Eigen schuld, Jezus’ bult.

De op waarheid gebaseerde tv serie Unbelievable gaat over Marie, een meisje van 12 dat niet geloofd werd nadat ze aangifte deed van een goed voorbereide verkrachting Daardoor verschoof langzamerhand de mening over haar van slachtoffer naar dader.
Als zeer onbetrouwbaar leugenachtig en bestempeld als afhankelijk van negatieve aandacht, werd ze door iedereen in de steek gelaten.
Tot het uiterste in het nauw gedreven verklaarde ze uiteindelijk over de verkrachting gelogen te hebben waarna ze zelf werd aangeklaagd en veroordeeld voor het doen van een valse aangifte.

De dader in dit verhaal waande zich onaantastbaar en ontwikkelde zich als een serieverkrachter die jarenlang het ene na het andere slachtoffer maakte.

Marie veranderde ondertussen van een extrovert en vrolijk jong meisje in een schuw, monddood en het liefst onzichtbaar bang vogeltje.
Ten gevolge van haar veroordeling voor het doen van een valse aangifte moest ze verplicht in therapie waar de therapeut haar de vraag stelde wat ze geleerd had van deze situatie en wat ze doen zou wanneer ze weer met onrecht te maken zou krijgen.
Zou ze dan weer liegen?

Greep haar geschiedenis me al erg aan, het antwoord van Marie deed me dat des te meer:
‘Ik hoor te zeggen dat ik niet zou liegen als ik het over zou moeten doen.
Maar de waarheid is dat ik eerder zou beginnen te liegen.
En beter zou liegen.
Ik zou het zelf uitzoeken.
Alleen.
Hoeveel iemand ook zegt om je te geven, het is niet zo.
Niet genoeg.
Misschien willen ze het, of proberen het, maar andere dingen worden belangrijker.
Dus daar zou ik mee beginnen.
Liegen.
Want zelfs goede mensen, mensen die je min of meer kunt vertrouwen; een waarheid die ze niet past, een waarheid die ze niet uitkomt, geloven ze niet.
Zelfs als ze echt om je geven.
Ze geloven het gewoon niet…’

Waarom deze serie, ‘Unbelievable’ me zo boeide is omdat een verhaal als dat van Marie niet op zichzelf staat.
Het is aan de orde van de dag dat slachtoffers van misdaden op seksueel gebied niet gehoord worden maar daarentegen zelf het stickertje ‘dader’ krijgen opgeplakt.
Vaak niet zo duidelijk zichtbaar zoals in het geval van Marie maar meer onderhuids en daardoor niet minder verwoestend.
Een slachtoffer van seksueel geweld moet gewoon zijn/haar mond houden, daar komt het op neer.
De maatschappij is over het algemeen niet gediend van dit soort verhalen.
Het gevolg daarvan is dat de omgeving medeverantwoordelijk wordt voor de volgende slachtoffers op het voor de dader door de omgeving geëffend pad.
Niet alleen medeverantwoordelijk voor de verwoestende gevolgen in het leven van het eerste maar ook voor de verdere ontwrichting van de maatschappij.
Een volgend slachtoffer ondergaat immers hetzelfde lot, waardoor de cirkel zich niet om de dader, maar om het steeds kleinere wereldje van het slachtoffer sluit.

Het is, zoals Marie het zegt: ‘een ongemakkelijke waarheid.’

In het kader van de serie ‘Unbelieveble’ las ik in een artikel op
https://www.psychologiemagazine.nl/artikel/ze-vroeg-erom/

“Wie slachtoffer is van een misdrijf kan behalve op medeleven ook bijna altijd rekenen op victim blaming, slachtofferbeschuldiging. Want: wie trekt er dan ook zo’n kort rokje aan; wie laat zich nou dronken voeren; wie gaat er dan ook naar zó’n land op vakantie…

◦ THE JUST-WORLD-THEORIE.

De neiging om slachtoffers verantwoordelijk te houden voor het onheil dat hen is overkomen, is een veelgemaakte denkfout en staat te boek als dejust world bias, ofwel de rechtvaardige-wereldfout. Zo’n reactie komt voort uit het vertrouwen dat de wereld een geordende, voorspelbare en rechtvaardige plek is waar iedereen krijgt wat hij verdient. We vinden dit geloof terug in spreekwoorden zoals ‘boontje komt om zijn loontje’, ‘wie goed doet, goed ontmoet’ en ‘wie oogst, zal zaaien.’ Kinderen krijgen dit vertrouwen met de paplepel ingegoten en ook in boeken en films zegeviert uiteindelijk de held van het verhaal en krijgt de boosdoener zijn verdiende straf: hij sterft of verliest zijn vermogen of zijn gezondheid.

De just world bias heeft een functie. Wanneer we het slachtoffer verantwoordelijk houden voor zijn ellende, houden we de illusie in stand dat we zelf controle hebben over de gevolgen van ons gedrag. Het is immers vervelend om te moeten constateren dat je iets doet dat onvoorspelbare consequenties heeft.
( Aldus https://www.volkskrant.nl/auteur/SUZANNE%20WEUSTEN)

In het artikel van https://www.psychologiemagazine.nl/artikel/ze-vroeg-erom/ valt te lezen dat gelukkig niet iedereen aan victim-blaming doet.
“Waarin verschillen zij van de mensen die met een beschuldigende vinger naar het slachtoffer wezen? Laura Niemi, onderzoeker aan de Harvard-universiteit in Massachusetts, publiceerde onderzoek waaruit blijkt dat ‘de meelevers’ andere morele waarden hebben.
Als het om die morele waarden gaat, zijn er grofweg twee groepen. De eerste bestaat uit mensen met overwegend individualiserende waarden. Zij geven prioriteit aan de bescherming van het welzijn en de rechten van individuen. Volgens Niemi denken deze mensen bij delicten aan een slachtoffer en een dader: het slachtoffer wordt iets aangedaan en moet worden beschermd.”

