Drie keer toeteren.

Ondanks dat ik veel ooms,tantes nichtjes en neefjes heb, was mijn verjaardag vroeger een eenzaam gebeuren.
Mijn ouders zijn niet familiair ingesteld en hadden weinig behoefte aan veel volk over de vloer en al helemaal niet aan verjaardagsfeestjes.
Ik kan me daarom niet herinneren dat er ooit een oom of tante op mijn verjaardag kwam,net zomin als dat er vriendinnetjes kwamen.
Niet dat ik er onder leed, ik wist niet beter, dus mistte ik ook niets.

Later werd dat anders.
Eenmaal op mezelf werd mijn verjaardag een speciale dag die ik met zoveel mogelijk mensen vieren wilde.
Vooral sinds ik alleen ben heb ik deze dag als een heel speciale mij-dag gevierd.
Deze mij-dag was pas een mij-dag wanneer zoveel mogelijk gasten mijn verjaardag met me mee beleefden en het tot een samen-dag maakten.
Als een kind zo blij en opgewonden klonk de bel me als muziek in de oren, en opende ik verwachtingsvol de deur, benieuwd wie mijn verjaardag belangrijk genoeg vindt tot een speciale dag te maken.

Meestal is een rond-getal-verjaardag een dag waarop je, als markering in de tijd, een nog specialer dan anders feestje geeft.
Een dag die je je de volgende 10 jaar herinnert als extra feestelijk en bijzonder.
Op het bord waarop je leeftijd staat vermeld, worden voorbijgangers opgeroepen te toeteren zodat iedereen weet dat je jarig bent.

Mijn zestigste verjaardag afgelopen week, is ook een markering in de tijd.
Niet omdat mijn huis vol was, maar omdat ik me nooit eerder op mij-dag zo alleen heb gevoeld.

De voorbereiding van mij-dag voelde al onzeker.
Kon ik wel mensen uitnodigen?
Gezien het ‘nieuwe normaal’ waarin ik persoonlijk de ‘veilige afstand’ als extreem onveilig ervaar, besloot ik geen uitnodigingen te doen.
Liever geen hoofdbrekens hoe ik mijn huisje anderhalvemeterveiligeafstandproof maken moet, liever geen afwijzing op mijn uitnodiging en liever geen gestoetel van ‘hoe moet ik je nu feliciteren?’
Dat allemaal liever en me het gewoon herinneren van vorige verjaardagen waarop het normaal was elkaar stevig de hand te schudden of te omhelzen.
Waarop ik de kopjes koffie en schoteltjes gebak uitdeelde zonder dat de ander zich angstig afvroeg of ik mijn handen wel genoeg gewassen had.
De mij-dagen waarop het ondenkbaar was dat dicht op elkaar gepropt niet gezellig, maar onveilig zou zijn.
Waarop we op mijn balkonnetje genoten van de frisse buitenlucht, zonder dat iemand op veilige afstand roept dat dat niet mag en vervolgens de klik-telefoon belt.
De mij-dagen waarop je je nog niet bang afvroeg of de voorbij rijdende politieauto stopt om je te bekeuren voor de verboden mij-dag gezelligheid.

Ondanks dat ik als kind een huilbaby was en mijn moeder van me zei;’die jankt eeuwig’ kan ik me niet herinneren dat ik op mijn verjaardag huilde omdat er geen bezoek kwam.
Dat was deze dag anders.
Mijn zestigste verjaardag is een marketing in de tijd waarop ik aan het eind van de dag mijn droge niet vochtig gekuste wangen schraal huilde van de zilte en bittere eenzaamheids-tranen.

Niet omdat er niemand geweest is, maar om de muur van veilige-afstand om de enkele die er wel was en dientengevolge de veilige-anderhalvemeter-afstand felicitaties.
Om de afwachtende houding van beide kanten: mag ik je vasthouden/hou me asjeblieft even vast.
Om het tegennatuurlijke van elkaar zo nodig zijn en tegelijkertijd elkaar als mogelijk gevaar voor eigen gezondheid behandelen.

Maar meer dan dat, om het algemeen aanvaard nieuw normaal van deze veilige afstand…

De krullen van Moeder

Op één van zijn jaarlijkse rondgangen langs de schoorstenen van Urk had de goedheiligman, Sinterklaas een prachtig cadeau voor Moeder achtergelaten.
Hoe Piet dat door de schoorsteen had gekregen is me nog steeds een raadsel, maar dat hij er een zwarte snoet aan overhield is me wel duidelijk.
Dat Sinterklaas blij met haar was bewees het kostbare cadeau wel, Moeder had een eigen droogkap, net zo één als bij kapper Visser.
Ze was de koningin te rijk!
Ik was ook opgelucht, want we hadden gelukkig nog een moeder, ze was niet in de zak meegenomen naar Spanje om haar het volgend Sinterklaasfeest als pepernoten over ons uitgestrooid te krijgen.
De roe was mezelf ook bespaard gebleven, chocola en speelgoed was mijn deel.

Ik wilde trouwens dat Moeder een ander cadeau gekregen had omdat dat ding daarna zelf wel voor de roe zorgde…

Waarom en hoe?
Dat zal ik je vertellen.

Een droogkap is een apparaat aan een steel op een vierpoot, zo’n uitstekend driedelig opstakel waar menig gipsdokter de slachtoffers van op zijn werkbank heeft zien liggen.
Je weet met zo’n onhandig apparaat nooit hoe je hem draaien of schuiven moet, er is namelijk niet één goeie manier.
De droogkap moet daarom op de goede plek staan, zodat je niet met die poot in een ongewenste verstrengeling als een gevallen vrouw ter aarde valt.
Doordat bovenop die steel een soort van vreselijk lelijke motorhelm staat, is het apparaat ook nog eens topzwaar.
De bedoeling van die helm is om daar je hoofd in te steken, waarna het gevaarte door warme lucht te blazen verschrikkelijk veel lawaai in je oren toetert.

Maar waarom wil een verstandig mens, míjn moeder nog wel liefst, vrijwillig onder die droogkap zitten,vraag je je misschien af…
Nou, het wordt nog erger!
Luister…
Eer je je hoofd in die helm steekt moeten er namelijk nog krulspelden in je haar worden gezet!
Dat zijn stekelige buisvormige rolletjes, waaromheen je plukjes haar wikkelt, van onder naar boven.
Alsof je een paar cactussen uit het tuincentrum meegenomen hebt, en daar je pas gewassen haren zo strak mogelijk omheen rolt, waarna je met een stopnaald die cactus vastpind in het bot van je schedel.
Vooral in je nek en boven je oren, die gedeeltes op je arme hoofd waar de dunste plukjes zitten, doet het het meeste zeer.
Omdat het door de korte haartjes juist daar goed strak opgerold moet zitten, priemen de stekels van de krulspelden, en of dat nog niet erg genoeg is, ook nog die pin, als een ware marteling je dunne huid.
Het is gewoon een verkapte zelfkastijding dat krulspelden zetten, al zullen alle nette dames in de kapsalon dat natuurlijk te vuur en te paard ontkennen.
Al loopt het bloed langs hun oren, en zijn de korsten van de vorige keer nog maar net genezen, de volgende week zitten ze weer stoïcijns als gekroond met doornen, hun haren zo strak mogelijk rond de krulspelden gewikkeld, onder die kap hun doktersromannetjes te lezen.
Je zult begrijpen dat de droogkap en zijn bijbehorende krulspelden niet zouden misstaan in een martelwerktuigen museum uit de middeleeuwen.
En dat ding stond gewoon in de huiskamer bij ons…
De plek waar ik me als kind veilig hoorde te voelen had één hoekje waar moeders droogkap stond, en dat allemaal op vrijwillige basis.
Nu ik dit zo schrijf bedenk ik me opeens dat Sinterklaas misschien helemaal zo blij niet was met Moeder.
Zou hij er tegenop gezien hebben haar mee te nemen naar Spanje, en haar in plaatst daarvan strafte met een droopgkap?
Want dat kan natuurlijk, dat je een cadeau van iemand krijgt waarin een lesje verborgen zit, een soort van onderhuidse terechtwijzing, of aansporing tot ander gedrag.
Je weet het maar niet…
Of misschien was het bedoeld als lesje voor mij…

