Slagharen en rode sappige appels.

In de zomer zijn we een keer naar Ponypark Slagharen geweest.
De opzet van dit Speelparadijs was destijds een stuk simpeler dan nu, daar de luxe en met alle gemakken voorziene huisjes toen nog eenvoudige houten onderkomens waren.
Keukentje, eettafel en en paar stapelbedden.
Omdat dit de eerste keer was dat we met Vader en Moeder op vakantie gingen naar een echt park, was het natuurlijk uitermate spannend.

Niet dat ik niet eerder in Slagharen was geweest, maar dat was één dagje.
Moeder spaarde in de buurtsuper, Centra, zegeltjes, waarmee ze voor ons vellen vol likte, zodat we een dagje mee konden naar Slagharen.
Daar uiteraard de hele buurt dit deed, zaten we met alle kinderen rondom het Marktplein in de bus voor een dag leut.
In de tas Moeders heerlijke kadetjes met gebakken ei, waar ik al over vertelde in een eerder verhaal.

Maar nu gingen we een hele week!
We gingen samen met tante Trien, de zus van Moeder, en oom Tromp met hun gezin.

Tante Trien had op verzoek van Moeder in Zwolle een kort broekje voor ons kinderen mee genomen.
Dat op zich was al een belevenis, omdat ik niet gewend was broeken te dragen.
Het was een broekje van geruite stof, later zou je zoiets een “ hot pants” noemen.
Trost als een pauw rende ik naar opa en opoe, die vlakbij woonden, om van een kouwe kermis thuis te komen.
Opoe noemde me Tinus nu ik een broek droeg.
Het was voor een klein meisje als ik, zoekend naar bevestiging en een een kinderlijk vertrouwen in het goede, bijzonder pijnlijk.

De pret niet drukkend, het korte broekje zat in de tas op weg naar Slagharen.
Vader aan het stuur van een gehuurde bus, waar ik als kind gewoon in kon stappen.
De zorgen van het inpakken en “als ik maar niets vergeet” gingen me als kind gelukkig totaal voorbij, daar zorgde Moeder voor!

De huisjes van ons en tante Trien stonden aan de rand van het park, wat volgens Moeder de ideale plek was.
Eer we ons installeerden werd de emmer gevuld met warm schuimend sop, en ging Moeder poetsen.
Wij mochten gelukkig alvast naar het park om later uitgeput van opwinding en plezier in een op en top geveegd, gesopt en gedweild huisje tussen de schone lakens van het stapelbed in slaap te vallen.
De zalige naïviteit en onwetendheid van het kind zijn, ik schreef het al eerder…

We wilden uiteraard ook een pony bij ons huisje…
Maar wat je er nou mee moest?
Thuis leek het veel spannender dan de werkelijkheid, een zo groot levend wezen in bedwang te houden.
Ik was bang voor dat stinkende mini paardje, en als ik ergens een afschuw van heb is iemand die stinkt, mens of beest…
Bovendien, het park was veel leuker.

Moeder besloot dat het arme zielig ogende dier dan maar terug moest naar de stal.
Mijn hemel, de pony zelf vond dat ook en nam zodra het los van het hek was de benen.
En echt, Moeder kon hard rennen, erg hard!
Dat had ze al diverse keren bewezen toen ze achter Jurrie, onze oudere treiter-buurjongen aanrende…
Al moest ze 10 rondjes rond het marktplein rennen, ze kreeg hem te pakken!
Dat rotjoch…

Maar tegen de pony kon ze niet anders dan verliezen; de pony rook de stal en had bovendien 4 benen tegenover de 2 van Moeder.
Het was een ongelijke strijd die ze uiteindelijk opgaf, de 4 bener wist zelf precies de weg naar zijn familie.
Het was uiteraard een bijzonder hilarische gebeurtenis die een eigen leven is gaan leiden.