◦ VICTIMBLAMING, NIET IN DE KERK TOCH?

Als Christen, kerkelijk meelevend gemeentelid én slachtoffer van zowel huiselijk als seksueel geweld, ben ik vooral benieuwd naar hoe er in de kerk, de Familie van God, wordt omgegaan met het fenomeen victim-blaming.
Aan welke morele waarde hecht de kerk zich wanneer zij met een ‘ongemakkelijke waarheid’ wordt geconfronteerd?
Tot mijn groot verdriet en herkenning lees ik het volgende:

“De tweede groep bestaat uit mensen met meer bindende waarden: ze zijn loyaal aan de groep, gehoorzaam aan het gezag en ze hebben religieuze en seksuele zuiverheid hoog in het vaandel staan. Uit alle experimenten van de Harvard-onderzoeker bleek dat deze mensen de slachtoffers meer stigmatiseren en de schuld geven. Het groepsbelang staat voor hen ver boven het individuele belang, waardoor ze minder sympathie voor slachtoffers hebben en eerder een hard oordeel vellen over iedereen die zich niet conformeert aan de groepsregels. Deze mensen leven dus minder mee met het slachtoffer, ze richten zich op wat die persoon had kunnen doen om het delict te voorkomen.”
http://www.psychologiemagazine.nl

◦ VICTIMBLAMING NIET IN DE KERK, NEE

Terwijl ik geloof dat kerkleden goedwillende mensen zijn en er niet bewust op uit zijn aan victim-blaming te doen, is wat er uit dit onderzoek naar voren komt erg confronterend.
Kort gezegd komt het erop neer dat een slachtoffer van seksueel/huislijk geweld in de kerk van een kouwe kermis thuiskomt.
Jammergenoeg gebeurt dit in kerken van alle denominaties.

Hoe komt het dat wanneer de kerk religieuze en seksuele zuiverheid hoog in het vaandel heeft, toch maar weinig sympathie op kan brengen voor slachtoffers?
Hoe komt het dat de broers en zussen van Christus een familielid dat het meest bescherming nodig heeft buitensluiten?
Het kan niet anders dan dat zich onder het fenomeen victim-blaming onder gelovigen, een nog veel groter probleem schuilhoudt; nog gemener en nog meer onderhuids.
Dit fnuikend en ondermijnd gegeven heet ‘Schuld.’
Dat wat Paulus in de Romeinenbrief schrijft, niet geloven.

‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.’
Romeinen 3:23-24 HSV
https://www.bible.com/1990/rom.3.23-24.hsv

Om niet zijn we gerechtvaardigd; om niet!
Om niet zijn we verlost, om niet!
Terwijl we door onze zonden de genade verkwanseld hebben, ontvangen we het desondanks om niet, alsof we het zelf verdiend hebben.
‘God freely give away His rightousness’ zegt The Passion Translation

Geloof praat de Schrift na wat Paulus ons in zijn brief aan de Kolossenzen schrijft:

‘En Hij heeft u, toen u dood was in de overtredingen en het onbesneden zijn van uw vlees, samen met Hem levend gemaakt door u al uw overtredingen te vergeven, en het handschrift dat tegen ons getuigde, uit te wissen. Dit handschrift was met zijn bepalingen tegen ons gericht, en Hij heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis te nagelen. Hij heeft de overheden en de machten ontwapend, die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd.’
Kolossenzen 2:13-15 HSV
https://www.bible.com/1990/col.2.13-15.hsv

Geloof zegt dus: ‘Satan, de aanklager is de mond gesnoerd!
Satan is voorgoed ontwapend en voor schut gezet…!

Omdat we het doorgaans maar moeilijk vinden vrijspraak van elke schuld te ontvangen zonder daar zelf iets voor te hoeven doen, noemen we ons vaak; ‘evengoed nog een zondaar.’
Alsof het een nederig offer aan Jezus is, doen we aan victim-blaming naar onszelf en verontschuldigen we onszelf tegelijkertijd vast voor het niet zo nauw nemen van de zonde.
Iedereen die je verteld daarmee de tandloze vijand, de duivel een mond om te spreken geeft zal dat ontkennen, maar dat is toch precies wat er gebeurt?
De Waarheid in Christus een nieuwe schepping te zijn en daarom vrijgekocht uit de macht van de zonde wordt op deze manier een ‘ongemakkelijke waarheid.
Een triest gevolg van het niet om kunnen gaan met deze waarheid, vrij te zijn in Christus, is dat een verhaal zoals dat van Marie zelfs in de kerk een ongemakkelijke waarheid wordt.
Wanneer een kerk of individueel gelovige als victim-blamende kerk weigert te ontvangen ‘om niet’, zal ze daarom een geweldsslachtoffer vooral vertellen wat ze zelf had moeten doen om het geweld te voorkomen.
De kerk die op Golgotha vrijspraak ontving, is vervolgens degene die haar eigen meest hulpeloze leden buiten de poort kruisigt en op dat moment nogmaals Jezus aan de paal nagelt.

Mijn gebed is dat de kerk, Evangelisch, Gereformeerd, Room Katholiek, eens ophoudt het over schuld te hebben.
Ik bid dat omdat Jezus’ offer schuld de mond heeft gesnoerd de kerk diegene die de tanden uit de mond zijn geslagen recht van spreken geeft.
Ik bid dat omdat Jezus tussen hemel en aarde hing degene wie de bodem onder de voeten is weggeslagen, in de kerk op hun voeten worden gezet.
Ik bid dat de kerk de plek is waar Marie niet meer hoeft te liegen.
Waar u/jij niet meer hoeft te liegen.
Waar ik niet mee hoef te liegen…

Fladderende vogeltjes.