In ieder geval, Moeders’ haar moest vanwege de droogkap iedere zaterdag in de krulspelden gezet worden, en in eerste instantie moesten we lootjes trekken wie die dag de kapster was.
Moeder vond dat ik er het meest handig in was, vandaar dat het al gauw de gewoonte was, dat ik op zaterdag haar haren in de krulspelden draaide.
De andere kinderen hadden hun interesse allang verloren zodat me zonder strijd de bevoorrechte rol van volleerd krulspeldendraaister werd toegewezen.
Een paar zaterdagen later was ik daar zo trots niet meer op, en liet dat op een dag goed blijken ook.
Terwijl de andere kinderen buiten allerlei kattenkwaad uithaalden, had ik de persoonlijke plicht kapstertje te spelen voor Moeder.
Ik had er geen zin meer aan, iemand anders kon het toch ook wel eens doen?
Dat ik dat aangaf betekende al dat ik het echt spuugzat was, want normaliter was ik niet zo ‘brutaal’
De reactie van Moeder was dat ze resoluut de tweedelige keukendeur opende, mij aan de buitenkant van die deur neerzette en de deur weer sloot.
Ik was niet meer gewenst…

Woedend was ik, en ik zou het haar betaald zetten ook!
Was ze nou glad betoetert…
Ik kwam nooit, maar dan ook nooit meer terug, nee echt nooit meer!
Wie dacht ze wel dat ze was, als ze krulspelden in haar haar wilde dan ging ze maar naar de kapper!
Zonder jas zwierf ik uren over Urk, me verkneukelend over haar ( hopelijke ) ongerustheid.
Des te langer ik weg bleef, des te meer zorgen zou ze zich natuurlijk maken, waardoor mijn wraak steeds zoeter werd.
Totdat het begon te schemeren, mijn maag begon te knorren en ik het koud begon te krijgen…
Tja, wat moest ik toen doen hè?
Uit schaamte durfde ik ook nergens aankloppen, terwijl ik toch tantes genoeg had.
Maar over Moeder allerlei boze gedachten hebben, was toch wat anders dan deze bij een ander te uiten.
Noodgedwongen begon mijn woede wat te slinken, zodat ik zo langzaam mogelijk de kant van ons huis weer op liep, toch nog steeds niet helemaal overtuigd van terugkeer naar een moeder met een droogkap.
Bij mijn ouderlijk huis aangekomen gluurde ik eerst stiekem naar binnen, en zag tot mijn ontzetting dat alles gewoon doorgegaan was; zonder mij!
Althans zo leek het…
Mijn woede vlamde weer op, had ik me daarom uren lang weg gehouden, om te ontdekken dat er van paniek totaal geen sprake was in mijn familie?
Had Moeder gewoon net als andere dagen de normale dingen gedaan zoals ze dat gisteren ook deed?
Ik was zo verschrikkelijk teleurgesteld!
Al die moeite voor niks!
Voor straf bleef ik gewoon nog een tijdje in de steeg wachten…

Plotseling hoorde ik de deur open gaan en ik zag dat Moeder naar buiten kwam rennen.
Van schrik verborg ik mij achter de heg van de buren en gluurde tussen de opening naar wat er gebeurde.
De aanblik in Moeder blik zal ik nooit meer vergeten!
Het was er een van pure paniek en angst; om mij…
Haar kind was zoek en ze ging het zoeken…
Wat hield ik op dat moment weer van haar!
Alle woede en lust tot wraak vervlogen als sneeuw in het warme lentezonnetje.
De gele narcissen trompetterden als het ware weer liefde en nieuw leven.
Ik had me uit trots kunnen blijven verbergen om haar alsnog om me te laten zoeken, maar we hadden elkaar weer gevonden!
Gelukkig!
De volgende zaterdag zette ik weer gewoon krulspelden in Moeders haar, maar draaide ze stiekem wel een beetje strakker…
De droogkap verhuisde niet zo lang daarna naar een onbeduidend hoekje op zolder…

Ome Harm

In de familie van Vader had ik een tante en twee ooms,
Tante Nelly, ome Jan en ome Harm.
Tante Nelly was in het gezin van Opoe en Opa de oudste, Vader de tweede, daarna kwamen ome Jan en Ome Harm.
Opa en Opoe hadden,vroeger toen Vader zelf nog kind was, een dochtertje verloren, het meisje waar ik later naar vernoemd werd.
Tiny moest op 3 jarige leeftijd moest voor liesbreuk worden opgenomen in het ziekenhuis van Enkhuizen.
Het moet hartverscheurend geweest zijn dat ze juist in dat ziekenhuis een longontsteking op liep en daaraan stierf.
Als kind kon ik dit verdriet nog niet bevatten, maar vroeg me wel vaak af hoe die tante geweest zou zijn.

Maar dit verhaal gaat over ome Harm.
De Bemjamin uit de famlilie Kramer.
De kleinste, maar zeker niet de minste.
Hij was een bijzonder grappige oom, waar je lol mee kon hebben.
De oom ook waar Opa en Opoe de meeste zorgen om hadden, volgens mijn kinderlijke opmerkinsgave van toen.
Hij was “goddeloos” zoals de tale Kanaäns dat noemde.
( let wel, ik probeer te praten vanuit de beleving van toen, hoe ik dat als kind beleefde)
Ome Harm zou, als hij zo bleef leven, naar de hel gaan, omdat hij niet graag naar de kerk ging, maar liever in de High Chaperel zat.
Dat was een bar in Emmeloord, en zoals ik vernam, de meest goddeloze plek, op aarde.
En die bar was nou juist de favoriete plek van Ome Harm…

Soms, heel zelden, kwam ik als kind in Emmeloord, wat hadden we er verder te zoeken, dan dat ik op een gegeven moment op zwemles ging in het Kinkhoorn bad te Emmeloord.
Wat was ik nieuwschierig naar die goddeloze High Chaperel, de plek waar je, als Jezus op dat moment terug kwam, rechtstreeks naar de hel werd gestuurd.
Ik wilde wel eens weten hoe zo’n bar er dan vanbinnen uitzag, en waarom dat een enkel reisje verdoemenis was.
Ik begreep dat de meisjes die daar kwamen net als Izebel, en Atahalia, twee heidense koninginnen uit de bijbelsche geschiedenis van Joh.Vreugdenhil, zwaar opgemaakt waren, de nagels rood gelakt, zoals de buurvrouw van Opoe dat ook deed, hun lippen eveneens felrood gestift.
Nou inderdaad, dan ging je naar de hel!
En laat die liefste ome Harm, de meest grappige en jolige figuur uit Opoes’ gezin nou net zo iemand zijn die daar dus een enkeltje voor op zak had, tenminste, als hij zich niet op tijd bekeerde.

Als kind begreep ik er niets van, waarom mocht je niet in de hemel komen, als je een beetje lol had?
Het was als op de plaat van de brede en de smalle weg, waar ik al eerder over schreef.
Al het plezier op de brede weg leidde naar het eeuwige vuur, de gebochelde en strompelende zieligerd op de smalle weg kwamen in de hemel.
En, dat was duidelijk, ome Harm vierde feest op de brede weg!
Hier een korte tijd van plezier en vermaak, dáár een eeuwigheid wening en knersing der tanden!

Op een gegeven moment kreeg ome Harm verkering met Dina.
Ome Harm en tante Dina.
En tante Dina was ook goddeloos…
Tja, wat wil je, hij had haar in de bar leren kennen.
Wat vond ik dat nou erg voor hun, zulke jolige lui, die niet in de hemel kwamen…
Het maakte me zo verdrietig, temeer daar ik dat hele hel-verhaal al zo verschrikkelijk oneerlijk en ongeloofwaardig vond.
Waren we dan allemaal voor de ondergang geboren?
Was ik zelf dan ook niet meer te redden?
Ome Harm zeker niet, dat was duidelijk, want ondanks de tranen van Opoe, ome Harm ging gewoon naar de High Chaperel.
Waarschijnlijk voelde ik me daarom zo tot hem aangetrokken, hij deed waar hij zelf zin in had, en had lak aan het doemdenken waarin hij opgevoed was.
In zekere zin had ik er ook lak aan, alleen, mijn kinderlijk brein had dat nog niet erg duidelijk, misschien mijn hartje des te meer.
Ik kon maar moeilijk aannemen dat ome Harm, en ik dus ook, geboren waren om naar de hel te gaan.