Wat had ik het naar mijn zin in Slagharen en daardoor Vader en Moeder ook!
S’morgens rende ik als een pony in galop naar het park om op de afgesproken tijd wat eten bij Moeder te komen halen, om me daarna in vliegende vaart weer onder te dompelen in de grote kermis van het pretpark.

Gillend in de achtbaan zo typisch “vreselijk eng en toch leuk”
rondjes draaiend in de al hoger en hoger zwierende schommels, ( oh, ik wilde wel dat ik zo’n hoge schommel in mijn eigen tuin had…maar ik heb geen tuin…Komt vast nog een keer!
Voorlopig schommel ik al hoger en hoger op de hossebos van mijn fantasie.)
Het toen nog kleine pierebadje, de ronddraaiende olifantjes, de zoete suikerspinnen, waardoor mijn lange blonde haren in kleverige slierten langs mijn hoofd piekten, wat een onbezorgde kinderlijk plezier heb ik gehad!
Dan waren er nog van die geldverslindende grijpmachines, en geldschuivers…dat is om eerlijk te zijn misdadig om dat soort hebberig makende apparaten in een kinderpaleis te zetten, dat mogen ze van mij verbieden!

Wat voor Vader onbegrijpelijke schepsels zijn zijn onomstotelijk muggen!
Waarom die gemaakt zijn, daar is hij tot op de dag van vandaag nog niet achter.
Ze zoemen om je hoofd wanneer je net denkt te kunnen gaan slapen.
En dan vooral om vaders hoofd, waarop hij eertijds nog zijn kuif in bedwang hield met brylcreem.
En waren veel muggen, erg veel!
Ze joegen op Vaders’ bloed.
De wanden en het plafond getuigen nog van Vaders’ jacht op deze ondiertjes, waardoor hij met zijn dna een rijk te traceren spoor heeft achter gelaten.

In ieder geval; wat een heerlijke week hadden we in pretpark Slagharen!

Op de terugweg naar huis stopten we ergens bij een boer om wat fruit te kopen.
Appels, en wat voor een appels!
Vader, Moeder en ik, we zijn het erover eens, zulke lekkere appels hebben we daarna nooit meer gegeten!
In zo’n glimmend rood, schilletje heb ik mijn tanden nadien niet meer gezet.
Zulke knoerten van appels…waauw!
Het sappige vruchtvlees droop bij je kin en armen neer, alsof bij elke beet een fontein ontsprong uit het binnenste van deze gezonde glanzende bol.
Oooh zo lekker!
Verrukkelijk!
Een heerlijk einde van een heerlijke week Slagharen.

In de bijbel, het woord van God, wordt ook vaak gesproken over een appel.
David bidt in psalm 17 om Gods bewaring als de appel van het oog, en een veilige plek onder zijn vleugels.
In Slagharen was een attractie, waarin je in sierlijke zwanen als wagentjes rond gereden werd.
Zo wil Vader God ook zo graag dat we plezier hebben, omdat Hij ons bewaart als zijn oogappel.
We zijn Hem zo dierbaar, en Hij verlangt er zó naar dat we schuilen onder Zijn vleugels!
Lekker warm daar, en veilig.
Kom je ook?

‘Bewaar mij als de appel van het oog, berg mij, in de schaduw van uw vleugelen,’
‭‭Psalmen‬ ‭17:8‬ ‭NBG51‬‬
http://bible.com/328/psa.17.8.nbg51

Een deuntje in de Ford

Vader en Moeder kochten op een gegeven moment een auto.
Een Ford.
Dat was geen onverdeeld genoegen, daar met het plezier van het vervoersmiddel ook veel zorg voor de deur stond.

Maar eerst het plezier…
Of toch eerst de zorg?
Het is maar net waar ik mee eindigen wil natuurlijk, het goede nieuws of het slechte.
Nou vooruit, ik begin met de leut, en omdat ik goed ben in een goed einde zal ik daar ook mee afsluiten.
Daartussen in het minder leuke nieuws, oké?
Wees niet bang, zo dramatisch is het ook weer niet hoor, een beetje theatrale aanpak is wel een beetje mijn ding.
Dat houdt de spanning erin.