Vandaag is het 24 november, de verjaardag van mijn oudste dochter en tweede zoon.
Twee heel verschillende baby’s toen ze geboren werden, Joke, klein, blank en rossig, Jelle-Dirk, een spek-rug, en donker.
Het liefst vierde ik samen met mijn kinderen hun verjaardag en ik weet wel zeker dat ook zij die wens hebben, maar het is anders gelopen.
Om niet te verdrinken in de put van eenzaamheid, verdriet, schuld en schaamte ben ik naar LaPlace gegaan om een gebakje te eten en zo de verjaardag van mijn kinderen te vieren.

Om het tafeltje waaraan ik mijn feestje vier staan 4 stoelen waardoor het alleen zijn extra benadrukt wordt.
Terwijl allerlei herinneringen en beelden van toen om aandacht vragen, kijk ik om me heen naar al die mensen die samen zijn en soms komen vragen of ze bij een stoeltekort één van mijn stoelen weg mogen pakken.
Er bevangt me een soort van ‘ik gun het jullie, maar ook mezelf zo hevig’ jaloezie tot mijn blik de pas inhoudt bij het tafeltje tegenover me.
Aan de ring om de vinger van het, naar ik schat iets oudere echtpaar dan ik, is te zien dat ze niet alleen zijn, ze horen bij elkaar, ze zijn samen.
Gebiologeerd staar ik naar de spiegeling van de prachtige sfeerverlichting in de bolling van het gouden verbondsteken van deze twee mensen.

Verdrietig bedenk ik me dat ik ook een paar keer zo’n kostbaar glimmend teken van het huwelijksverbond omgeschoven heb gekregen.
‘Ja, dat beloof ik,’ klonk daaraan vooraf.
Nog voor de film van vroeger op repeat staat, kruist mijn blik die van de vrouw en zie in één oogopslag dat het enige wat dit echtpaar aan het tafeltje tegenover me nog bindt, dat gouden bandje om hun ringvinger is.
Aan de oorverdovende stilte hoor ik dat ze elkaar niets (meer) te zeggen hebben.
Ik sla mijn blik beschaamd neer, alsof ik iets gezien heb waar ik eigenlijk niet kijken mocht.

Omdat ik me zo herken in deze vrouw, bomvol binnengehouden woorden toestemming smekend gezegd en gehoord te worden, begint er toch een film te draaien en ik laat het maar gewoon toe.
Ik kijk in een hart vol liefde, gedachten en verlangens naar de ander, jarenlang opgesloten en gevangengehouden door de wrede vuist van de hand die dezelfde ring draagt als de hare.
Woorden die recht hebben van spreken, maar door het verbod om te zeggen wat vanbinnen leeft het zwijgen zijn opgelegd.
In de ineengedoken houding van de vrouw herken ik een uitgedoofd kaarsje dat eens met haar flikkering nog hoopte het leven van de ander iets meer warmte en kleur te geven.
De handen in haar schoot vertellen het verhaal van een ongelijke strijd, waardoor ze de handdoek maar in de ring heeft gegooid.
Er waren geen oren om te horen wat ze te vertellen had dus deed ze er het zwijgen maar toe.

Ach, wat heb ik een medelijden met deze vrouw, eens een dartelend jong vogeltje dat haar vleugels in de wijde wereld uitsloeg, fluitend en zingend, vervult van blijde hoop en verwachting.
In de vaste overtuiging dat de man tegenover haar dezelfde hoop en verwachting koesterde, liet ze zich verlokken op zijn mooie stokje neer te strijken en daar te blijven.
Ze was thuis, dacht ze en liet zich ringen.
In de euforie van het ‘samen voor altijd’ uit vrije wil verbonden, bemerkte ze al snel dat om het houten stokje een kooitje werd gesmeed
Of zat het er altijd al en had ze door de roze bril van verliefd zijn het doel, haar aan handen en voeten te binden over het hoofd gezien?

Wanneer haar ogen de mijne nogmaals kruisen zie ik een walmend vlaswiekje, nog niet helemaal gedoofd.
Ik vraag me af of zij soms ook jaloers is op mij?
Zou zij denken: ‘wat heerlijk dat die vrouw aan het tafeltje tegenover me met niemand rekening hoeft te houden.
Wat benijd ik het dat je zomaar alleen een gebakje kan gaan eten.
Zou die vrouw aan het vierpersoons-tafeltje wel genoeg beseffen hoe fijn het is alleen te zijn?
Niet geringd en gekortwiekt?
Je niet af te hoeven vragen of dat wat je wilt zeggen wel gehoord wordt?’

In mijn hart is een stil gebed voor de kinderen uit mij geboren en voor deze vrouw:
‘Vader, lok deze bange fladderende vogeltjes naar het houtje op Golgotha en mag ik degene zijn die Uw kruis omhoog houd?’

Vechtscheiding (twee kijven, twee schuld)

Wanneer een relatie eindigt in een echtscheiding, is dat een hele schok.
Ideaal is wanneer zo’n proces in alle redelijkheid verloopt en beide echtelieden hun best doen voor de eventuele kinderen en verdere familie de schade zoveel mogelijk te beperken.