Op zekere dag waren mijn meest grappige oom en tante Dina, die voor Opa en Opoe, hoogstwaarschijlijk niet de meest ideale schoondochter was, verloofd.
Maar ach, ome Harm was ook niet de meest ideale schoonzoon…
Ze gingen trouwen!
Geweldig, we hadden een bruiloft in het verschiet.
Het meest spannende was nog wel dat ze beloofden dat ik bruidsmeisje mocht zijn!
Hoe opwindend was dat voor het verlegen kind dat ik was.
Wat zag ik ernaar uit, om net als tante Dina, die straks natuurlijk de meest fantastische bruidsjurk zou dragen, in een mooie bruidsmeisjesjurkje tante Dina’s sleep mocht dragen.
Een meisjesdroom kwam uit, de droom waarmee misschien wel elk meisje opgroeit!
Een bruidsjurk…

Wat ik me ook nog goed kan herinneren:
Het was Sinterklaastijd, één van de meest spannende periodes van het jaar.
We mochten van Moeder een verlanglijstje schrijven, wat uiteraard niet tegen dovemansoren werd gezegd.
( deze keer niet, alhoewel ik geloof dat ik best een braaf meisje was)
Ik zat op mijn knietjes op een omgedraaide stoel te schrijven toen ome Harm binnen kwam.
Hilariteit alom natuurlijk, ome Harm bracht altijd leven in de brouwerij.
Over mijn schouders keek hij mee, naar wat ik opgeschreven had, en beloofde me van alles en nog wat.
Ja, zo was hij…een vat vol vrolijkheid, leut en gezelligheid.
Het was nooit saai, wanneer ome Harm verscheen.

In die tijd zat ik bij meester Visser in de vijfde klas,(nu groep 7)
Op een dag kwam de hoofdmeester, meester Loosman, me uit de klas roepen, en vertelde me dat ik naar huis mocht gaan.
Hoe dat precies ging, kan ik me niet meer zo herinneren, maar er was iets vreselijks gebeurd!
Ome Harm, die kon zwemmen als een waterrat, was verdronken…
De sleepboot waarop hij werkte was s’nachts, terwijl deze aan de kade van de Brouwershaven lag, gekapseisd.
De andere opvarende, was op tijd weg gekomen, maar ome Harm werd vermist, waardoor het haast zeker was dat hij niet meer in leven was.

Een paar dagen later werd hij in de machinekamer van de gezonken sleepboot gevonden.
Vader was daarbij, samen met een andere oom.
Wanneer hij over deze afschuwelijke gebeurtenis praat, tranen zijn omfloerste ogen van verdriet en tegelijk van diepe ontroering.
Omdat er nog iemand bij was, een ouderling uit de kerk van Opa en Opoe.
Jan, (van Liek was zijn bijnaam geloof ik) een diep gelovig man, die in alle eenvoud Jezus uitstraalde.
Op dat hartverscheurende moment in de geschiedenis, waarop voor onze familie de tijd stilstond, terwijl om ons heen alles gewoon doorging, dat moment in de Brouwershaven waar Vader zijn dode broer, Harm, identificeren moest, vouwde Jan zijn handen…

Deze gevouwen handen bij het lichaam van ome Harm, zijn voor Vader één van de kostbaarste herinneringen in zijn leven.
Temidden van alle machteloze wanhoop en verdriet gaven die handen getuigenis van een genadig God, veel barmhartiger dan mensen dat zijn.
Deze gevouwen handen snoerden de hel zijn mond door te wijzen naar twee andere handen, vastgespijkerd aan een kruis.
Doorboorde handen die zich niet schamen zegenend het gebroken brood en de beker wijn te delen met goddeloze mensen,
als ome Harm
als Vader en Moeder
als jou
als ik
Tot Zijn gedachtenis,
Jezus, de gekruisigde en opgestane Heer…

(opgedragen aan ome Harm)

De Ommelebommelestien.

Ik ben 10 jaar, en er zindert iets in mijn familie.
Het zoemt rond als bijtje, geel zwart gestreept, op en neer dansend van verwachting en vrolijkheid.
Het bijtje komt goed nieuws brengen, zoet als honing.

Niet zoals de hinderlijke steekmug in de warme zomer, die je ondanks de hitte dwingt zelfs je hoofd onder de dekens te verstoppen, en je toch nog zizzend omringt om je wakker te houden terwijl je omvalt van de slaap.
Bidden dat die mug dood neer valt helpt ook al geen zier, net wanneer je zelf weer weg soest komt dat monster weer om je hoofd zizzen, totdat je woedend alles van je afgooit en het uitschreeuwt: “prik mij maar lek”
Lebberend, alsof je een baby aan de fles hebt gelegd, doet het hongerige schepseltje zich tegoed aan je bloed, waarbij het als dank dikke rode bulten achterlaat, die je de gansche volgende dag jeukend herinneren aan je dierenliefde.
Ach, het arme beestje is ook alleen maar bezig met dat wat God hem opdraagt, zich vermenigvuldigen!

Nee, het vrolijk zoemende bijtje, rondcirkelend om onze hoofden bracht vreugde, luister maar…
Moeder had op een mooie dag in het voorjaar gewinkeld bij Geert Oost, een kledingwinkel in ons dorp.
Geert kwam iedere maandag langs al zijn klanten, daarvoor had Moeder het pof/ spaar boekje de avond daarvoor al klaargelegd.
Wat heerlijk dat dat nog kon, Geert Oost pakte zelf het boekje uit de keukenkast, de ene keer iets bijschrijvend, omdat Moeder er een briefje van bv. 5 gulden in had gedaan, de andere keer, iets afschrijvend, omdat Moeder iets “ op de pof” had gekocht.

Op die dag stond Vader vol verwachting, als een bruidegom op zijn bruid, onder aan de trap te wachten,terwijl ik nog steeds niet wist wat er aan de hand was.
Maar dat werd al spoedig duidelijk toen Moeder zich ietwat generend, de trap af kwam dalen.
Ik vergeet nooit meer wat ze zei:” ik voel me net een olifant”
Maar wat was ze mooi!
Moeder bloeide…
Haar toen nog mooie donkere krullen, haar rode wangen, en verlegen lachende mond, die zulke lelijke dingen over zich zelf zei…
Een olifant!
Moeder kwam beneden in een prachtige lila jurk, een kleur die haar bloeiend lichaam volledig recht deed.
Vader glom van trots op zijn Marrie, ze was in verwachting!
Hiep hiep hoera, we kregen een broertje of zusje…
Nou ja, liever een broertje, bad ik elke avond geknield voor mijn bedje, zusjes had ik al genoeg.

Moeder werd dus ronder en ronder, wat ik maar voor lief aannam, verder dacht ik niet na.
Vrouwen die in verwachting waren kregen een dikke buik, en droegen wijde jurken, zo was dat in die tijd waarin het Op de pof boekje nog gewoon in de keukenkast lag, achter een deur die nooit op slot ging.
Moeder had bij Geert Oost op de pof dus een prachtige lila pof jurk gekocht, die zwierend om haar vruchtdragend lichaam fladderde.
Tegen de tijd dat de jurk haar buik niet meer hoefde te verhullen was de “positiejurk” zoals men dat noemde, afbetaald, en kon Moeder weer voor iets nieuws sparen.

Hoe het kindje in Moeders buik terecht was gekomen en hoe het er in hemelsnaam weer uit moest wist ik echt niet!
Ik dacht zelfs dat het uit haar navel zou komen, want waar zat dat knopje er tenslotte anders voor?
Vader en Moeder maakten me wijs, zoals alle andere kinderen dat werd verteld, dat Vader op een goede dag in een bootje naar de Ommelebommelestien moest roeien, een grote kei in het water van het IJsselmeer, waarvan de bovenkant nog net zichtbaar is.
Daar aangekomen, en meestal stormde het dan al behoorlijk, vandaar dat het nog best een spannend onderneming was, kreeg Vader dan een baby aangereikt.

Stel je voor dat het waarheid zou zijn, hahaha, ik zie Vader, terwijl hij een baby in de armen heeft, worstelen het bootje weer aan de kant te krijgen.
Dat zal heel wat Vaders het leven gekost hebben, over de arme schreiende baby’s nog maar te zwijgen…

Maar op een prachtige zonovergoten dag, midden in de zomervakantie, was het zover!
Ik werd naar Opa en Opoe gestuurd, die gelukkig niet ver van ons af woonden, en moest daar wachten op wat komen ging.
Na enkele uren mocht ik van Opoe even kijken of ik al een broertje of zusje had gekregen van de Heere God…
( tja, waar kwam het nou vandaan hè?)
Als een volleerd hardrenster vloog ik naar huis, waar de deur nu wel op slot was!
Maar gelukkig, Vader kwam voor mij en mijn zusjes al snel open doen.

