Drie keer toeteren.

Ondanks dat ik veel ooms,tantes nichtjes en neefjes heb, was mijn verjaardag vroeger een eenzaam gebeuren.
Mijn ouders zijn niet familiair ingesteld en hadden weinig behoefte aan veel volk over de vloer en al helemaal niet aan verjaardagsfeestjes.
Ik kan me daarom niet herinneren dat er ooit een oom of tante op mijn verjaardag kwam,net zomin als dat er vriendinnetjes kwamen.
Niet dat ik er onder leed, ik wist niet beter, dus mistte ik ook niets.

Later werd dat anders.
Eenmaal op mezelf werd mijn verjaardag een speciale dag die ik met zoveel mogelijk mensen vieren wilde.
Vooral sinds ik alleen ben heb ik deze dag als een heel speciale mij-dag gevierd.
Deze mij-dag was pas een mij-dag wanneer zoveel mogelijk gasten mijn verjaardag met me mee beleefden en het tot een samen-dag maakten.
Als een kind zo blij en opgewonden klonk de bel me als muziek in de oren, en opende ik verwachtingsvol de deur, benieuwd wie mijn verjaardag belangrijk genoeg vindt tot een speciale dag te maken.

Meestal is een rond-getal-verjaardag een dag waarop je, als markering in de tijd, een nog specialer dan anders feestje geeft.
Een dag die je je de volgende 10 jaar herinnert als extra feestelijk en bijzonder.
Op het bord waarop je leeftijd staat vermeld, worden voorbijgangers opgeroepen te toeteren zodat iedereen weet dat je jarig bent.

Mijn zestigste verjaardag afgelopen week, is ook een markering in de tijd.
Niet omdat mijn huis vol was, maar omdat ik me nooit eerder op mij-dag zo alleen heb gevoeld.

De voorbereiding van mij-dag voelde al onzeker.
Kon ik wel mensen uitnodigen?
Gezien het ‘nieuwe normaal’ waarin ik persoonlijk de ‘veilige afstand’ als extreem onveilig ervaar, besloot ik geen uitnodigingen te doen.
Liever geen hoofdbrekens hoe ik mijn huisje anderhalvemeterveiligeafstandproof maken moet, liever geen afwijzing op mijn uitnodiging en liever geen gestoetel van ‘hoe moet ik je nu feliciteren?’
Dat allemaal liever en me het gewoon herinneren van vorige verjaardagen waarop het normaal was elkaar stevig de hand te schudden of te omhelzen.
Waarop ik de kopjes koffie en schoteltjes gebak uitdeelde zonder dat de ander zich angstig afvroeg of ik mijn handen wel genoeg gewassen had.
De mij-dagen waarop het ondenkbaar was dat dicht op elkaar gepropt niet gezellig, maar onveilig zou zijn.
Waarop we op mijn balkonnetje genoten van de frisse buitenlucht, zonder dat iemand op veilige afstand roept dat dat niet mag en vervolgens de klik-telefoon belt.
De mij-dagen waarop je je nog niet bang afvroeg of de voorbij rijdende politieauto stopt om je te bekeuren voor de verboden mij-dag gezelligheid.

Ondanks dat ik als kind een huilbaby was en mijn moeder van me zei;’die jankt eeuwig’ kan ik me niet herinneren dat ik op mijn verjaardag huilde omdat er geen bezoek kwam.
Dat was deze dag anders.
Mijn zestigste verjaardag is een marketing in de tijd waarop ik aan het eind van de dag mijn droge niet vochtig gekuste wangen schraal huilde van de zilte en bittere eenzaamheids-tranen.

Niet omdat er niemand geweest is, maar om de muur van veilige-afstand om de enkele die er wel was en dientengevolge de veilige-anderhalvemeter-afstand felicitaties.
Om de afwachtende houding van beide kanten: mag ik je vasthouden/hou me asjeblieft even vast.
Om het tegennatuurlijke van elkaar zo nodig zijn en tegelijkertijd elkaar als mogelijk gevaar voor eigen gezondheid behandelen.