Sinds 2007 is het woord Vechtscheiding in de Dikke van Dale opgenomen.
‘Men spreekt van vechtscheiding wanneer een echtscheiding niet alleen gepaard gaat met negatieve gevoelens naar de (ex-)partner, maar ook met acties met de bedoeling de andere partner schade toe te brengen. In de uiterste gevallen is men bereid eventuele zelfbeschadiging of nadeel bij derden op de koop toe te nemen. De term vechtscheiding wordt ook (en vooral) gehanteerd als de kinderen daar (grote) nadelen van ondervinden.’
Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Vechtscheiding

Omdat ik zelf een dergelijk scheiding heb meegemaakt heb ik ondervonden hoeveel schade alleen al het woord ‘vechtscheiding’ aanricht.
Het suggereert namelijk dat een eerder zo verliefd stel elkaar tijdens de scheiding probeert kapot te maken.
Dat is in de meeste gevallen een volkomen misvatting en doet groot onrecht aan tenminste één vechter in een ‘vechtscheiding’, voor het overgrote deel de vrouw en of moeder.
Zij vecht namelijk voor haar plicht en het recht haar kinderen tegen hun vader te beschermen.
Wanneer er bij de man of vader sprake is van een persoonlijkheidsstoornis als narcisme of psychopathie zal deze geen enkel middel schuwen zijn vrouw en zelfs eigen kinderen tot het einde te bevechten en desnoods te vernietigen.
Deze onthutsende waarheid is in dit soort situaties nou juist de reden waarom de vrouw/moeder echtscheiding heeft aangevraagd.

Omdat een narcist buiten de deur charmant en charismatisch overkomt, zal hij iedereen in de omgeving manipuleren en om de tuin te leiden.
Het gevolg is een oneerlijk gevecht van een wanhopig om hulp roepende vrouw tegen een man die door sluwheid, leugen en bedrog de hele omgeving achter zich krijgt.
Het lukt hem daarom in de meeste gevallen de ander tot spot en hoon van iedereen te isoleren en ruïneren.
Omdat zelfs de hulpverlening niet voldoende kennis heeft van narcisme en psychopathie gebeurt het niet zelden dat hoewel men de vrouw zou moeten beschermen, zij zich daarentegen in laten zetten door de narcist.
Ze worden daardoor medeverantwoordelijk voor het ruïneren van een radeloos om hulp schreeuwende vrouw en moeder.
Alles wat zij aan verschrikkelijke ervaringen zal vertellen keert zich uiteindelijk tegen haar als laster van een rancuneus wraakzuchtige ex.

Niet alleen de term ‘vechtscheiding’ is in dit soort schrijnende situaties enorm kwetsend en misleidend, het algemeen wijd verbreid gezegde: ‘twee kijven twee schuld’ is dat ook.
Bij ‘vechtscheidingen’ is er namelijk meestal maar één schuldige aan te wijzen en dat is de narcist/psychopaat.
Kil en berekenend viert hij gewetenloos zijn overwinning op een vaak voor de rest van haar leven getraumatiseerde ex-echtgenoot en moeder van zijn kinderen.

Het spijt me te moeten zeggen dat het in de meeste gevallen bij het pastoraat in de kerk niet beter gesteld is qua kennis en inzicht in de zichzelf verheffende psyche van een narcist.
In de kerk leren we immers niet te oordelen en: ‘onze naaste lief te hebben als onszelf?’
Het is het tweede gebod na: ‘heb de Heer uw God lief boven alles.’

De onkunde en de eenzijdige benadering van niet mogen oordelen maken de kerk de meest welkome plek voor een narcist.
Daardoor ontstaat in de kerk een zó onveilige sfeer waardoor slachtoffers van, in dit geval narcisme vooral in de kerk nog verder worden getraumatiseerd.
Terwijl Jezus zelf het niet schuwt scherpe woorden te spreken over zonde en oordeel, verschuilt de kerk in deze kwesties zich achter de woorden van Jezus, de naaste lief te hebben als jezelf en de beginwoorden uit Mattheüs 7: ‘gij zult niet oordelen.’
Maar leert de Schrift niet zelf dat niet iedereen te redden is ‘daar sommigen hun geweten hebben dicht geschroeid?’

Een narcist is er op uit chaos, verwarring en verderf te zaaien, hij kan en wil niet anders en beleeft daarin zelfs een duivels genoegen.
Wanneer de leiding van de kerk en het pastoraat dit niet doorziet en daarom niet optreed laat ze zich door de narcist gebruiken de hele kerk tegen het onschuldig slachtoffer op te zetten, te veroordelen en buiten te sluiten.
Terwijl het andersom zou moeten zijn worden slachtoffers van narcisten zelf als dader gebrandmerkt waardoor de werkelijke dader in zijn valse slachtoffer rol wordt bevestigd.
Bovendien geeft de kerk toestemming aan de narcist op zoek te gaan naar een nieuw slachtoffer.
In deze hartverscheurende kwesties wordt uiteindelijk de hele gemeente slachtoffer van een door de hel opgestookt vuurtje.

Ik begrijp dat dit moeilijke kost is,
maar als ervaringsdeskundige durf ik deze woorden spreken.
Meer nog: Jezus zelf geeft me hier in Zijn Woord toestemming voor.

Jammer genoeg zijn er nog maar weinig kerkelijk leiders en pastoraal medewerkers bereid zich te verdiepen in dit steeds grotere gevaar in kerk en samenleving.
Gelukkig zijn er onder de weinigen die dit bederf leren zien steeds meer pastors en kerkelijk werkers die hierin de geest van Izebel herkennen en dientengevolge handelen.

In mijn eigen situatie heeft de Heer me duidelijk gemaakt dat de vijand niet mijn man maar deze geest van Izebel was, die zich weliswaar bediende van de narcist.
Het schokt me dat wanneer ik dit aan gelovigen vertel, er meestal met ontkenning, ongeloof en onwil gereageerd wordt.
Mijn en veel andere ervaringen op dit terrein zou in de kerk een lering kunnen zijn, maar spijtig genoeg houdt angst voor oordelen nog steeds de deur open voor juist datgene waarover geoordeeld moet worden: de manipulatie en leugen van de in zich van de narcist/psychopaat bedienende geest van Izebel.