Daar stond de Ford, glanzend en glimmend gepoetst, hagelnieuw.
De kleur weet ik niet meer precies, in mijn herinnering hebben we namelijk 2 auto’s gehad.
Een witte en een rode.

In ieder geval, nu we een eigen automobiel hadden, hadden we ook 4 wielen.
En die wielen moeten rollen.
Gelukkig zat er tevens een stuur in de Ford, dus we konden op stap, Vader vond het prachtig!
Trotser dan Max Verstappen, en zeker een veel betere coureur, deed hij met ons een rondje door de polder.

Er is een weg in die polder met allemaal kleine brugjes en verhogingen.
We smeekten Vader of hij met ons “een deuntje” ging doen, want zo noemden we een ritje maken.
Vader was altijd in voor een deuntje in de glimmende Ford.
Want dat was één van zijn favoriete bezigheden geworden, de auto poetsen zodat deze steeds als zojuist uit de catalogus, schitterend als een fonkelend geslepen diamant,voorgereden was.
Het chroom van de velgen leek wel zilver in mijn kleine meisjes ogen, terwijl we ons spiegelen konden in de lak van de carrosserie.
Een groot plezier natuurlijk voor een meisje als ik dat gek op bling en glim is.

Oh ja…we zeurden aan Vaders hoofd om een deuntje met de auto.
Dat wilde hij maar al te graag, dus daar gingen we.
Vader aan het stuur, wij achterin.

Wanneer we dan zo’n brugje naderden gaf Vader extra gas, waarbij je nog net de tank niet hoorde slurpen.
” Daar gaan we hoor” riep hij.
Door de snelheid gingen de wielen even van de grond en bonkten we allemaal tegen het dak van Vaders trots!
We gierden het uit, wat een lol hadden we!
Op naar de volgende bobbel in de weg, vol gas, en weer allemaal aan het plafond van leut en gillend kinderplezier.

In de bollentijd waren we ook eens naar de Keukenhof.
Daar kochten Va en Moe een prachtige slinger van gele Narcissen, die over de motorkap gedrapeerd werd.
Wat een mooi gezicht was dat!
Als kind was ik super trots op onze Ford en nog meer op Va en Moe die ons rondreden in die prachtig versierde auto.
Je hoopte natuurlijk dat iedereen zag dat wij dat waren, de familie Kramer, in hun mooie Ford!

Net zoals een kind van nu ervan uit gaat dat je onbeperkt flappen kunt tappen uit de muur, zo maakte ik me ook geen zorgen over de slang die je in de auto hing bij de benzinepomp.
Zalige onwetendheid…

Er was met het plezier ook zorg, ik zei het al.
Op Urk was het veelal de gewoonte dat Vader en Moeder s’middags na het warme eten, “een knippien” gingen doen.
Oftewel, ze gingen naar bed.
Niet zonder ons voor het raam neer te zetten, daar waar de Ford strak voor ons huis aan de stoep geparkeerd stond.
Tijdens ” het knippien” van mijn ouders moesten wij op de auto passen, want stel je voor…ja wat eigenlijk?
Misschien kwam ondertussen de drumband langs of zo, waarbij de man met de grote trom de auto van ons Va en Moe een slag met zijn trommelstokken gaf?
Of de tambourmaitre met de punt van zijn zijn scepter in de spiegelende lak priemde, om daarin uit jaloezie een diepe kras te zetten?
Of landde nou juist die middag een parachutist in de Curaostraat, midden op Vaders trots?
Of, nog erger, bestond het gevaar dat de ophaaldienst van van s’ Rijksoverheid, begeleidt door gillende sirenes en blauw zwaailicht, de glimmende schat in takels gehesen oppakten om mee te nemen naar den Haag?
Alsof onze minister-president zo jaloers was op de Ford van Vader, en zijn kans schoon zag die in te pikken zodra hij met Moeder een “knippien” deed.
Ik zie Vader in zijn spierwitte ondergoed, (dat was Moeders trots, de witte was) in paniek de trap afrennen, maar ja, de sterke macht was hem te slim af geweest.