Maar meer dan dat, om het algemeen aanvaard nieuw normaal van deze veilige afstand…

Hou me vast, mag ik dat ook bij jou doen?

Persoonlijk ervaar ik de veiligeafstandmaatschappij als extreem onveilig.
De spontaniteit is weg uit de samenleving, men is achterdochtig en bang voor elkaar geworden.
Dat heeft zijn weerslag op me.

Eerder schreef ik al eens over het beeld van de hand op zoek naar een hand die even vast wilde pakken.
Zoekend naar huidcontact met een ander levend wezen, snakkend naar aanraking.
Ik vermoed dat dat beeld zich zo op mijn netvlies brandde, omdat ik me vereenzelvig met die tastende hand.
Steeds op zoek naar de hand van een andere zoekende hand.
Iemand die je even vastpakt en laat voelen dat je er nog toe doet.
Iemand die je naam noemt, zodat je weet dat je nog bestaat.

Iemand die het toelaat zelf vastgepakt te worden.

Omdat mijn hand vermeend gevaar oplevert voor de volsgezondheid is mijn zoekende hand is zo langzamerhand bang genegeerd te worden,
Gezien als een bedreiging en door de hand die zich in gehoorzaamheid aan de veilige anderhalvemeter houdt, weggeslagen en afgeweerd.
Vroeger, mijn God, dat is nog maar een paar weken geleden, trilde mijn hand van heerlijke verwachting en hoop bij een zegenende aanraking.
Nu beeft mijn hand van angst en pijn omdat de afstand haast onoverbrugbaar geworden is.

De maatschappij is veranderd, en de harten van mensen zijn mee verandert.
Ik ervaar een enorme verkilling in deze anderhalvemeter maatschappij, precies waar de Bijbel ook over spreekt.
‘De liefde zal verkillen.’

Omdat de vereenzaming nauwelijks een onderwerp van gesprek of zorg is, voel me eerlijk gezegd in de steek gelaten.
Niet alleen door Rutte, maar vooral door de dichte deuren van de kerk.
Het mag amper genoemd worden want er toch evengoed iedere zondag dienst?
Het is ‘net aalsof’ maar niet samen en bovendien, zo ervaar ik dat tenminste, enorm naar binnen gericht.
Het benadrukt het alleen zijn, wanneer je alleen bent.
Het maakt me boos, en het verbijsterd me dat ik om me heen niet meer boosheid zie, niet meer weerstand tegen de anderhalve meter voor de veiligheid vereenzaming.
Ik vind het haast niet te verteren dat de anderhalvemetermaatschappij zo gemakkelijk geaccepteerd is in maatschappij en kerk en algemeen aanvaard wordt als het nieuwe normaal.
Het zorgt voor onrust en onveiligheid, waardoor ik me ook afvraag: ‘waneer we elkaar niet meer aan mogen raken, wat voor zin heeft het dan nog om bij een kerk te horen?’

Omdat Jezus iets anders zegt en God ons niet gemaakt heeft om alleen te zijn en Hij zelf de bedenker van aanraking, handoplegging, zalving en gemeenschap is.
Daarom geloof ik niet in de anderhalvemeterafstand veiligheid.
Het heeft de verkilling in de hand gewerkt, radeloosheid, eenzaamheid en stress.
Het maakt van sommige mensen politieagentjes van de bewaking voor deze anderhalveneterafstand.
Nog net niet met een bonnenboekje op zak, word je bij iedere centimeter overtredeing terecht gewezen en op je plek gezet.
Relaties veranderen, vrienden die je eerst nog van harte beet pakten en je broederlijk of zusterlijk begroeten met een kus, verdedigen nu hun veiligheid van hun eigen roodwit omlijnde vierkante anderhalvemeter, en vragen je dringend je verantwoordelijkheid te nemen niet over hun lijntje te gaan.