Wanneer een kerk daarom weigert de tucht te handhaven en in dit geval de oren en ogen sluit voor de sluwheid van narcisme, stelt ze zichzelf onder het oordeel.
In mijn eigen geval heeft dit ertoe geleid dat de kerk waarin mijn waarschuwing werd genegeerd zelf haar deuren heeft moeten sluiten…

Er is me destijds vaak gezegd dat het erg lastig is om in kwesties als deze waarheid van leugen te onderscheiden.
Ook nu is dit naast: ‘oordeelt niet’ de meest gehoorde opmerking.
Ik ben van mening dat wanneer we Mattheüs 7 verder uit laten spreken daarin genoeg handvatten te vinden zijn hoe de wolven van de schapen te scheiden.
Wanneer het dan nog steeds lastig en moeilijk is, luister dan eens naar Jezus wanneer hij zegt ‘je hebt toch de Heilige Geest ontvangen?
Die zal je in alle waarheid leiden.’

Als de door Jezus aangestelde herder is het een heilige plicht de kudde tegen de wolf te beschermen.
Het kan toch niet zo moeilijk zijn dat wanneer er naar de Heilige Geest wordt geluisterd een herder zich rustig neerlegt; de deurposten zijn immers bestreken met het bloed van het Lam..?

Ja maar of gaan?

Een tijdje geleden hoorde ik een spreker zeggen dat je in Israel beter de naam van Jezus niet noemen kunt, want daarmee jaag je Joden tegen je in het harnas.
Notabene onder het volk van God roepen christenen andere christenen op te zwijgen over Jezus, en de Naam der namen niet op je lippen te nemen.
De voorganger in kwestie haalde Mattheus 10 aan waar Jezus zelf zegt dat wanneer je als Christen bang bent voor de naam van Jezus uit te komen je het niet waard bent Christen genoemd te worden.

Is het alleen in Israel zo, dat we zo ‘voorzichtig’ zijn geworden de naam van Jezus aan te roepen?
Zijn we nog wel trotst op die naam, Jezus, de Messias, de Redder der wereld?
Durven we nog uitkomen voor die geweldige naam?

Op internet wordt me over allerlei namen het volgende verkondigt:
’Wen er maar aan dat steeds meer mensen zichzelf identificeren met hun seksuele voorkeuren die afwijken van de norm.’
Vervolgens worden me 20 seksuele voorkeuren uitgelegd.
Om ons heen is er totaal geen schaamte meer allerlei borden omhoog te houden en luidkeels te roepen wat je bent.
Om een paar van de meest bekende te noemen:
’Ik ben homo,
ik ben lesbienne
ik ben transgender,
ik ben bisexueel
ik ben interseks’

Jezus roept ons in Matteus 10 ook op een bord omhoog te houden wanneer Hij zegt je kruis op te nemen en achter Hem aan te gaan.
Durven we als Zijn naamdragers dat kruis nog wel omhoog te steken tussen al die andere borden die de wereld ons voor houdt?
Durven wij, tussen al die anderen die ons toeschreeuwen wat ze zijn, te zeggen wie we zijn ?
Zijn we nog wel trots op onze identiteit in Christus?
Zijn we ons voldoende bewust welke macht en kracht we in ons meedragen?
Beseffen we nog wel dat het kruis van Golgotha ieder ander kruis lichter te dragen maakt?
Zijn we genoeg bewogen met de, zowel in kerk als samenleving steeds meer onder allerlei kruizen gebukt gaande wereld om ons heen?

In Hosea 4:6 lezen we Gods hartverscheurende klacht t.a.v. de priesters van het volk Israel:
‘Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is.
Jij wilde het niet met Mij vertrouwd maken , daarom wil Ik niets meer met jou te maken hebben, je zult Mij niet meer als priester dienen.’

Petrus zegt in 2:1 dat we in Jezus Christus “een koninklijk priesterschap zijn, een uitverkoren geslacht een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis naar Zijn wonderbaarlijk licht geroepen heeft.”

Wanneer ik deze twee tekstgedeelten naast elkaar leg en op me in laat werken word ik bang te moede over onze schroom voor Jezus uit te komen.
Is het terecht dat we deze angst met een vroom woord ‘voorzichtigheid’ noemen?

Al dit soort vragen gaan door me heen wanneer we bijv. zoals onlangs, in de kerk luisteren naar een preek over Lukas 14;
‘En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.
En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht.
En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken?
Maar zij zwegen. En Hij greep [hem] vast, genas hem en liet [hem] gaan.
En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte: Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?
En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.’

Naar goede gewoonte wordt na de preek de gemeente uitgenodigd een dank of gebedspunt in te brengen; zo ook deze keer.
Een van de gemeenteleden vroeg gebed omdat hij komende tijd een aantal onderzoeken moest ondergaan i.v.m. vocht vasthouden in de benen.
De dienstdoend ouderling ging ons voor in gebed…

Op momenten als deze kan ik me maar moeilijk verenigen met de kerk en vraag me verbaasd af wat we nu eigenlijk aan het doen zijn.
In het gelezen hoofdstuk lezen we dat Jezus iemand met waterzucht geneest en in andere gedeeltes dat hij de discipelen uitzendt het Koninkrijk der hemelen te verkondigen waarbij hij hen macht geeft boze geesten uit te drijven en zieken te genezen.
(Marcus 16:17-18)

‘En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.’

In Johannes 14:12 belooft Jezus:
‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.’