Gekkigheid natuurlijk, maar we moesten dus goed opletten dat niemand aan onze auto kwam.
Ónze auto!
Onbekommerd was het genot van de vierwieler dus ook niet bepaald…

Dat brengt me op een ander verhaal uit mijn herinnering.
Ds.Poort, een zeer innemend Legerpredikant, vertelde eens van een feestje, waarbij de in een kring staande hotemetoten aan het opscheppen waren over hun auto.
De één had een nog betere en duurdere dan de andere, dat gaf hun namelijk status.
Midden in dit kukeleku van de leger haantjes klonk de diepe ontwapenende stem, zoals alleen Ds.Poort die had;

“Elia had een nog mooiere wagen”

Kunstgebit

Vader kreeg een nieuw gebit
Een prothese.
Nu was het sowieso een heikel punt in onze familie, die tanden.

Mijn eigen tandjes waren al verrot eer ze door waren.
Tenminste dat vertelde moeder, en zij kan het weten.
Alles wat je je niet herinnert van vóór je zelf kunt denken, heb je meestal van moeder gehoord.
Ik dus ook.
Ze vertelde me dat wanneer er door opoe een zak snoep werd gegeven, deze onaangeroerd in de kast bleef liggen.
Door het snoepen kwam het dus niet, die rotte tandjes.
Het zal wel een soort gebrek geweest zijn tijdens mijn wording in moeders buik.
Dat het met kalk te maken heeft, is zeker en vast.
Alhoewel ik geen biochemicus of arts of één of andere geneeskundige professor ben, mijn lijf zegt dat het aan een tekort van kalk ligt.
Temeer daar ik al op jonge leeftijd versleten heupen had.
Maar moeder kan daar niets aan doen natuurlijk, ik groeide gewoon lekker in haar buik, me van geen kwaad bewust.

Pas later toen ik wat groter was werd het lastig,die rotte tanden.
Ik schaamde mij ervoor, en deed automatisch mijn hand voor mijn mond.
Op 16 jarige leeftijd werd alles eruit getrokken en kreeg ik ook een prothese.

Maar nu eerst de tanden van Vader, hij kreeg dus een kunstgebit!
Wat ik me ervan herinner was dat we naar Amsterdam gingen waar hem onder lichte narcose alle tanden werden uitgetrokken en meteen daar bovenop zijn nieuwe gebit werd geplaatst.
Gelukkig wist ik er het fijne niet van, alleen dat we een wereldreis naar Amsterdam gingen maken,en Vader naar de tandarts moest.

Stel dat ik precies op de hoogte was geweest…mijn maag draait er van om en ik wil gelijk weer naar tante Zwaan rennen om me onder haar vleugels te verstoppen.
( Zie “Zwaan kleef aan “)

Wat een vreemd gezicht was dat, Vader met een nieuw gebit.
Als kind snapte ik er niet zo veel van, waarbij ik tegelijkertijd in een zalige onwetendheid alles maar nam zo het was.
Oh, kind te zijn.
Naïef en onschuldig de wereld beleven, want Vader en Moeder zorgen voor je.

Een tijdje later kreeg Moeder een nieuw gebit.
Ook bij dezelfde tandarts in Amsterdam.
Wat schrok ik toen ik haar de eerste keer zag met haar nieuwe tanden!
Omdat ze al een prothese had en daarvan haar ondergebit meestal niet in had, zag ze er ineens anders uit.

Ik moet er nog vaak aan denken wanneer ik zo’n ansichtkaart zie met een lachend paard er op afgebeeld.
Zelf kon ik dat vroeger nog niet bedenken, maar ik hoorde steeds zeggen dat het wel leek alsof ze een paardebek had, ( sorry paardenliefhebbers, ik weet dat een paard geen bek maar een mond heeft)
Moeders gezicht was één en al mond vol tanden.
Letterlijk gesproken dan, want ik geloof dat Moeder niet gauw met een mond vol figuurlijke tanden zit.
Ze is niet op haar mondje gevallen, zeg maar…
Gelukkig niet, want wanneer we op de buurt belaagd werden ging ze erop af, zelfs wanneer haar tanden in een glas sterident op het aanrecht stonden.