Ook dit moment staat als een kostbare herinnering in mijn herinnering gegrift: Het gezicht van Vader!
Niet eens wat hij zei, maar hóe hij het zei:” het is een jongetje.”
Zijn blijde jubel, na vier dochters een zoon voor Vader, was als een orkest dat de Cellist begeleidt in zijn ontroerend spel op dit machtig instrument.
De tranen van ontroering zijn niet zozeer voor het ondersteunend spel van de andere muzikanten, die tranen biggelen langs de wangen door het spel van de strijkstok op de snaren van de Cello.

Zo ontroerde het gezicht van Vader…
Moeder had hem een zoon gebaard!
Wij hadden een broertje!

Als een gazelle rende ik de trap naar boven, en daar lag Moeder, moe en trotst met ons broertje in de armen in bed.
Wat waren we allemaal blij, maar Vader het meest van allemaal!
Hij had zich ook gehouden aan de vreugdevolle opdracht, zich voort te planten…

Na 4 dochters had hij een zoon, vernoemd naar zijn nog maar pas geleden verdronken jongste broer en naar Opa:
Harm Hendrik Kramer

Meester Stolp.

Op de lagere school in de derde klas had ik de leukste meester ooit.
Waarschijnlijk kan iedereen zich een meester of juf bedenken die in het geheugen een bijzondere plek inneemt.
Dat kan zowel positief als negatief uitvallen natuurlijk.
Zo was er juf van Veentje voor klas twee, gelukkig niet mijn juf, ik heb nooit bij haar in de klas gezeten.
Ze voerde met haar misvormd figuurtje een waar schrikbewind in de school.
De verhalen over haar, die ik gelukkig niet zelf bevestigen kan, waren niet mals.
Zo had ze een lineaal waarmee ze menig kinderhand bont en blauw gemept heeft.
Het is voor deze tijd ondenkbaar natuurlijk dat dat zou gebeuren en dat zou ik ook niet willen.
Het tegendeel is eerder waar, de kinderen zijn vaak de baas in de klas.
Vaak niet omdat ze dat al vanaf hun geboorte van plan waren, nee, hun ouders hebben ze klaargemaakt voor dat plan.
Opgevoed als keizertjes en keizerinnetjes, staat papa of mama regelmatig op de stoep van de school omdat juf of meester hún kind niet als het belangrijkste kind in de klas behandelt.
Wanneer een paar andere ouders hetzelfde over hun kind denken heb je de poppen aan het dansen.

Maar goed, in de derde klas had ik meester Stolp.
Deze meester was opgegroeid in Nederlands Indië en dat had zijn weerslag op zijn hele doen en laten.
Buiten dat hij de meest lieve meester was, hij had een bijzondere hobby, hij tekende voor ons een stripboek; Jan en Ibo.
Zonder het toen te beseffen hadden we een lijntje, het schrijven van verhalen, waarbij hij dat in stripvorm deed.
In zwart/wit vertelde hij over een blanke jongen, Jan, en over een donkere jongen, Ibo.
Op internet heb ik nog gezocht naar Jan en Ibo, want oh, what is het jammer dat dat gestencild boekje verloren is gegaan.
De avonturen van Jan en Ibo hebben vast te maken gehad met de jeugd van meester Stolp, maar als kind kon ik dat nog niet bedenken.
Net zoals veel van mijn eigen verhalen een reflectie en jeugdherinneringen van mij zelf zijn, zo zal het boekje over Jan en Ibo dat ook geweest zijn voor meester Stolp.
Het was een geweldig fijn schooljaar, de derde klas.
Nog in de oude Wilhelminaschool, vlak bij de haven en het strand.

Op een dag ging meester Stolp de klas veranderen, iedereen kreeg een ander plekje.
We hadden toen nog van die houten schoolbanken die in drie rijen in het klaslokaal opgesteld waren.
Twee aan twee zaten we in die schoolbanken, die zelfs nog een inktpotje hadden.
Meester Stolp gaf ieder kind dus een andere zitplaats.
Mijn tweelingzus en ik zaten elk ook in één van die schoolbankjes.
In feite hadden we ons eigen eilandje in de klas, zoals dat vaak gaat in de wonderlijke symbiose tussen tweelingen.
We kibbelden heel wat af samen, wat ongetwijfeld voortkwam uit het feit dat je nu eenmaal anders omgaat met je zusje dan met een vriendinnetje.
We waren zusjes, en tegelijkertijd tot elkaar veroordeeld als vriendinnetjes.
Een soort van ongewild bondje, dat niet altijd goed uitpakte.
Zo ook in de klas bij meester Stolp…hij haalde ons daarom uit elkaar!
Meester Stolp heeft vast niet in de gaten gehad wat hij deed, want niet eerder hadden we elk onze eigen plek, we hadden één plek voor ons twee.
En meester Stolp haalde ons uit elkaar, hij voltrok een Tweelingscheiding!
Ongetwijfeld een bijzonder verhaal voor psychologen die de symbiose tussen meerlingen bestuderen, maar meester Stolp leerde ons de tafels en vertelde ons over Jan en Ibo, waarbij hij het effect over wat hij deed met ons als tweeling onderschatte.
Sommige kinderen uit de klas van toen herinneren het zich nog:
we hebben de hele school bij elkaar gehuild.
Misschien was deze actie goed gegaan als dat voorbereid gebeurt was, en hoogstwaarschijnlijk zou het voor onze ontwikkeling ook goed zijn geweest, maar op dat moment was het drama met tranen en tuiten.
Meester Stolp had dit natuurlijk niet voorzien, de arme man…
We moesten beloven niet meer zo te kibbelen, waarna we een plek vooraan kregen toegewezen, onze schoolbank tegen het bureau van meester Stolp.

Dat hij van kinderen hield was duidelijk, en als kind voelde ik me wel heel speciaal toen hij een keer een Tweelingtulp, twee tulpen uit één steel, voor ons meenam.
Het drama van de Tweelingscheiding staat natuurlijk in mijn herinnering gegrift, maar zeker niet als trauma.
Ik kan er hartelijk om lachen.
Dat zal vast en zeker te maken hebben met meester Stolp, een gepassioneerde man met hart voor kinderen, waardoor ik me veilig voelde in klas drie.
Samen met de witte Jan en de zwarte Ibo.

De brede en de smalle weg.

Als kind was ik vroeger enorm gefascineerd door de plaat van de brede en de smalle weg.
Uren stond ik voor de etalage van de plaatselijke christelijke boekhandel deze afbeelding te bestuderen.
Alsof het de Nachtwacht van Rembrandt betrof, of het Meisje met de parel van Vermeer, ik kon er geen genoeg van krijgen.

Zoals de kunsthistoricus de oude meesters bestudeert, en zelfs digitaal een doek screent in een röntgenapparaat, waardoor we precies weten met welke ingrediënten Rembrandt zijn verf maakte, zo nam ik iedere millimeter van het schilderij ” de brede en de smalle weg” in me op.
Hopend op het antwoord van mijn levensvraag; “hoe kom ik in de hemel?”
De vraag die me vanaf dat ik denken kon bezig hield, omdat ik de logica van de hel als mijn voorbestemde eindbestemming niet recht kon breien in mijn verstand.
Ik weigerde te geloven dat ik geboren was voor de hel, want dat te geloven over een God die me notabene zelf gemaakt heeft, riep in mij een enorme weerstand op.
Ik was altijd bezig met de vraag wie Jezus is en wat Hij in mijn levensverhaal betekent.

Lag het antwoord in de afbeelding van de brede en de smalle weg?
Want het was duidelijk, ik bewandelde of de of de ene of op de andere weg!
Meer wegen waren er niet…
Wat me daarom allereerst verbaasde was dat de plaat dan wel zo heette, ” de brede en de smalle weg”, maar hoe zat het dan met het plein op de voorgrond?
De brede weg eindigde namelijk in de hel, de smalle weg in de hemel.
Maar waar ging je naar toe als je op dat plein, vóór de twee poorten naar beide wegen, dood ging?
Deze vraag kwelde mijn kleine “zondige” hartje, omdat ik me in mijn kinderlijkheid vooral op dat plein het meest veilig voelde.
Daar was alles neutraal en kon het nog alle kanten opgaan.