Ik snak naar iemand die het aandurft buiten zijn eigen lijntje te stappen en binnen de onbegrensde mogelijkheden van het Koninkrijk van Jezus me een hug te geven.
Ik snak naar iemand die mij binnen zijn of haar lijntjes trekt zodat ik aanraken mag, zegenen mag.
Gewoon omdat huggen en handoplegging een hemelse uitvinding is…

Onbegrensde mogelijkheden.

‘Alles buigt voor koning Jezus! We mochten Pasen vieren; Jezus is opgestaan en wij met Hem!’

Deze prachtige zin las ik vanmorgen in een kerkelijk maandblad.
Het puzzelt mij of wat de mond hier belijdt, ook echt wordt geloofd. Wat ik om me heen gebeuren zie is een tegenovergestelde belijdenis. De wereld buigt voor een onzichtbare vijand, een virus, en de kerk is meegegaan in het buigen van de wereld voor een vijand waarvan we met de mond belijden dat die overwonnen is.

We zeggen: ‘we mochten Pasen vieren, Jezus is opgestaan en wij met Hem.’
Maar aan Pasen gaat Goede Vrijdag vooraf.
De dag waarop we gedenken dat Jezus is gekruisigd en gestorven aan het kruis op Golgotha. Of is het ook voor de kerk vooral de dag waarop we rekening houden met het eerder sluiten van de winkels en daarom onze ijskast vast gevuld hebben met voorraad voor het paasontbijt, de paaslunch, en het paasdiner. Ver voor Pasen snoepen we al van de chocolade paaseieren, en wat een geluk, op Goede Vrijdag mag al het Paassnoepgoed voor de helft van de prijs de winkel uit dus slaan we nog snel even onze slag.
Kortom, we bereiden ons voor op Pasen.

Niets mis mee, maar hebben we ook echt Goede Vrijdag gevierd?
Heeft het ons hart geraakt dat de rekening voor het Paasfeest op Goede Vrijdag is betaald?
Niet goedkoop in de uitverkoop of voor half geld, maar met het kostbare bloed van de Zoon van God, Jezus Christus.

Met dat doel werd Hij ons mensen gelijk; eens als een mug vastgepind te worden aan het kruis op Golgotha.
Hij stierf niet alleen uit liefde voor zondaren, maar ook en vooral om ons uit de macht van zonde en dood te verlossen.
Deze macht van zonde, schuld en schaamte, hield ons gevangen in een wedloop die we nooit konden winnen en waaruit zelf ontsnappen onmogelijk was en is.

Ondanks dat we er niets aan konden doen schuldig te zijn, werd de torenhoge rekening daarvoor bij onszelf neergelegd, een rekening die alleen betaald kon worden met onze eeuwige dood.
Het enige wat ons uit deze wurggreep vrij kopen kon, was en is een hogere macht dan die van zonde en dood, Jezus de Messias.
Hij gaf zich vrijwillig als losprijs en betaalde voor onze schuld.

Hij wérd schuld!

In Zijn dood draaide Hij niet alleen zonde de nek om, ook elk gevolg en iedere aanklacht van de zonde nam Hij mee in het graf!
De Bijbel zegt ons op meerdere plekken dat we met Jezus gestorven en begraven zijn en met Jezus zijn opgestaan in een nieuw leven.

We zijn niet meer van onszelf, we zijn van Hem!
Zijn overwinning op zonde en dood is onze overwinning op zonde en dood, in Hem zijn we meer dan overwinnaars!

De schatkamers van Vader staan wagenwijd open, in Jezus is alle rijkdom van de hemel onze rijkdom geworden.
Alles wat Jezus onder Zijn doorboorde voeten vertrapt heeft is ook onder onze voeten!
Elke onreinheid die door de aanraking van Jezus doorboorde handen rein is geworden hoeft ook geen gevaar meer voor ons te zijn!

We zullen daar allemaal ‘Amen’ op zeggen…
En daarna?
‘Ja maar…?’