In het ter sprake brengen van bovengenoemde situatie, en de vraag hoe anderen hier over denken is het antwoord meestal: ‘maar we hebben er toch voor gebeden?”
‘Maar wijs mij dan de plek eens aan waar staat dat Jezus ons opdraagt te bidden voor de zieken?
Ik kan het over het hoofd zien, maar ik lees alleen dat Jezus ons opdraagt de zieken de handen op te leggen en te genezen…’

Gesprekken over onderwerpen die te maken hebben met de opdracht van Jezus en de belofte daaraan verbonden, verlopen meestal op de volgende manier:
‘Maar stel je voor dat we dat gaan doen, dan zijn er altijd mensen die daar erg van schrikken omdat we het niet gewend zijn’
‘Maar Jezus zegt: ‘angst voor mensen is een valstrik, wie op de Heer vertrouwt, wordt beschermd.’ (Spreuken 29:25)
‘Ja maar, we zijn gewoon nog niet zo ver.’
‘Maar bij Jezus is het al tweeduizend jaar zo ver! Hij zegt: ‘Laat de goedheid die hij u bewijst niet tevergeefs zijn. Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.’ (2 Korintiërs 6:1-2).’
‘Maar ik ben bang dat er dan misschien wel mensen weggaan.’
‘Maar Jezus zegt: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudig ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt he eeuwige leven.’ (Marcus 10: 29-30)
‘Ja, maar is dat nog wel voor deze tijd?’
Maar Jezus zegt: ‘Ik Ben gisteren en heden tot in eeuwigheid’(Hebreeën 13:8)
‘Ja, je hebt wel gelijk, maar toch denk ik…’
Maar Jezus zeg: ‘wie mijn woorden hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots.’ (Mattheus 7:24)
‘Maar ja, ik ben Jezus niet.’
Maar Jezus zegt: ‘hoewel je nog in de wereld bent, ben je als Jezus.’ (1 Johannes 4:17)

‘Maar hoe weet ik of ik daar geschikt voor ben?’
‘Gewoon omdat Jezus dat zegt!’
‘Ja, nou ja, jij bent altijd zo lekker (en soms irritant) radicaal, ik durf dat niet.’
Maar in Romeinen 8:11 staat een geweldige bemoediging: ‘dezelfde Geest die Jezus deed opstaan uit de dood woont in jou en mij.’
En gelukkig, je hoeft niet mij te volgen, je moet Jezus volgen; wat zegt Hij?
‘Ga in Mijn naam…’
‘Maar ik moet daar toch ook een soort gevoel bij krijgen om te weten dat ik dat moet doen?’
‘Jezus zegt: ‘wees niet bang want Ik ben met je…Ga!’

Mijn gebed is:
‘Heer, vergeef ons onze ongehoorzaamheid, ongeloof en eigengerechtigheid.
Vergeef ons de vrees voor mensen Heer en vervul ons met vrees voor U.
U zegt toch zelf dat de Vreze des Heren wijs maakt en ten leven lijdt.
Vergeef ons Heer dat we Uw Geest bedroeven.
Maak ons gewillig Uw vuur te ontvangen.’

Doe ik het goed Pa?

‘Doe ik het goed Pa?’

Sinds een paar weken volg ik op BBCfirst een spannend drama: ‘MotherFatherSon’
De hoofdpersonen zijn Max, eigenaar van één van de invloedrijkste media-imperiums ter wereld, Katryn, de ex-vrouw van Max en hun zoon Caden, jongste editor van Max’s zeer gewaardeerd dagblad ’The Nationals.’
Om onder de druk van zijn vaders’ verwachtingen uit te komen verdooft Caden zijn pijn met cocaïne en allerlei uitspattingen.
Als gevolg van dit buitensporig leven wordt Caden getroffen door een zware beroerte en verandert in een hulpeloos kind.
Op dat moment ontstaat tussen Max en Katryn een gevecht om de ziel van hun zoon, daar Katryn hierin een kans ziet om weer contact te maken met de gevoelige jongen, die Max bij haar vandaan heeft gerukt.

In de aflevering van afgelopen week speelt zich de volgende zeer dramatisch scène af:
Caden ondergaat een intensieve revalidatietherapie maar zal nooit meer de oude worden.
Zijn rechterarm en rechterbeen zijn gedeeltelijk verlamd, zijn gedrag is onvoorspelbaar, zijn geheugen kort, zijn mond staat scheef en hij kwijlt.
Om allerlei speculaties de kop in te drukken belegt men een persconferentie waarin Caden op het hart wordt drukt niet op vragen in te gaan.

Na afloop van de persconferentie vraagt Caden aan Max: ‘Pa, hoe deed ik het?’
Na een korte stilte antwoord Max: ‘Je deed het goed,’

Katryn gaat er ondanks de blijvende beperking van haar zoon van uit dat Caden binnen niet al te lange tijd weer gewoon aan het roer van Max’s imperium zal staan.
Alles zal volgens haar snel weer zoals vanouds zijn, alsof er niets gebeurt is.

Wanneer Caden terug is in het revalidatiecentrum vraagt Katryn aan Max wat er is?
M. ‘Niets’
K. ‘Komt het door hoe hij bewoog?
Door wat hij zei?
Zijn geheugen?’
M. ‘Het ligt niet aan wat hij zei.
Het is niet zijn geheugen en
niet zijn spraak.’
K. ‘Wat dan?’
M. ‘Hij vroeg hoe hij het deed.’
Niet begrijpend vraagt Katryn: ‘Hij vroeg…?’
M. ‘Hij vroeg, hoe deed ik het?’
K. ‘Dus?’
M. ‘Ik loop een kamer binnen, ik
zeg: ‘zo gaan we het doen’
Ik vertel je: ‘zo heb ik het
gedaan, ‘ ik vraag niet: ‘hoe
deed ik het?’ Dat weet ik al.
En als ik daar niet zeker van
ben, dan moet ik een andere
baan zoeken.’
K. ‘Wat? Kan hij niet voor je
werken?’
M. ‘Nee.’
K. ‘Echt niet?’
M. ‘Absoluut niet.’
K. ‘Maar hij wordt beter, hij doet
zijn best!’
M. ‘Het ligt niet aan zijn
beroerte.’
K. ‘Waaraan dan wel, wat is het?’
M. ‘Al runt hij mijn zaak vanuit
een rolstoel, dat zou niet erg
zijn.
Het zou niet erg zijn als hij
moeilijk sprak als hij
geschikt was geweest.
Maar dat is hij niet.
Dat is niet omdat hij anders
is, er is niets verandert.
Het is dezelfde man.
Ik zag een man die vraagt:
‘hoe deed ik het?’
Hij is een medewerker, geen
leider.
Hij vroeg of hij het goed
deed…’

Ik zag prachtige paralellen met God de Vader en God de Zoon;
Vader God die al in het begin een plan had de mens te redden: ‘zo doe ik het.’
Volkomen één met de wil van Zijn Vader vroeg Jezus nooit: ‘doe ik het wel goed Pa?’
Hangend aan het kruis deed Hij dat waarvan Hij altijd al wist: ‘zo doe Ik het.’
Volkomen zeker van Zijn zaak riep Hij : ‘het is volbracht,’ waarna Hij het hoofd buigend Zijn geest over gaf aan Vader.