We wenden er natuurlijk aan, die mond vol tanden van Moeder.
Ze was er alleen maar mooier op geworden en leek weer precies op de mooie houtskooltekening die Vader gemaakt had tijdens hun verkeringstijd.
Mijn Vader, die als jonge man verliefd op Moeder haar vereeuwigde in een foto-precies portret.
Het hangt gelukkig nog steeds aan de muur in hun seniorenhuisje van nu.

Met haar nieuwe tanden kon ze tenminste ook in een appel bijten.
Daarvoor zoog ze nog op van die zachte Tum Tum, daar was ze dol op.
In alle kleuren van de regenboog zacht gesuikerde bolletjes, waarvan ik er af en toe ook eentje mocht.
Grappig hoe dit soort memorys je altijd bijblijven.
Of het nou precies zo gegaan is of niet.
Wanneer ik in de winkel zo’n zak Tum Tum zie liggen zie ik die ook voor me liggen in de ingebouwde kamerkast van mijn ouderlijk huis.
Zelfs de geur kan ik nu ruiken.

De tandarts in Amsterdam had trouwens een goeie aan mijn ouders, want diverse familieleden togen daarna naar Neerlands hoofdstad om zo’n mooi kunstgebit als dat van Va en Moe.

Ook ik zat jaren later in de stoel bij Tandarts Pimental aan de Plantageparklaan in Amsterdam.
Toen ik terug kwam was het eerste wat Vader en Moeder vroegen: ” ligt er nog steeds dat stukje ouwe vloerbedekking in de wc?”
En inderdaad, dat lag er nog steeds.
Vloerbedekking in de wc, hoe bedenk je het!
In een praktijk nog wel liefst…

Maar gebitten maken, dat kon Pimental als geen ander.
Wat maalde je om dat kleine kamertje, als wat er in de andere ruimte gebeurde maar goed was.
Ik geloof dat Moeder daarna nooit meer een beter kunstgebit heeft gehad dan dat van Pimental uit Amsterdam.

Dat doet me denken aan een tekst uit de Bijbel over de tanden van een vader en die van de kinderen.

‘Hoe komt gij er toch toe, dit spreekwoord te gebruiken in het land Israëls: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden?’
‭‭Ezechiël‬ ‭18:2‬ ‭NBG51‬‬
http://bible.com/328/ezk.18.2.nbg51

Het gaat hier om de erfzonde.
Zonde van de ouders, die zelfs op de kinderen een weerslag hebben.

Het is daarom dat Jezus aan het kruis zure wijn dronk.
In dat drinken van de vrucht van onrijpe druiven nam Hij ook deze zonde in zich op en werd de macht van de erfzonde verbroken.

In plaats daarvan mogen we nu drinken uit de beker der dankzegging, waarvan het hart vrolijk wordt.
Hooguit worden je tanden er een beetje paars van, maar dat geeft niet.
Stel je voor, een kerk met lachende monden vol paarse tanden.

Kom laat het feest zijn in het huis van God, je zonden zijn vergeven!
Van geslacht op geslacht duurt zijn trouw,
Eeuwig…

Het Emaille vergiet vol gebakken paling.

img_0914

 

Vroeger, toen ik nog klein was…
Over sommige dingen uit mijn “vroeger” kan het water me in de mond lopen.
Tegelijkertijd bevangt me een heimwee naar het “ gewone” daarvan.
Neem nou die emmer paling op zaterdag…
Vader stapte op zijn fiets en ging naar de haven.
Op zich was dat al een uitje voor hem.
Een beetje kletsen met al die andere mannen op het leugenbankje.
Volgens mij heeft ieder dorp wel zo’n hangplek voor wat oudere mannen.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt het een plek “waar leegloopende lieden, b.v. zeelieden aan den wal, zich dagelijks verzamelen en allerlei verhalen opdissen”, met als vroegste gebruik in het jaar 1645.
(Volgens mij stamt het uit veel vroegere tijden, in de bijbel wordt namelijk ook al gesproken over het zitten in de poort)