Want hoe komt het dat we zonder slag of stoot capituleren voor een virus?
Hoe komt het dat wanneer we zeggen: ‘Alles buigt voor koning Jezus.
Het is Pasen geweest, Jezus is opgestaan en wij met Hem.
Zijn naam boven alle namen.’
we meteen bogen voor wat de wereldleiders ons opdroegen?
Hoe komt het dat we zeggen in Jezus meer dan Overwinnaar te zijn terwijl de angst voor een virus ons krachteloos heeft gemaakt?

We zeggen dat we als kerk in onze mogelijkheden zijn beperkt, maar zou het niet meer zo zijn dat we ons in onze mogelijkheden hebben láten beperken?
Hebben we vóór de crisis al wel genoeg gebruik gemaakt hebben van de ons in Jezus geschonken onbegrensde mogelijkheden?
Of waren we daarvoor al krachtloos en lauw, omdat schuld en schaamte ons beter past dan afhankelijkheid van Genade?

Noemden we ons vóór de crisis al niet veel liever ‘evengoed zondaar’ dan dat we ons ‘de gerechtigheid Gods in Christus Jezus’ noemden?

Hebben we vóór Pasen Goede Vrijdag herdacht als hoe erg het is dat Jezus voor ons sterven moest?
Of hebben de Goede Vrijdag gevierd als hét hoogtepunt van het kerkelijk jaar, het bevrijdingsfeest uit zonde en zondemacht?
Heeft u, heb jij gedanst rond dat kruis, opgericht tot onze verlossing uit een gevangenis waaruit we zelf nooit of te nimmer ontsnappen konden?

Vieren we na Goede Vrijdag Pasen als het feest van nieuwe Jezus-mensen voor wie elke macht van Satan aan de kant moet gaan?
Onderscheiden we in de Avondmaalsviering het eten van Jezus Lichaam en het drinken van Jezus bloed, als eenwording met Hem als ons hoofd en wij Zijn lichaam?

Jezus offer was en is een koop van alles halen, Één betalen.

We leven naar Pinksteren toe.
Het feest waarop de Heilige Geest ons alles geschonken heeft wat in Christus Jezus is.
Jezus zelf beloofde ons groter dingen te doen dan Hij, en toch zeggen we dat onze mogelijkheden begrensd en beperkt zijn.

Het blijft me pijnlijk verbazen wanneer ik dit uit de mond van medechristenen hoor belijden…

Goed verzekerd voor de beste Vaccinatie.

Omdat de eenzaamheid ten gevolge van een maatschappij op slot me af en toe zo naar de keel grijpt, belde ik s’nachts een keer de ‘JeBentNietAlleen’ lijn.

Petje af voor de inspanningen en goede intenties van de vele vrijwilligers aan de andere kant van het virtuele draadje, maar na het gesprekje zat ik toch met een kater.
Want wat was ik verder gekomen dan het advies de andere dag de huisarts te bellen, misschien dat ik medicatie nodig had…

Eerlijk, door de sneltreinvaart aan ontwikkelingen in de wereld van vandaag ben ik behoorlijk van slag.
Het troost me bitterzoet dat dat misschien het enige is wat me nog aan de ander bindt, een gezamenlijke, ieder in zijn eigen huisje soms onverdragelijke eenzaamheid.
Of wanneer je buiten bent, het alleen zijn in je eigen anderhalvemeter-cocon waarin knuffelen op straffe van een boete van €390 en een strafblad op zak, verboden is.
De dagen zijn vaak niet meer te duiden, zondag is een dag als alle andere dagen geworden.

Met mij zijn vele mensen van slag, ik ben ‘gelukkig’ niet de enige.
Vandaar dat de berichten over de toegenomen belangstelling voor religieuze beleving en de kerk mijn bijzondere aandacht trekt.
Ik lees dat online preken meer dan voor het lockdown bekeken of beluisterd worden, en zo zegt men, er wordt opvallend veel meer door niet kerkelijke mensen op gereageerd.