Wat me ook kwelde was waarom het er op de brede weg veel gezelliger aan toeging dan op de smalle weg.
Hield God dan niet van vrolijke mensen die feestelijk gekleed plezier maakten in de draaimolentjes van de kermis?
De vrouwen op die weg droegen prachtige japonnen in allerlei mooie kleuren, iets wat me enorm aan sprak
Terwijl ik op zondag naar de kerk een hoedje op moest, gingen de dames met hun prachtige hoeden op de brede weg rechtstreeks naar de hel.
In de kerk staken de vrouwen met het ene nog mooiere hoofddeksel dan het andere elkaar vaak naar de kroon, terwijl de vrolijk feestvierende kermisgangers zich van geen jaloezie en nijd bewust plezier rond lieten zwieren, en daarom door de hoeden bedekte hoofden in de kerk hoeren werden genoemd.
Waarom, zo vroeg ik me af, mocht ik geen plezier hebben in het leven?
Plezier is op de plaat automatisch de snelweg naar het eeuwige vuur.
Maar in mijn ogen was het veel leuker op de brede weg.
De prijs die je ervoor betaalde was het het misschien wel waard, je had tenminste lol gehad in het leven zo redeneerde ik.
Maar als ik dan weer het eeuwige vuur van de hel in mijn nek hoorde hijgen, kneep mijn meisjeshartje samen van angst voor die plek van wening en knersing der tanden.
Het korte plezier hier had wel een heel hoge prijs!

Toch maar op de smalle weg gaan wandelen leek me ook niet echt een optie.
Deze weg vol stenen en hobbels is op de plaat enkel kommer en kwel.
Niemand is fatsoenlijk gekleed en aan eten was volgens mij ook gebrek in overvloed.
Juist dat strompelen in allerlei tekorten eindigt op de plaat in de hemel, de plek waar je tot in eeuwigheid gelukkig bent.
Ik vroeg me kinderlijk af waarom ik van God alvast niet een beetje plezier mocht hebben voor mijn dood…
Of was het mogelijk om eerst de brede weg met haar goddeloze geneugten te bewandelen, te dansen in de bankzalen op die weg, en dan op het eind gauw over te steken?
Maar hoe kon ik weten waar voor mij het eind zou zijn?
Wat was dan het meest geschikte plekje om snel het laatste stukje de smalle weg te strompelen?

De afbeelding deed het conflict in mezelf alleen maar escaleren, hoe vaak ik ook smachtend naar een antwoord voor de etalage van die winkel stond.
Mijn ziel onrustig en verslagen vond ook in dit schilderij geen rust.

Tot ik erachter kwam dat deze onrust nodig was!
In alles wat zich afspeelde in mijn hoofd en hartje was het Jezus zelf die mijn zieltje beroerde.
Als Moeder, die s’morgens mijn bordje havermout kookte en om het niet aan te laten branden, met een pollepel over de bodem van de pan roerde, zo roerde Hij met zijn liefdevolle vingers op de bodem van mijn ziel.
Hij is 2000 jaar geleden al voor mij in de hel geweest om daar elke aanklacht te vernietigen en de aanklager te schande te zetten.
Dat deed Hij vanuit een hart vol liefdevolle ontferming voor het meisje dat uren staarde naar de plaat van de brede en smalle weg, en maar één verlangen had : bij Jezus te horen!
Die ene vraag :” vertel mij wie Jezus is” heeft vanaf mijn geboorte mijn leven beheerst.
Ook nu nog, nadat ik Hem ken, omdat Hij mij kent.
Omdat ik steeds meer ontdek dat ik een eeuwigheid nodig zal hebben in mijn zoektocht naar wie Hij is.
Gelukkig heeft Hij deze eeuwigheid zelf in het vooruitzicht gesteld en verlangt Hij zelf, nog meer dan ik verlang naar Hem, naar mij!

Wat ik hier van Hem weet is dat Hij met ontferming bewogen was over het meisje dat vanaf haar geboorte huilde omdat het toen de woorden nog niet had:” vertel mij alsjeblieft wie Jezus is”
Hoe kon ik toen weten dat ik al vanaf de schepping met Hem verbonden ben, en mijn vraag naar wie Hij is daar het logische gevolg van is.

Mijn liefste is van mij
Ik ben van Hem,
Hij
Jezus
De Weg…

lees voor de aardigheid ook eens

Kermis

Een lebberend hertje met een nieuw tasje

We waren een keer met de Ford een dagje uit geweest.
Waar naar toe weet ik niet meer, de terug reis des te meer.

Als kinderen zaten we op de achterbank als afleiding de rode auto’s te tellen, of de blauwe, of we zwaaiden naar de voorbijgangers.
Het was superleuk wanneer er dan, uit de aan ons voorbij sjoevende auto’s terug gezwaaid werd.

Op een gegeven moment draaide Moeder zich naar ons om en zei dat we onze ogen stijf dicht moesten knijpen, want ze had een verassing voor ons.
Waauw, een verassing, Vader en Moeder hadden een cadeautje voor me gekocht!
Gehoorzaam kneep ik mijn ogen stijf dicht, maar ja, het lukte niet…
Ik was te nieuwsgierig!
Ik hoorde Moeder iets uit een tas vóór haar pakken.
Het ritselende papier zette al mijn zintuigen op scherp.
Wat voor mysterie speelde zich af in Moeders handen?
Stiekem keek ik tussen de haartjes van mijn wimpers naar Moeder, bang dat ze het kon zien.
Ik zag iets wat ik nooit meer vergeten ben…
Ook nu tijdens het schrijven ontroerd de herinnering me tot in het diepst van mijn ziel.
Het was lachende gezicht gezicht van Moeder; haar boventanden van plezier bijtend op haar onderlip, de blijde verwachting, het kinderlijk gelukkig zijn van geven, de hoop op een enthousiaste reactie van onze kant.
Moeders gezicht straalde geluk uit!
Het voelde voor mij alsof ik haar betrapt had op iets zeer intiems.
Alsof ik door het stiekem toch tussen de wimpers van mijn net niet dichtgeknepen ogen, Moeders kinderlijke blijdschap mij met iets te verassen verstoord had.
Een inbraak in het moment van nog even heel intiem alleen te zijn met haar geluk…
Ten diepste straalde haar gezicht omdat ze van me hield, dát is wat ik zag.
Ik zag het gezicht van een liefhebbende Moeder die nooit geleerd had haar gevoelens in woorden te uiten, en daarom een cadeautje voor me gekocht had.
Omdat ik zo hunkerde naar haar liefde, schaamde ik me haast voor het stiekem naar haar kijken, het zien van háár verlangen naar erkenning, terwijl ze dacht dat ik mijn ogen stijf dicht had.
Ook ik wist met mijn gevoelens van snakken naar liefde en erkenning geen raad, en kon het alleen maar uiten in het al vanaf mijn geboorte te huilen.

Dit moment in de auto op weg naar huis, Vader aan het stuur, die ons altijd veilig thuis bracht, Moeder half naar ons omgedraaid, haar glanzende ogen, een pakje in haar handen, het staat met gouden letters in mijn geheugen gegrift.

En wat een mooi cadeau hadden ze voor me uitgezocht, een wit meisjes/ damestasje voor naar de kerk!
Thuis gekomen rende ik naar mijn slaapkamer, waar in mijn nachtkastje mijn ander kostbaar bezit lag, mijn eigen psalmboekje met het rode kaft.
Voorzichtig opende ik mijn tasje, bang het knipje al te snel lam te maken.
Mijn psalmboekje waar ik nu een leesbrilletje voor nodig heb om de kleine lettertjes te kunnen kunnen lezen, heeft nooit een mooiere verpakking gehad dan mijn eerste kleine meisjestas…
Trots als een pauw zat ik de volgende zondag, zoals ik de andere vrouwen zag doen, met mijn tasje op schoot.
In de naïeve kinderlijke verwachting dat iedereen zou zien dat ik een nieuw tasje had…

Het zal vast niet dezelfde zondag geweest zijn, maar wat ik me vooral herinner van die zondagen in het kleine Bonder-kerkje, is de keer dat we psalm 42 zongen.
Mijn ome Jan, de jongere broer van Vader was organist, en speelde die zondag op het orgel.
Zoals toen heb ik nooit meer in een kerk psalm 42 gezongen.
Het was alsof ik in de hemel was, alsof mijn hunkerend hartje als het naar water snakkend hertje uit die psalm eindelijk het beekje met vers stromend water gevonden had.

