen draaien mislukt ook deze vroege morgen jammerlijk; dwingend als de toeter van de stadsomroeper, roept zijn knorrend binnenste ook deze dag om verlossing van haar last.
Alsof de wind zelf hem op de hielen zit eindigt zijn uitslaappoging in een met dicht geknepen billen sprintje naar de pot alwaar zijn binnenste zich zuchtend van genot ontlast van de overblijfselen van de gisteren genuttigde maaltijd.
Eer zijn ecologisch kunstwerk haar zwanenzang door de grijze afvoerbuizen van het riool aanvangt, werpt hij nog een trotse blik naar het torentje in de porseleinen pot.
Wanneer hij een forse ruk aan het touwtje van de stortbak geeft voelt de producent van het in de diepte verdwijnend werkstuk zich oppermachtig, als is hij hoofdpersoonlijk eigenaar van de Niagara-watervallen.
Maar dan; verdorie, het zo vernuftig in elkaar gedraaid vormsel heeft toch nog wat sporen nagelaten op het wit van de porseleinen pot…
Geen nood, daar heeft onze flatbewoner de volgende meest lumineuze uitvinding voor aangeschaft: de wc-borstel!
En juist daar begint het gedonder in de glazen, of liever gezegd, het wc-tikken…
Na de noodzakelijke rondgang van de borstel kan deze namelijk niet maar zo plassend weer in zijn houder gezet worden, waarom mijn medeflatbewoner hem droog tikt op de rand van zijn net gereinigd toilet.
Opgelucht dat dit klusje ook weer geklaard is kruipt hij nog even lekker onder de wol…

Tweede bedrijf, Flat B

Net als bovengenoemde flatbewoner is een van de andere medeflatbewoners gisteravond ook naar bed gegaan.
Hij hoopt net als zijn buurman eens een keertje uit te kunnen slapen, maar weet nu al dat dat ijdele hoop is.
Iedere morgen wordt hij namelijk gewekt door een wc-tikker, een medebewoner die na toiletbezoek steevast de wc-borstel droog tikt op het randje van de wc-pot.
De groeiende ergernis hierover houdt hem al bij voorbaat uit de slaap, waarom hij ieder uur aftelt.
Het is zo langzamerhand een gewoonte geworden, dat nog eer zijn klok met een niet voor de Big Bang onderdoende Bim Bam 4 uur slaat, hij allang van tevoren weet: ‘ja hoor, het is weer zo laat!’
En inderdaad, als een selffulfillig prophecy hoort hij even later de hamerslag van het wc-tikken door de flat galmen.
Gefrustreerd en zijn emoties tot het kookpunt opgezweept draait en woelt deze flatbewoner zich een slag in de rondte, totdat de lakens hem als in een kunstig en vernuftig gevormde cocon gevangen houden.
Plotseling begint zijn binnenste aan te dringen op toiletbezoek, maar mijn hemel, hoe bevrijdt hij zich op tijd uit zijn eigen gedraaide dwangbuis?
Te laat, het kwaad is al geschiedt…
Als de baby van vroeger, tot aan zijn nek zijn luiertje vol gepoept zoekt zijn woede zich een uitweg uit deze door de wc-tikker veroorzaakte vernedering.
Wanneer hij even later bevrijdt en schoongeborsteld als het wit van porselein, de wasmachine vult met vuile was, weet hij opeens wat hij doen moet; net als Maarten Luther gaat ook hij een pamflet opstellen.
Een toilet-hervormings plan voor wc-tikkers!
En zo kan het gebeuren dan deze medeflatbewoner driftig tikkend zijn al eerdergenoemd pamflet fabriceert en dit nog dezelfde dag aan het prikbord hamert.

Is het daarmee afgelopen, mijn beste lezers?
Welnee, er volgt nog een clifhanger.

Derde bedrijf, Flat C

Een medebewoonster van desbetreffend flatgebouw kan het niet helpen dat ze verleidt door het verbod op wc-tikken iedere morgen een deuntje tikt op haar eigen mooie porseleinen plee’tje.
Grinnikend vraagt ze zich af: ’vroeger leefde ik zonder een wet op het wc-tikken. Maar toen ik die wet leerde kennen ontdekte ik dat wc-tikken een zonde is.
Zonder die wet had ik nog nooit wc-getikt, maar nu roept die wet de begeerte in mij op tot wc-tikken…
Mijn doen en laten zijn voor mezelf een raadsel, want ik doe niet wat ik graag wil, nee, ik doe waar ik een hekel aan heb.
Ik doe dus wat ik niet wil en daaruit blijkt dat ik het eens ben met de wc-tik wet.
In mijn diepste wezen wil ik helemaal niet wc-tikken maar ik zie dat mijn doen en laten daarmee volledig in tegenspraak is.
Wat ben ik er ellendig aan toe!
Wie verlost mij van deze wc-tik-tic?