Het is logisch dat kerken deze toename aan belangstelling als hoopvol nieuws vermelden.
Allereerst word ik er zelf ook blij van, omdat ik ervan overtuigd ben dat de kerk het antwoord heeft op alle levensvragen, en we daarom niet bang hoeven zijn voor de spreekwoordelijke mond vol tanden.

Toch vermengt de vreugde over de toegenomen vragen aan de kerk zich met een schrijnend zeer.
Want, zo vraag ik mij af, wanneer de kerk van vandaag roept dat het nu tijd is kleur te bekennen en het verschil te maken welk zichtbaar en hoorbaar verschil maakt dan de kerk?
Persoonlijk voel ik me behoorlijk in de steek gelaten door de kerk.
Vandaar dat ik zelf weinig anders kleur ervaar dan dezelfde donkere wolken die de anderhalvemeter-maatschappij van ‘het nieuwe normaal’ aan de blauwe lucht stapelt en het zonlicht belet door te breken.

Buiten de onderling verdeeldheid over de rol man/vrouw en de tijdens deze crisis oplaaiende discussies over Avondmaal en Doop wel of niet in de wacht, wel of niet gewoon thuis, wat heeft de kerk de mens in deze vreselijke tijd anders te bieden dan dat het RIVM, Mark Rutte en o.a. Ab Osterhaus ons aanreiken?

Welke boodschap heeft de kerk voor de groeiende groep in armoede vervallende naasten die bv geen geld meer hebben om fatsoenlijk boodschappen te doen?
Nodigen we de hongerigen aan onze eigen tafel?
Nee toch, dat mag niet van Rutte, en omdat we het goede voorbeeld geven de overheid gehoorzaam te zijn, verwijzen we naar de Voedselbank.
Onze eigen deur zit, net als de deur van de kerk, op slot, knuffelen, aanraken en zegend de hand leggen verboden!

En welke troost biedt de kerk na het belletje van een zieke?
Wellicht raden we een Bijbelapp en wat bemoedigingde teksten aan, waarna we de telefoon weer neerleggen.
Maar wanneer een dag later een klop op de deur klinkt doen we dan open?
Iemand heeft nl. gelezen bij ziekte de oudsten te roepen en snakt naar de zegen van elkaar zonde belijden en zalving met de heilige olie.
Wat doen we dan als kerk?

Onze naaste in nood heeft geen behoefte aan mooie woorden, en beeldbuis gesprekjes, hoe waar deze woorden ook zijn mogen.
Hoe luid en duidelijk onze woorden op zondagmorgen klinken als een klok, het zal in de oren van een radeloos mens klinken als schel metaal.
De bodem van het bestaan is voor veel mensen is al niet meer anders dan een lockdown, waarin nog maar één behoefte schreeuwt: een hand die je uit de put omhoog trekt.

Jij zal maar dik in de modder op de bodem van de put zitten, terwijl om je heen iedereen zich aan de anderhalfmetermaatregel houdt…
Nog net voor je onder de derrie verdwijnt gooit iemand een touw, maar op veilige afstand laat men je bungelen.
Niemand heeft behoefte je hand te pakken om je het laatste stukje over de rand te trekken…
Anderhalvemeter tussen jou en je naaste bespaart de ander immers een boel geld!

Wanneer je het nieuws volgt zou je verwachten dat het de eenzaamheid van een schijnbaar nog weinig overgebleven gezonde iemand is die me vaak de keel dicht knijpt.
Of een griezelige verlatenheid tussen enorme rijen opgestapelde doden en voorbij trekkende begrafenisstoeten.
Maar dat is niet wat zo schrijnt.
Mijn ouders en familie breng ik iedere morgen onder het beschermend bloed van Het Lam dat geslacht is, dus heb ik ook geen trauma’s of verdriet om het gebod geliefden in eenzaamheid te moeten laten sterven.