Welke parallel in het verhaal van Max en zijn zoon Caden en onze verhouding tot Vader God zou er te vinden zijn?
Is dat die waarin we ons in allerlei bochten wringen om door Hem goedgekeurd te worden?
De houding van een werknemer die na gedane arbeid verwacht beloont te worden?
Is de buitenkant mooi opgepoetst maar innerlijk zijn we niets verandert?
Proberen we God te sussen met: ‘ik ben nu eenmaal een zondaar’ omdat we als slaaf bang zijn voor straf?

Of zeggen we:
Jezus’ offer heeft me bevrijd uit de macht van de slavernij van de zonde, ik ben voor eeuwig vrij.
In die vrijheid ben ik geen werknemer die loon verdiend, maar uitgekozen om dienend te volgen waar Hij ook gaat.
Mijn naam staat opgeschreven in het boek van de levenden, daarom hoef ik niet mijn best te doen in een goed blaadje te komen, door zijn verzoenend sterven sta ik dat al!
Van mezelf ben ik naakt, maar Hij heeft me Zijn koninklijke mantel der gerechtigheid omgehangen.
Van oorsprong draaien mijn gedachten alleen om mezelf, maar Hij zuivert ze van elke eigengerechtigheid.
Onbekwaam tot enig goed geef ik mijn tijd aan Hem, waarna ik alle tijd heb Hém te aanbidden te loven en prijzen.

Door het offer van de Zoon ben ik niet maar gewoon een werknemer maar Zijn geliefde kind in wie Hij een welbehagen heeft.
Zoals Hij het licht der wereld is, zo ben ik in Hem het licht der wereld.
Zoals Hij en de Vader één zijn, zo ben ik één met Hem,
mijn Heer, mijn Heiland, mijn Jezus…

Ja maar of gaan?

Wie betaalt, bepaalt?

Op tv zag ik eens een fragmentje van de uitreiking van één of andere grote geldprijs.
De reactie van de winnaars op de vraag van de verslaggever: ‘wat gaat u ermee doen?’ was amusant ad rem: ‘dat gaat niemand wat aan.’
En gelijk hebben ze!

Een soortgelijke situatie, en naar mijn persoonlijke mening nóg pijnlijker onbeschaamd doet zich voor wanneer je weinig geld te besteden hebt.
Eerder schreef ik al over mijn ervaringen t.a.v. de Voedselbank, een artikel dat door diverse lezers negatief ontvangen is en me verschillende vijanden heeft opgeleverd.
Maar dat niet alleen, van een enkeling hoorde ik zeggen dat het hun ogen heeft geopend en ze nu toch wat anders naar armoede en/of de voedselbank kijken.
Mijn blog van vandaag is een ongewild vervolg.

Het is bekend dat ineens een groot geldbedrag winnen iets met je doet, logisch natuurlijk!
Tevens doet het iets met de omgeving, opeens wil iedereen vriendjes zijn met de nieuwe rijken, waarom terecht begeleiding wordt geboden hoe met de nieuwe status om te gaan.

Armoede doet ook iets met je, ten eerste met je status.
Geen leuke uitstapjes, niet naar de sportschool, niet aansluiten bij één of andere klup, het betekent een zeker isolement waar je niet zelf voor gekozen hebt.
Schaamte en iedere keer moeten zeggen dat je geen geld hebt, plaatsen je langzaam maar zeker buiten de kring.

De reden waarom ik dit blog schrijf is om een nog andere, zo niet pijnlijker vorm van isolement.
Armoede van de één verandert in zekere zin namelijk ook de ander in je omgeving.

Mijn maatschappelijke status de komende jaren is dat ik onder bewind sta, en iedere stap aan de rechtbank moet verantwoorden.
Ik heb daar moeite mee, erg veel moeite.
Gelukkig heeft Vader enkele mensen in mijn leven geplaatst die me regelmatig wat toestoppen, waardoor ik mezelf af en toe mee uit neem, iets nieuws kan kopen, het lampje van de afzuigkap kan verwisselen of mezelf trakteer op een kopje koffie bij LaPlace.

In principe moet ook hier verantwoording over worden afgelegd, alsof overal je gangen worden nagegaan.
Op iedere straathoek van mijn leven hangen als het ware camera’s om vast te leggen of er niet ergens verborgen geld ligt.
Wat ik steeds vaker tegenkom is dat buiten de controle van de rechtbank, ook de omgeving ongevraagd meekijkt en verantwoording eist.

Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: “je hebt anders wel een heel dure fiets.”
Of: “hoe komt het dat je dit of dat dan wel betalen kunt?”
Of: “oh, en wie betaalt dat dan voor je?”
Of: “ik kan anders niet aan je zien dat je naar de Voedselbank moet.”
Of je hoort via via dat je niet genoeg dankjewel gezegd hebt voor iets wat je gekregen hebt…
Wanneer ik in mijn naïviteit mijn blijdschap deel over een onverwachts extraatje zijn er genoeg mensen die oprecht blij voor en met me zijn, maar ik kijk er ook niet meer van op dat er zeer negatief gereageerd wordt met: ‘mooi makkelijk hè dat een ander alles voor je betaald.’
Het heeft me zelfs vriendschappen gekost…

Ik kan nog veel meer voorbeelden van dit soort opmerkingen noemen, waarvan je al heel snel de ondertoon leert herkennen.
Het gevolg van dit voortdurend controleren is dat maar gewoon thuis blijven het meest veilig lijkt
waardoor je uiteindelijk niemand meer ziet en het contact met de buitenwereld nog verder verliest.