Wanneer ik zelf een “rondje over de haven” deed,want zo noemde je dat, kwam het nooit in me op op dat bankje te gaan zitten, laat staan tussen de mannen in.
Het is een ongeschreven wet, de leugenbank is voor de man.
Wat dat zegt over “ de man”?
Daar kun je allerlei fantasieën op loslaten natuurlijk.
En om vader met de andere jongens nou leeglopende lieden te noemen…
Waarschijnlijk wordt met leeglopen je ziel eens even luchten bedoeld, toch vader?
Ik vind de bijbelse uitleg mooier, de wijze mannen spraken recht in de poort!
( zie je nou wel dat het bij Vader God goed toeven is?)

Grappig is dat ik eens hoorde vertellen wat het verschil is tussen mannencontact en vrouwencontact.
Wanneer mannen met elkaar praten, lopen of zitten ze het liefst náást elkaar, ze kijken elkaar niet aan.
Vrouwen zitten het liefst tegenóver elkaar, om de ander ook in de ogen te kunnen kijken.

Niet om nou een verhaaltje man/vrouw te schrijven, maar in het kader van de leugenbank klopt dit wel.
Vandaar dat zo’n bank juist voor de man een plek is van ont-moeten.
Hij is daar even onder de boys…
Ontslagen van het moeten, nutteloos voor zich uit starend, kan de man daar gewoon man onder de mannen zijn.

Wanneer ik zelf een “rondje”over de haven deed was dat om te flaneren, net zoals de andere meisjes dat doen.
Daarom gun je als vrouw de man zijn bankje op de haven, de man gunt de vrouw het flaneren.
Gewoon nutteloos kuieren…

Alhoewel, hhmmm
Zou het zo zijn dat dat het voor zich uit staren van de mannen op het leugenbankje toch een doel heeft?
En dat het nutteloos flaneren van de meisjes helemaal zo onschuldig niet is?

Staren en flaneren…
Niks geen ingewikkelde theorieën, dat is nou eenmaal het spel!
Bewust of onbewust doen we daar allemaal aan mee, en zelf geniet ik er wel van.

Oh ja…de emmer paling!
Vader kwam thuis met zijn kostbare buit en had een emmer barstensvol paling bij zich.
Krioelend en glibberig wurmden ze over en door elkaar heen.
Eerst bestrooide hij die arme beesten met zout en dan begon het feest!
Vader pakte zijn groene krukje, goot de paling over in een oranje emaille emmer, zette deze emmer tussen benen en wij gingen er omheen zitten.
Af en toe wurmde er toch nog eentje in een laatste ontsnappingspoging over de rand van de emmer.
Het was natuurlijk zinloos, want het arme beest stortte niet in het IJsselmeer, om daarna bevrijdingsfeest te vieren in het water dat zijn thuis was, maar op het harde steen van ons achterstraatje.
Het thuis van vader en moeder, en daarom ook van mij.
En vader was op dat moment koning en keizer van de emmer paling waarbij hij ons als cipiers had aangesteld om de vluchtende gevangenen terug in de emmer te doen.

Dat was het spannende nou juist, zo’n glibberige opstandeling beet proberen te pakken en met zijn broertjes en zusjes in de emmer te verenigen.
Ondertussen ging vader onverstoord door met onthoofden en ontdoen van ingewanden zodat alleen nog een opengesneden buik en staartje over bleef.

In een hoek van de schuur had vader een tafeltje met daaronder een blauwe gasfles.
Op het tafeltje zo’n gas-spin, een grote gaspit speciaal om op zaterdag vis te bakken.
Dit was het domein van vader, hier kon hij lekker steuren!
Het gas onder de bakpan met olie was alvast aangezet zodat de olie borrelend en goudglanzend zijn gasten welkom kon heten.