Ik ervaar vooral een verschrikkelijke eenzaam en verlatenheid onder de levenden waarvan ik anders hoopte en verwachtte.
Met de mond wordt beleden; ‘Jezus is Heer,’ maar wanneer je daar op veilige afstand over in gesprek gaat, overstemmen de overleggingen achter het eigen ‘jamaar’ het ‘Jamaar’ van de Levende.
De eerste zondag in lockdown zong en beleed heel christelijk Nederland gezamenlijk: ‘Jezus Overwinnaar, Naam boven alle namen!’
Ik vraag me sindsdien voortdurend af; ‘wat we de wereld toezingen, geloven, we dat zelf (nog) wel?’

Het verdriet me te moeten zeggen dat ik onder gelovigen weinig anders aan bemoediging en uitzicht ervaar dan wat het RIVM, Mark Rutte en Ab Osterhaus te zeggen hebben.
Terwijl ik geloof dat het andersom moet zijn, is wat ik (over het algemeen) om me zie en hoor, afgestemd op het Corona nieuws.
Niet de kroon van Jezus heerst maar Corona heerst.
Niet wij zwaaien de scepter van Heil, Voorziening en Genezing, het Coronavirus zwaait de scepter over de arme wereld.

Hoe zou het zijn wanneer vanavond in plaats van Ab Osterhaus of Mark Rutte, één van onze voorgangers een persconferentie geeft op tv?!
Wat een opwinding wanneer hij/zij, jij/ik, of wie ook maar, aanschuift bij Pauw of Jinek!
De kerk, die geen blad voor de mond neemt om over dé oplossing, hét antwoord op ziekte en dood te getuigen; Jezus Christus en die gekruisigd!
Wat een verassing voor de wereld, te vertellen over een vaccinatie die allang klaar en voor iedereen beschikbaar is.

Het is nog gratis ook, want de rekening is tweeduizend jaar geleden al vereffend…

Gooi open die poort!

Afgelopen week zag ik beelden van zieke bejaarden in verzorgingshuizen.
Één van de geïnterviewde verzorgenden vertelde, dat wanneer ze bij het bed van een ziek en stervend mens komt, het eerste wat deze mens in nood doet is; de hand van de ander grijpen.
Het beeld van een zoekend naar aanraking smachtende hand brandde zich in op mijn netvlies.

Toen God de mens schiep zag Hij al meteen dat het niet goed is voor de mens alleen te zijn.
God de Schepper is de bedenker van contact, de creator van het normaal.
Zonder achterdocht genoten Adam en Eva van elkaar en van de vrije omgang met God.
En Hij zag dat het zeer goed was!

Satan was er als de kippen bij tussen dit verbond een stokje te steken.
Door de leugen van Satan te geloven dat God iets voor ons achterhield, is er een muur van schuld en schaamte tussen ons ingezet.
Het maakte ons vijanden van elkaar, we werden elkaars bedreiging.
Dit wantrouwen scheidde ons niet alleen van elkaar maar ook van de God en Vader die ons alles al gegeven had!

Door de zondeval werden we een tegen zichzelf verdeeld huis, een gebouw waarin muren noodzakelijk leken om ons voor elkaar te beschermen.
Dat wat God als het ‘normaal’ bedacht heeft, open contact met Hem en elkaar, maakte Satan het ‘abnormaal.’

Gelukkig is het niet zo gebleven, God wilde omgang met ons en zorgde zelf voor het middel de muur tussen ons en Hem in naar beneden te halen.

In Efeze 2 verteld Paulus de gemeente dat het bloed van Jezus de scheidingswand tussen Joden en Heidenen afgebroken heeft.

‘Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.’
‭‭Efeziërs‬ ‭2:13-16‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/eph.2.13-16.nbg51

Ik geloof dat het ook staat voor de muur van vijandschap tussen mensen onderling.
De muur die ons doet geloven elkaars bedreiging te zijn is weggehaald, het is weer zoals God het bedoeld heeft.
Het bloed van Jezus heeft ons samengesmeed, zijn bloed is het cement dat ons als levende stenen aan elkaar verbindt.
God zelf is in Jezus de betaling voor het ‘normaal’; zonder schuld en schaamte mogen we van Hem en elkaar genieten.