Mijn oom trok alle registers van het orgel open en deed de ramen van het kerkje trillen.
Als op dat moment het glas uit de sponningen gesprongen en kletterend naar beneden gevallen zou zijn, had niemand zich daarover verwonderd, zo logisch zou het geweest zijn.
Wanneer het dak door de hunkerende explosie van verlangen eraf gevlogen en ergens in het IJsselmeer, in de dorpen rond het meer een Tsunami teweegbrengende plons zou hebben veroorzaakt, was tevens niemand verbaasd geweest.
Tot aan het einde der tijden zou het een prachtig verhaal geweest zijn natuurlijk, waard om te worden verteld.
Maar de ramen bleven heel, het kerkgebouw behield zijn dak, alhoewel ik die zondag een open verbinding met de hemel ervoer.

Het orgel nam ons als gemeente mee in een trance van oorverdovend en tegelijk fluisterend smeken.
Op hele noten en als uit één keel juichte ik met de gemeente mee dat ik aan de jacht ontkomen was en nu verlangend schreeuwde naar het genot van de frisse waterstromen, zoals die alleen bij God te vinden zijn.
Als het jonge hertje nam ik uitgelaten een sprong om met mijn pootjes middenin staand, het levend water uit de beek te lebberen, hopend dat deze euforische beleving nooit meer stoppen zou.
Dit heilige moment was waar ik vanaf mijn geboorte al naar snakte, de hemel die de aarde raakte als in het schilderij van Michelangelo.
Het verhaal van de wederkomst van Christus was een in nevelen gehuld mysterie, maar wat hoopte, en ik verwachtte het ook op dat moment, dat Jezus me op kwam halen.

Op heel Urk moet het te horen zijn geweest, tenminste dat is waar je als kind op zo’n heilig moment vanuit gaat.

Ik moest eraan denken toen we gisteren in mijn kerk van nu psalm 42 zongen in de nieuwe berijming.
Een lied van sterk verlangen naar troost van de Heer.
Een lied geschreven door een moegestreden ziel, een ziel die niets anders te eten heeft dan zijn eigen tranen.
Gehoond en bespot door de vijanden;” waar is je God nu?” verlangt deze mens, die eerder nog vooraan in de stoet jubelend en juichend op weg naar het feest liep, naar de vreugde van weleer.
Totdat hij zijn eigen ziel toe gaat spreken:
“ waarom ben je zo onrustig?
De ziel antwoord:
“ omdat ik me zo verdrietig voel hier op de berg Hermon, in het gebied van de Jordaan.
Golf na golf slaat schuimend en bruisend over over me heen.”
“Vertrouw op God! Sla je oog naar boven” spreekt de gelovige zijn ziel toe, “Ga Hem prijzen, Hij is jou Redder en jou God!
Elke nacht geeft Hij een lied in je binnenste.
Een gebed tot de God die je leven leidt.
Hij is de vaste rots onder jou voeten”

Zoete herinneringen van een klein, onzeker en bang vogeltje dat ik vroeger was.
Op zoek naar een stokje waar ik rusten kon.
Totdat Hij, Jezus, mijn rustpunt werd, en ik besefte dat Hij dat altijd al geweest is.
Dat meisje dat in de grotemensen bank met haar voetjes de vloer niet raken kon, zingt nu staand op de vaste grond van het geloof:

Waarom, ziel, zo aangeslagen?
Waarom boordevol verdriet?
Hoop op God en laat je dragen.
Hij vergeet je zeker niet.
Want de dag komt en is nu,
Oh mijn Heer, ik hou van U
U verblijdt U zeer in mij
In Uw liefde ben ik vrij.

Zelfs het donker schrikt niet af,
U geeft psalmen in de nacht.
U mijn rots en trouwe vriend,
Hebt het heil voor mij verdiend.
U zet steeds mijn voeten recht,
Hebt de strijd voor mij beslecht.
Vrolijk loop ik nu Uw pad,
Want ik ben Uw liefste schat!

Zing je mee?
Het geeft niet als het soms met een bibberend stemmetje is…

Poerstok.

Wanneer het zomer was gingen Vader en Moeder graag naar de dijk met ons.
Een oud sprei, dat we nu vintage noemen, broodjes, koffie en gazeuse mee, genietend van klein geluk.
Moeder vindt zwemmen altijd al heerlijk, waardoor het water van het IJsselmeer een enorme aantrekkingskracht op haar heeft om bij de stenen onder aan de dijk al zwemmend het ruime sop te kiezen.
Juist daar kan ze, net over de geul, lange einden weg zwemmen.
Vader vindt het heerlijk om zijn ontblote bast te laten koesteren in het warme zonnetje, vandaar dat hun lievelingsplek in de zomer, net voorbij het eerste hek van de dijk, ettelijke dagen bezet was.
Het op eerdere dagen platgetrapte hoge gras van de dijk gaf hun geliefde stekje aan het door schaapjes bevolkte groen aan.
Wanneer we de keuteltjes van de blatende bollen wol op vier poten hadden weg geveegd, spreidde Moeder het kleed en konden we gaan recreëren onder het wolkenloze blauw van Vaders’ hemelruim.

Vader had op een goede dag van een boomtak een poerstokje voor mij gemaakt, waarmee ik het ene na het andere voorntje ophaalde.
Vraag me niet hoe het kan, maar toen ik een echte hengel kreeg heb ik lang niet meer zo veel visjes kunnen verleiden de worm aan het haakje op de peuzelen
Alsof ook in de singels en het water van het IJsselmeer een automatisch afgesproken quotum was ingesteld zonder dat enig minister van landbouw en visserij zich daarmee bemoeid had, laat staan de hotemetoten die het visserijbeleid in het Europees Parlement bepalen.

Of misschien vonden de voorntjes het wel schattig, een klein meisje met een door Vader provisorisch in elkaar geknutseld hengeltje.
Als ze geweten hadden dat ik zo gemeen was om hen in met een worm vermomde haak te laten bijten, had vast nooit één visje zich door mij laten bovenhalen.
Ze zouden de hele school vissen bij elkaar geroepen hebben om elk voorwerp, dat beslist niet op de bodem van hun leefwereld thuis hoorde, aan mijn haak te hangen.
Het liefst zo zwaar mogelijk om wanneer mijn dobber aangaf dat ik beet had, en ik verrukt mijn hengel op wilde halen, door het gewicht voorover kukelde en pardoes tussen de mij uitlachende voorntjes belandde.

Zie je het voor je?
Nou ik wel…
Beduusd en in shock duikel ik voorover.
Wanneer er een wedstrijd onelegant-springen zou bestaan had ik vast en zeker het erepodium behaald, toegejuicht door de waterbewoners die mij gecoacht hebben deze plek te behalen.
Met hun getuite vissenlippen roepen ze “lekker puh” waarna alle toeschouwers op de tribune door hen aangemoedigd luider en luider mee roepen” lekker puh”.
De plaatselijke fanfare bespeeld toeterend en trommelend hun trompetten en slagwerk, waarbij de grote trom de maat aangeeft in het roepen van “ lekker puh”
Door het uitgelaten lawaai, gaat het dak van het stadion eraf en belandt met een kracht als afgeschoten door een kanon uit de tachtigjarige oorlog, zo eentje als bij het Naarden Vesting Museum, temidden van het maisveld van de trotse boer, die juist vanmiddag nog bij de buren opgeschept had over zijn hoge goudgele mais.
Verdorie, nu ligt daar dat dak van het nabijgelegen zwemparadijs, midden op zijn veld met geknakt mais.
Hij vraagt zich af waarom het nou juist bij hem en niet op het naastgelegen veld van de buurman is belandt, daar hij zeker weet dat zijn collega tussen het mais een ander tuintje heeft gezaaid.
Verborgen tussen de maisplanten staan, welriekend als de geuren in het Vondelpark, honderden wietplantjes welig te groeien en bloeien.
Omdat hij zichzelf niet de beroerdste vindt heeft hij het maar gedoogd, in de hoop straks een graantje mee te pikken van de oogst.
Tja, zijn eigen oogst is grotendeels verloren gegaan…
Nog een gelukje dat hij zojuist zijn rondgang tussen het mais gedaan had, anders was hij nu zelf geplet geweest.