Vader gooide een handvol paling in de pan, waarbij de olie eerst schuimend opkwam om daarna zijn buit goudbruin te bakken.
Vader stond met glimmende ogen met zijn grote schuimspaan klaar, en viste de eerste schep in het oranje emaille vergiet, om vervolgens dit proces te herhalen tot de emmer leeg, en het vergiet vol goudbruin gebakken niet meer kronkelende maar toch nog slingerende aaltjes was.
Ze hadden zich overgeven aan het hete vet en wachten om door ons verorberd te worden.
Ondertussen maakte moeder een heerlijke pan rijstepap klaar en dekte in de woonkamer de tafel.

En dan…het zaterdag feest zette zich voort in de voor of achterkamer van ons huis, net waar op dat moment de eettafel stond.
In het midden van die tafel stond het vergiet met vaders zaterdagse verwennerij!
Niemand kon zo lekker vis bakken dan mijn va!
Handjes samen, oogjes dicht; “ Here zegen deze spijze ,amen”en je kon pakken wat je pakken wilde.
Het water loopt me in de mond bij de gedachte aan dat heerlijke vergiet met die kostbare lekkernij waaraan een knapperig staartje, dat ik altijd voor het laatst bewaarde.

Wanneer je je buikje bijna rond had gegeten was daar nog die romige warme rijstepap.
Moeder schepte het met de soeplepel op mijn bord, waarna ze er nog een dikke klont roomboter en een lepel suiker op deed.
De boter vormde smeltend een riviertje in de pap en knisperend door de suiker genoot ik van elke schep die zijn weg vond naar mijn bijna knappend buikje.

Vroeger…het was heel gewoon, dat vergiet vol gebakken paling.
Vader die met enorm veel passie en plezier visjes voor ons bakte.
Moeder die zorgde voor een warme dampende pan met rijstepap.

“ Here dank U voor deze spijze en voor m’n Va en Moe !”

Freubelen op het kolenhok.

In mijn kast staat een doos waarin een schat aan jeugdsentiment , belichaamt in een pop.
De tranen zitten hoog, een doos met zoete herinneringen uit een tijd dat ik nog droomde van huisje, boompje, beestje, en dat dat altijd leuk zo zijn.
Wat is het toch fijn om als kind zo naïef te zijn.
De wereld is roze en de zon schijnt altijd.

s’Morgens staat heerlijk kleverige havermout pap op tafel, gekookt van verse melk, die ik samen met opa 2 keer per week bij Gaartje, een boerin vlakbij ophaal.
In de kelder staat een oranje emaille emmer, waar moeder de melk in bewaard.
Soms, wanneer ik denk dat niemand het ziet, haal ik mijn vinger door de dikke roomlaag, die als een gele laag bovenop de melk drijft.
Oh…wat een vette en smakelijke herinnering, om je vingers er bij af te likken
Moeder zet om één uur warm eten op tafel, vader heeft een heerlijk warme custard pudding, waarvan ik de dikke vel af mag slobberen, gekookt, en onder je kussen ligt elke dag een schoon zakdoekje, zo mooi glad gestreken dat het zonde is er je neus in te snuiten.
Wanneer ik het uitvouwt lijkt het net een mooie witte parachute.
Op de toppen van mijn vingers speel ik er een vlindertje mee, en laat het fladderen als de vleugeltjes van een duif.

Ik zie mezelf achter op ons kolenhok zitten, om me heen lapjes, naaigaren, schaartje, bolletjes katoen en wol, en wat dies meer zij om te frutselen en freubelen.

Van Sinterklaas, in wie ik heilig geloof, heb ik een pop gekregen met patroontjes om kleertjes voor haar te maken.
Moeder heeft deze pop besteld via het blad Marion, maar dat wil ik als klein meisje natuurlijk niet weten.
De mythe Sinterklaas moet nog even in stand gehouden worden.