Het schrijnt me daarom zo dat het ‘nieuwe normaal’ zelfs onder gelovigen geaccepteerd wordt als veiligheid en bescherming van en voor elkaar.
Het ‘abnormaal’ van Satan, afstand en wantrouwen naar elkaar, is binnen een paar weken zelfs in de kerk ‘normaal’ geworden.

Daarom brandde het beeld van die zoekende hand me op het netvlies.
Dat is nl. hoe God het bedoeld heeft, Hij bedacht zelf dit snakkend contact en aanraking van elkaar.
Jezus droeg het ons zelfs op elkaar aan te raken in het zegenend elkaar de hand opleggen!

Door het beeld van de zoekende hand begon in mijn hoofd het volgende filmpje te draaien:
‘Ik lag doodziek in een quarantaine tent het ziekenhuis naar adem te happen en op veilige afstand stond de dominee me toe te roepen: ‘hou vol, de Heer is met je.’
Door alle apparatuur rond mijn bed kon ik niet horen wat hij riep, maar was daar ook niet zo in geïnteresseerd.
Met mijn laatste krachten smeekte ik hem toch op te houden met dat geschreeuw en me asjeblieft even aan te raken, precies zoals de Here Jezus ons dat opdroeg.’

Omdat ik geloof dat het bloed van Jezus niet alleen reinigt van zonde en schuld, maar tevens onze bescherming is tegen de gevolgen van zonde en schuld, doet het me bijzonder pijn dat zelfs gelovigen elkaar benaderen als gevaar voor besmetting.
Deze angst noemen we notabene elkaar beschermen…

Mijn broers en zussen in Christus, de muur van welke vijandschap is in Christus afgebroken!
Zijn bloed heeft ons tot levende stenen van een heilig huis gemaakt, een huis zonder scheidingswanden en voor elkaar beschermende muren.
Een huis met open vensters naar de hemel.
Een huis waar de radeloos naar contact smachtende naaste schuilen kan.
Een huis waar we zelf mogen schuilen.
Een huis waarin het getuigenis klinkt:

‘Waar U verschijnt wordt alles nieuw
Want U bevrijdt en geeft leven
Elke storm verstild door de kracht van Uw stem
Alles buigt voor Koning Jezus

U bent de held die voor ons strijdt
U baant de weg van overwinning
Elke vijand vlucht, ieder bolwerk valt neer
Naam boven alle namen, Hoogste Heer

De duisternis licht op door U
De duivel is door U verslagen
Dood waar is je macht, waar is je prikkel gebleven?
Jezus leeft en ik zal leven!

De schepping knielt in diep ontzag
De hemel juicht voor onze Koning
En de machten van de hel weten wie er regeert
Naam boven alle namen, Hoogste Heer

Voor eeuwig is Uw heerschappij
Uw troon staat onwankelbaar
Ongeëvenaarde kracht ligt in Uw grote Naam
Jezus, Overwinnaar.’

Naam boven alle namen: Jezus Overwinnaar!’

In naam van deze naam, gooi open die poort!

Horen Zien en Zwijgen.