Eerlijk, ik begin steeds meer moeite te krijgen met al die ongevraagde bemoeizucht.
Ik ben een mensenmens maar merk dat het steeds lastiger wordt open en zonder oordeel naar de omgeving te zijn dus ik vraag wat hulp van die omgeving.

Zou je daarom alsjeblieft wat moeite willen doen je af te vragen wat je voor de arme medemens zou kunnen betekenen?
(niet persé voor mij, er zijn er veel meer dan je denkt)
Een tip kan b.v. zijn:
wanneer je je bijdrage aan de voedselbank aflevert, vraag je zelf dan eens af wie je in een meer persoonlijk contact aan je tafel nodigen kunt.
Probeer zonder oordeel eens te bedenken dat elke voor jou zo gewone boodschap, dokters of tandartsbehandeling, reparatie, onderhouds of knipbuurt, vakanties en uitjes, lidmaatschappen en abonnementen misschien voor een bepaald lid van je familie, je buren of een lid van de gemeente niet te betalen zijn.
Durf je dat aan; niet weg te kijken van de om je heen toenemende armoede en de gevolgen die dat voor je medemens heeft?

Durf je écht te kijken om te zien?

De vraag aan mezelf is: durf je het aan om kwetsbaar en open je armoede en rijkdom te (blijven) delen?
Zonder een oordeel te hebben over het groeiend onbegrip…

Link naar mijn blog over de Voedselbank

Voedselbank

Mijn mooiste ketting.

In mijn brein liggen gebeurtenissen en ervaringen opgeslagen waarvan ik de meest waardevolle als kostbare kralen aan een herinneringsketting rijg.
Iedere kraal heeft zijn eigen vorm en kleur, de een mooi rond, de andere wat ongelijker of hoekiger van vorm, maar elk even schitterend en uniek.
Het kan zo maar zijn dat een bepaalde geur, een geluid, muziekstuk of klein gebaar me de kralen als een rozenkrans door de vingers doen glijden.
Tastend naar de vorm roept iedere kraal zijn eigen gevoelens en emoties boven, waarbij het memoriseren niet automatisch een glimlach op mijn gezicht tevoorschijn hoeft te roepen.
Het gebeurt al te vaak dat een bepaalde herinnering mijn ziel als een scherpsnijdend zwaard doorklieft.
Gaat het dan om een herinnering die trauma heeft nagelaten?
Geenszins, het zijn juist de meest kostbare kralen, kralen die zó waardevol zijn, dat ze me door het gemis en heimwee naar die persoon of situatie de adem benemen.
Dit heimwee en gemis doen deze kralen des te meer het alleen zijn als een soms ondraaglijk zeer ervaren.
Ze onderstrepen de eenzaamheid als brengt het mijn klok van slag waardoor ik als het ware even stil moet gaan staan bij toen…

Wanneer ik bij het door de vingers gaan van deze kralen mijn kussen nat huil, is daar steevast iemand anders die onder míjn streep een andere streep trekt.
Terwijl ik mijn van pijn gekromde ziel ophef om te zien wie deze dubbele streep heeft gezet, zie ik niemand anders dan Jezus alleen die mij uitnodigt met zíjn ogen te kijken naar mijn eenzaamheid en gemis.
Hij laat me vervolgens zien en beseffen dat de kraal aan mijn ketting juist daarom zeer doet omdat deze kraal iets zeer kostbaars en waardevols in zich bergt.
Niet om daarmee het zeer te verhullen, maar veelmeer om beide emoties te laten bestaan; pijn en dankbaarheid, vreugde en gemis.
Jezus verbindt zich aan mijn pijn en aan mijn vreugde, mijn blijdschap en mijn verdriet.

Vol liefde en mededogen houdt hij vervolgens zijn doorboorde handen op en wacht tot ik mijn ketting erin leg.
Het maakt hem niet uit dat de kralen glibberen van mijn snot en zoute tranen, mijn ketting is hem des te meer waardevol.
Uit één van zijn doosjes haalt hij een kraal, rood als bloed, en vraagt me of hij deze aan mijn ketting rijgen mag.
Zijn vingers strelen mijn natgehuilde wangen, waarna hij zonder er ook maar eentje over te slaan al mijn tranen in een flesje giet.
Ik volg met belangstelling zijn voorzichtige beweging waarmee hij mijn ketting om de hals van zijn flesje hangt en zie in zijn ogen opeens dezelfde heimwee als die mij zo pijn doet.
‘Kijk nog eens goed mijn lief,’ zegt hij teder.
Ik kijk in zijn gezicht vol ontfermend mededogen en doe een verbijsterende ontdekking.
De pijn van gemis naar dat wat was blijkt door zijn ogen een heimwee naar het nog niet maar in hem absoluut zeker en vast.
Hij glimlacht om mijn verbazing en vraagt me: ‘Je wist het toch al wel dat ik net zo naar jou verlang als jij dat naar mij doet?’
Natuurlijk weet hij dat ik het soms even kwijt ben, maar wat is hij lief dat hij het niet tegen me houdt.
Ik kan alleen nog maar zeggen: ‘ja Heer, ik weet het toch altijd al!’

‘Kom’ zegt hij, ‘we gaan naar de juwelier.
Daar mag je een mooie nieuwe kraal uitzoeken…’