Ik ben in mijn element, daar op dat kolenhok.

Omdat het zonnetje ons verwent staan overal de deuren en ramen open, de geluiden uit de huizen vermengen zich tot een zomers geroezemoes als op een terras in het Vondelpark in Amsterdam.
Alleen, hier, op het kolenhok van de Curacaostraat op Urk klinkt nog iets anders, overal bovenuit.
Vanaf de Bonairestraat met aan de achterkant de steeg in het midden als scheiding tussen de erven schuin tegenover waar ik woon, daar zingt Jannetje.
Jannetje, de oudere achterbuurvrouw, met haar man gekleed in de Urker dracht, kinderloos, Jannetje zingt iedere dag het hoogste lied.
Ze zingt haar longen groter en groter, waardoor haar stem hoger en voller klinkt, naarmate de dag vordert.
Ze zingt van haar Heer…
De psalmen in oude berijming en op hele noten, de gezangen van Johan de Heer, als het maar over haar Heer gaat!

Ze zingt van hertjes, die dorsten naar water, ze zingt over een ziel, die eindelijk tot rust komt, ze zingt over schuilen onder vleugels van een moederhen, ze zingt van een glans die alleen van God zelf kan komen, ze zingt over bazuinen en een stad met paarlen poorten, ze zingt van een verlangen naar…

Ze zingt over waar mijn hartje naar schreeuwt.
Ik ben dat hertje dat dorst naar water, ik ben die onrustige ziel, ik snak naar schuilen onder moeders vleugels, ik verlang zo die glans te zien wanneer we op zondag naar de kerk gaan, ik zie zo uit naar de klank van die bazuin.
Ik fantaseer over die paarlen poorten en verlang zó binnen te gaan in die stad.
Op blote voetjes door de gouden staten te rennen en dansend feest te vieren op de pleinen.
Die stad waar een Koning woont die het licht zelf is…

Jannetje zingt, ze galmt het uit.
Deze galm vindt weerklank in mijn hunkerend hartje, het echoot na, en legt een glanslaagje aan de binnenwand van mijn ziel.
Als parelmoer in een schelp, wordt de mysterieus gekleurde laag elke keer wanneer Jannetje haar gratis concert geeft, dikker en dikker.

Er klinkt muziek uit de doos met de pop van Marion.
Een meisjes pop, met buigzame armen en benen, die ik voorzag van een uitgebreide garderobe.
Zelf bedacht en gefreubelt, onbewust dromend van een mantel zó mooi, en nergens te koop.
Een mantel die elke schuld en schaamte bedekt met zijn paarlemoeren glans.
De mantel der gerechtigheid die gewoon vrij te verkrijgen is bij Hem, Jezus!
Ik hoefde alleen maar te vragen, en de Koning zelf hing hem mij om!
God, wat ben ik trots op die jas!

Marion opent haar mooie poppenmondje en zingt een lied voor mij;

‘k Ben een Koninklijk kind,
door de Vader bemind,
en ‘k zal wonen in ’s Konings paleis.
In die stad nooit aanschouwd,
met straten van goud,
glorievol als een schoon paradijs.

‘k ben een Koninklijk kind,
door de Vader bemind,
en Zijn oog rust zo teder op mij.
Als de daag’raad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan aan zijn zij.

‘k Ben een Koninklijk kind,
niet slechts dienstknecht of vrind,
‘k ben gekocht met het bloed van mijn Heer.
En dat bloed geeft mij recht,
meer te zijn dan een knecht.
‘k Ben Gods kind dat verblijdt mij zo zeer.

‘k Ben een Koninklijk kind,
dat zijn vreugd daar in vindt,
God te loven met juub’lende stem.
Tot ik sta voor de poort,
van het hemelse oord,
waar ik zijn zal voor eeuwig met Hem.

‘k ben een Koninklijk kind,
door de Vader bemind,
en Zijn oog rust zo teder op mij.
Als de daag’raad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan aan zijn zij.

( opgedragen aan Jannetje )