Nieuwschierig welke ontploffing deze vernieling heeft aangebracht besluit hij op het uitbundig en steeds meer hysterische ” lekker puh” geroep af te gaan.
Hij is niet de enige, blijkt spoedig.
Al gauw belandt hij in een file van toegestroomde wielrenners, hardlopers, automobilisten en touringcars.
De chaotische toestand noopt de politie orde op zaken te stellen, maar de uitgelaten menigte laat zich niet tegenhouden, bang zich dit pretje af te laten pakken.
De atmosfeer trilt van opgewonden verwachtig, over wat er aan de hand is in het eerst nog overdekte zwemparadijs maar sinds kort een openluchttheater.
Ten einde raad roept de politie de hulp van het leger in, daar ze onmogelijk de aanzwellende menigte in de hand kan houden.
Om nou al die blije mensen met de wapenstok te lijf te gaan, lijkt hun ook niet zo verstandig, nee, hier is een hogere macht nodig.
Al gauw komen van alle kanten leger jeeps, bemand met knappe in legeruniform gestoken stoere jongens de politiemacht versterken.
Maar ach, het is onbegonnen werk…
Wat moeten ze nu doen, al deze groen en blauw geklede machtsdienaars?
Één voor één gooien ze hun petten en wapenstokken van zich af om zich temidden van het gejuich en gejoel te begeven, waarna de uitgelaten menigte hen al skydivend begroet.

Het wordt al gekker en gekker!
De op de hoogte gebrachte nationale pers komt ook snel ter plaatse.
Daar het onmogelijk is zich een weg door de mensenmassa te banen zetten ze helikopters in, om in een concurrentiestrijd de eerste te zijn die op tv en internet verslag uitbrengt van dit wonderbaarlijke mysterie in het nog voor kort onbekende dorpje aan het IJsselmeer.

De boer die tussen het mais zijn verboden kruid heeft aangelegd, begint zich nu toch wel te knijpen…
Stel dat de scherpe ogen van de pers zijn geheim ontdekken?
Het is haast niet meer te voorkomen, dat snapt hij wel, en om nou in allerijl zijn bijna rijpe plantjes te gaan oogsten, daar is het nu al te laat voor.
Het loopt hem groen en geel tussen zijn benen van benauwdheid, en in gedachten ziet en hoort hij de blauw gillende flikkering van de politiesirenes zijn erf op scheuren, om hem en zijn van niets wetende echtgenote geboeid af te voeren.
Hij ziet de krantenkoppen al voor zich:” streng gereformeerde boer betrapt op wietteelt”
Maar gelukkig, zijn schietgebedjes worden verhoort, het lijkt de nieuwsvergarende pers te gaan om wat er in het zwembad gebeurt.

Ondertussen sta ik bedremmeld op het erepodium, mezelf verbaasd afvragend wat er om me heen gebeurt.
Ik heb toch alleen maar mijn door Vader geknutseld poerstokje uitgegooid…

Verbijsterd zie ik Mathijs van Nieuwkerk, uit één van de boven mij cirkelende helikopters, aan een touw met veiligheidszitje neergelaten worden.
Onmiddellijk gevolgd door Jeroen Pauw en Twan Huys.
Vlak na elkaar landen ze aan mijn voeten, waarna de drie journalisten elkaar in de haren vliegen over wie deze primeur binnen mag halen.
Welke primeur, wat is hier in vredesnaam aan de hand?
Ik gooide toch alleen maar mijn poerstokje uit, waarna ik door de zwaarte van wat er aan mijn haakje hing voorover kukelde in de meest onelegante duik ooit gemaakt.

De zwemmeester maakt een eind aan de strijd tussen de mannen die alsof ze drie haantjes zijn, de één nog luider dan de ander kraaiend elkaar de veren uitrukken in hun gevecht om dat ene kipje.
En dat kipje schijn ik te zijn!
Dat wordt me plotseling duidelijk.
Terwijl ik vanmorgen nog met Vader en Moeder, aan de dijk mijn simpele door Vader gemaakte poerstokje uitwierp, in de hoop mijn emmertje te vullen met voorntjes, of misschien wel een dikke paling.
Moeder ging kilometers een uit mijn zicht verdwenen verte zwemmen, waardoor ik in mijn kinderfantasie gevoed brein haar weer aan land zag klimmen in Enkhuizen, aan de overkant van het IJsselmeer.
Vader lag tevreden knorrend op ons sprei-kleedje, en ik staarde met tegen de zon inkijkend tot spleetjes dichtgeknepen ogen naar mijn, door het rustig kabbelende water van het meer, op en neer bewegend dobbertje.

Alsof ik geen stem in het geheel heb sluiten de drie kemphanen aan de voet van mijn ereplek een verbond, en om de lieve vrede wordt besloten er een gezamenlijke show van te maken, waarbij na loting Mattijs van Nieuwkerk de eerste vraag mag stellen.

Onder luid applaus zit ik s’avonds aan tafel van een nog nooit eerder zo vredige samenwerking tussen de verschillende omroepen.
De draaiende camera’s nemen iedere beweging op, en zenden via alle zenders live uit.
Als eerste wordt verslag gedaan van de op pleinen en in stadions opgestelde metershoge schermen, zodat iedereen kan meegenieten van een nog nooit eerder zo vermakelijke uitzending.
Mij wordt verzekerd dat in de hele wereld mensen op de been zijn, om zich te begeven naar plekken waar men de rechtstreekse uitzending kan mee beleven.
Een grote verbroedering van elkaar begroetend en zoenend zwart, geel en blank gekleurde mensen, is op zich zelf al reden deze uitzending nu al als meest bekeken progamma ooit te bestempelen, en meteen te nomineren voor de gouden Televizierring.
Ik hoor om me heen fluisteren over wereldwijde stemming voor de aanstaande uitreiking van de Nobelprijs voor Onbezonnen Lol en Jolijt aan ….mij?
Ik heb, verstomd van verbazing en ongeloof, nog steeds geen woord uit kunnen brengen.
Wanneer het sein gegeven wordt met de live uitzending te kunnen starten, vraagt Matthijs van Nieuwkerk met een van spanning trillende stem, (zo onzeker heb ik hem nog nooit gehoord ) “vertel eens, wat maakt dat het je gelukte om in één dag een zo grote wereldwijde beweging in gang te zetten?”

Huh?
Terwijl ik nog nadenk over welke beweging hij bedoelt, en wat ik antwoorden zal, voel ik iemand aan mijn arm schudden, en hoor in de wazige verte van mijn, in het zomerzonnetje gekoesterd slaperig brein, de stem van Vader roepen;
“ Onze Trien, je hebt beet…”

Kruis van Verdienste

Soms stel ik mij voor hoe mijn vroege begin van nog in Moeders buik te groeien was.
Vader en Moeder net de wittebroodsweken achter zich,weten nog van niets, ze maken als pasgetrouwd stel plezier met elkaar.

Het is Maandagmorgen, Moeder haalt het bed af, hangt de dekens te luchten en wast de lakens van het jong-echtelijk liefdesnest.
Daar zal ze best een karwei aan hebben, omdat dit nog op de hand gebeuren moet.
Gelukkig is het mooi weer, en kunnen de hagelwitte lakens buiten aan de door een stok omhoog gestoken waslijn drogen.

Ik zie Moeders gezicht vol trots haar lakens bezien, verblindend wit , wapperend in het zachte September briesje van het dorp aan het IJsselmeer.
Nu al heeft ze heimwee naar Vader, en telt vanaf maandag de dagen en nachten af.
Vier nachtjes alleen in het tweepersoons bed en daarna weer heerlijk voor drie nachtjes bij elkaar…
Moeder krijgt blosjes op haar wangen bij de herinneringen van het samenzijn en het verlangen en uitzien naar de thuiskomst van haar jonge echtgenoot op vrijdag.

Ze denkt terug aan het moment op 10 mei 1959.
Haar vingers draaien onwillekeurig haar smalle gouden trouwring rond, het teken van trouw dat ze als prille jonge bruid, Marrie van Marrie van Riekeltjen om haar ringvinger geschoven kreeg van Joh. van Harmen van het Witte Huisje.
Hun ” ja” had luid en duidelijk geklonken op het raadhuis in Urk.
Ondanks dat veel familieleden zich niet verenigen konden met de partnerkeus van beiden, zij hielden van elkaar!
“Johannes Kramer neemt gij…?”
” Ja”
“Marjo Visser, neemt gij…?”
” Ja”
Het verbond tussen deze 2 jonge mensen was een feit!

Vader stapt op deze maandagmorgen ondertussen aan boord van de sleepboot, zijn paar vierkante meter werkterrein.
De motor puft kuchend zoals alleen een sleepboot dat kan, en Vader droomt op de cadans van dit ronken over zíjn Marrie van Riekeltjen.
Het vroege morgenzonnetje van die September maandag streelt zijn gezicht alsof Moeder zijn wangen met haar kussen bedekt.
Zijn mond vormt zich tot een glimlach, en doet zijn hele jonge mannen-lijf gloeien van geluk.
Wat is hij verliefd op zijn jonge bruid, de knapste van alle 10 dochters van Riekeltjen en Marrie Visser.
Zijn handen draaien rond het het gladde hout van het roer alsof hij zijn bruid streelt, waarbij heimwee naar haar zijn hart pijn doet.
Het water is zijn terrein, de meest mooie werkplek op aard, maar straks weer thuis te zijn bij zíjn Marrie…!
Waar hij ook vaart met zijn boot, Neerlands trots wappert Rood Wit Blauw achter Vader aan.
De wind in de vlag neemt de echo van het fluisterend noemen van haar naam, ” Marrie” , zijn bruidje mee over de golfslag van het ruime sop.
Lispelend over het kabbelend en vriendelijk in het zonlicht glinsterend water komt het aan land.
De zachte bries doet nog wel zijn best de echo als een ” return to sender” terug te blazen, maar de in liefde uitgesproken naam wint het van de wind.
Zich gewonnen gevend draagt ze de echo naar de waslijn van Curaçaostraat 5 waar de witte lakens, wapperend als de vlag op Vaders boot, haar fluistering in ontvangst nemen.

Moeder, omringd door de schittering van zon en wapperend wit katoen, voelt een plotselinge rilling in haar lijf.
Teer als het eerste klapwieken van een jong duifje, neemt ze een lichte fladdering waar in haar lijf, het lichaam van een meisje dat plotseling vrouw is.
Nog steeds met haar vingers de smalle gouden ring aan haar vinger ronddraaiend, trachten haar handen het onbekende binnenin haar te vangen.
Daar, waar niet meer één, maar drie harten kloppen, waarvan één het mijne is.

Lekker warm en veilig deinend in het vruchtwater groei ik daar in Moeders veilige schoot.
Samen met mijn tweelingzus, neemt Vader God de tijd me te vormen tot het babymeisje geboren op 13 mei 1960.

Op die dag wappert er weer een vlag op de achterstraat van Curaçaostraat 5.
Nee, meerdere zelfs!
Witte luiers vlaggen een nieuw tijdperk in voor twee jonge verliefde mensen, die om in Bijbelse termen te spreken, zich vermenigvuldigd, vanaf deze dag een gezinnetje vormen.

Bij deze speld ik, Tiny Kramer, oudste dochter van Joh. van Harmen van het Witte Huisje, en Marrie van Marrie van Riekeltjen voor het volbrengen van de moeilijkste en tevens schoonste taak, dit kruis van verdienste op :

VADER en MOEDER

Letterbak

Afgelopen week was ik in één van de kringloopwinkels, die hier gelukkig goed vertegenwoordigd zijn.
Als ik rond kijk in mijn huisje is er weinig dat niet via Marktplaats of de kringloopwinkel is aangekocht.
Het leuke van dit recycle systeem is dat wanneer het niet bevalt, je het met dezelfde vaart weer verkoopt, of inruilt voor iets anders.

Deze week viel mijn oog op een letterbak, zomaar zonder voorbedachte rade.
Dat is nl.het leukste, gewoon zonder doel naar de kringloop gaan, en je ziet wel.
Nou, ik kan je vertellen, mijn ogen zien heel veel!
Soms is het beter om net als een paard oogkleppen op te zetten, dan zondig je veel minder tegen het tiende gebod…
Maar, om eerlijk te zijn, zondigen in dit soort situaties is gewoon lekker.
Echt lekker!

Mijn oog viel dus deze week op een etterbak…nee sorry,op een letterbak.
Zonder waarschuwing vooraf hè?
In dat geval had ik tenminste een ander pad kunnen bewandelen, maar nu was het al te laat!
Sneller dan een seconde was ik in
” vroeger”.
Hoe dat gaat is me een raadsel, ik zie wel vaker een letterbak in de kringloop.
Waarschijnlijk was het deze keer raak doordat de bak naast een plank vol tinnen miniatuurtjes stond.
Moeder had namelijk vroeger ook zo’n letterbak, die ze vol tinnen mini emmertjes, mini/pannetjes, mini-gietertjes, mini-maatbekertjes, een heus mini-strijkijzer, mini-handkoffiemolentje, en een mini-kraantjeskan spaarde.

Één wand van de kamer was met houten schrootjes betimmerd, dat was toen in de mode.
Daar hing de letterbak aan, evenals het door Vader getekende portret van Moeder.
Aan de andere kant van de kamer stond het wandmeubel, zo’n eiken kast die, omdat deze in delen verkocht werden, je net zo groot kon maken als je zelf wilde.
Nu moet je er niet meer aan denken zo’n enorm wandbedekkende kast te kopen.

Maar goed, in de kringloopwinkel zag ik mij weer terug in ons ouderlijk huis waar de kolenkachel brandde, tegenover het wandje waar de letterbak hing.
In de hoek van die muur hing de paardjes klok.
Zo’n klok die je iedere week op moet draaien, tikt en op het heel en half uur slaat.
Vader weet het precies als de klok uit het lood hangt omdat hij dan net even anders tikt.
Sommige mensen vinden het irritant een tikkende klok die ook nog slaat!
Waarschijnlijk komt dat door geluidsloze digitale klokken, dat het geluid van een ouderwetse klok niet meer verdragen wordt.
Je hoort wel eens dat tegen de klokken van bv een kerktoren geprotesteerd wordt.
Terwijl de tijd steeds jachtiger en luidruchtiger wordt, zijn de geluiden van vroeger niet meer om aan te horen lijkt het wel.

Maar ik dwaal af…
Aan de wand hing tevens het prachtige ” laatste Avondmaal”
Geborduurd door een oude mevrouw, de moeder van onze buurvrouw.
Oh…die figuur in het midden: Jezus!!
Wat wilde ik als kind al graag, net als Johannes aan de borst van deze Jezus liggen.
En dan ook ” de geliefde” genoemd worden…

Terug naar de kringloopwinkel waar mijn oog zonder waarschuwing vooraf, een overtreding tegen het tiende gebod in werking zette.
Oh, wat begeerde ik dit aan mezelf te tracteren kado.

Ik moest en zou, koste wat het koste die letterbak hebben, net zoals Moeder.
Gelukkig was de prijs zoals je verwacht in de kringloop, dus plaatste ik de bak op de plank met tin.
Dat was helemaal alsof zich een tijdmachine naar vroeger opende.
Zoeffff, daar ging ik…
Tientallen maatbekers van groot tot klein, die stonden vroeger ook op de kast van mijn ouderlijk huis.
Oh,en zo’n kraantjeskan…
Die had Moeder ook!
Met mijn handen pakte ik ze één voor één in miniatuur van de plank, voorzichtig alsof ik Moeder een liefdevolle omhelzing gaf.
De tranen prikten in mijn ogen van verlangen naar dat wat was en nooit meer, en nog niet is…
De kleinoodjes verzamelend zag ik de ogen van Moeder, blij om weer een hokje in haar letterbak te kunnen vullen.
Moeder frunnikend aan het papiertje waarmee het ingepakt was, ik met verwachtingsvolle spanning tegenover haar.
“Was ze er blij mee?”
Ja, moeder was blij met het tinnen figuurtje, en zette het voorzichtig in een leeg vakje van de letterbak.
Soms moest er iets verplaatst worden om het gezellig te houden in de prachtige en schattige minikast aan de muur, of alles werd op tafel gezet omdat het natuurlijk ook een stofbak was…

Vorige week zelf thuisgekomen heb ik de letterbak met krijtverf gewit, en omdat het al avond was moest ik wachten op de volgende dag om mijn figuurtjes à 30 en 50 cent, hun plek te te geven in hun vakje.
Eerst nog gaatjes geboord, en daar hangt mijn letterbak in mijn eigen kamer aan mijn eigen muur.
Blij als het kind van vroeger dat voor Moeder een tinnen kannetje kocht, kijk ik nu naar mijn eigen vintage letterbak, en waan me aan tafel in de kamer met de behaaglijk brandende kolenkachel, de schrootjes wand en de paardjes klok.
Aan de wand naast de letterbak hangt het schitterende portret dat een verliefde Johannes tekende voor zijn Marie.
Twee mensen die door mijn komst Vader en Moeder werden.
Mijn lieve Va en Moe…

Ik waan me in het schilderij van Michelangelo en lig aan de borst van mijn geliefde Jezus.
Brekend deelt hij mij brood en wijn.
Mij,Tiny de Beloved…