Ondanks het vele onrecht wat me als klokkenluider van een pedofiel ten deel viel, heb ik 4 jaar lang volgehouden dat ik het precies zo zou doen.
Ik zou weer naar de desbetreffende basisschool de ‘Lichtboei’ in Emmeloord gaan waarvan de directeur in alle toonaarden de verschillende sexueel overschrijdende incidenten ontkende en onder het kleed veegde, maar toch de meester met een zak geld op zak de zak gaf.
Ik zou weer naar het hoofdkantoor van de basisscholen Noordoostpolder gaan om de hoofddirecteur te spreken te krijgen om vervolgens bij de deur tegengehouden te worden; ‘er is geheimhouding getekend, dus…’
Ik zou weer vragen; ‘als er niets gebeurd is, waarvoor is dan geheimhouding getekend?’
Ik zou weer contact zoeken met de ouders van kinderen en hen
smeken asjeblieft aangifte te doen, ondanks dat ze dit weigerden om reden dat omdat ze hem zo zielig vinden een juridisch dichtgetimmerd document tot geheimhouding tekenden.
Ik zou weer naar mijn kerk Jong&Vrij gaan, ondanks dat ik bont en blauw afgeranseld door de man die me trouw beloofde tot de dood, door mijn broeders en zusters genegeerd wordt en achter mijn rug om bekletst word.
Ik zou weer naar de voorganger van J&V gaan en hem vertellen van de vreselijke dingen die ik op mijn computer ontdekt heb, om vervolgens afgescheept te worden met; ‘het is jou woord tegen het zijne.’
Ik zou weer naar het pastoraat gaan, ondanks dat het pastoraal echtpaar deze man in huis neemt omdat ook zij hem zo zielig vinden en hij beschermd moet worden tegen de hysterie van zijn eigen vrouw.
Ik zou weer met als bewijs een usb-stick vol ongerechtigheid naar de leiding van de kerk gaan, om vervolgens weg gestuurd te worden met de waarschuwing eens op te houden met lasteren over mijn eigen oh zo hulpvaardige en vriendelijke man.
Ik zou weer smeken om gehoord te worden, ondanks dat me verteld word dat ik zelf nog maar eens een lesje genade moet krijgen.
Ik zou weer in wanhoop bellen naar de mensen die zeggen dat ik hun altijd bellen kan, om er daarna achter te komen dat ze bewust niet oppakken omdat ze geen zin meer hebben te luisteren naar mijn ‘leugens.’
Ik zou naar het ziekenhuis gaan om mijn verwondingen vast te laten leggen.
Ik zou weer aangifte doen van poging tot moord, ondanks dat me dat wordt afgeraden ‘want wie weet wat hij uit woede nu gaat doen’
Ik zou weer naar de politie gaan, net zoals ik dat destijds gedaan heb.
Ondanks dat de recherche me waarschuwde met de woorden: ‘dit is een zeer geslepen man, kijk dus goed uit, want u zult waarschijnlijk alles kwijt raken.’
Ik zou weer aandringen op aanhouding, ondanks dat me inmiddels verweten wordt zo langzamerhand een rancuneus op wraak zinnende ex-vrouw te zijn.
Ik zou weer de computer vol kinderporno naar de politie brengen, om daarna afgewimpeld te worden met dat ik het er net zo goed zelf op gezet kan hebben.
Ik zou het er weer allemaal voor over hebben, net zoals zijn eerste vrouw aangifte deed van seksueel misbruik van haar kinderen, net zoals zij naar haar kerk ging met de bewijzen van allerlei viezigheid op haar computer, en net als ik vele jaren later, door kerk, school, recherche en maatschappij buiten gesloten werd.

4 jaar geleden verruilde ik de gevangenis van een huwelijk vol seksueel, lichamelijk en emotioneel geweld voor de gevangenis van de WSNP.
4 jaar lang ben ik vernederd en als een onbenul behandeld, 4 jaar lang heb ik me voor iedere cent die ik uitgeef moeten verantwoorden, 4 jaar lang heb ik mijn hand op moeten houden voor de gunst van kerk en maatschappij, 4 jaar lang werd me bij klagen over dit onrecht de mond gesnoerd met: ‘u moet niet zo in de slachtofferrol blijven hangen.’
4 jaar lang ben ik verantwoordelijk gehouden en bestraft voor een schuld die de mijne niet is.
4 jaar lang ben heb ik gehoopt op een beetje waardering voor de moed die ik heb gehad het op te nemen tegen een narcist en pedofiel.
Ondanks het verschrikkelijke idee dat deze man nog gewoon voor de klas staat en anderen vinden dat ik het achter me laten moet, kon ik niet slapen van de wetenschap dat deze man nog steeds de hand boven het hoofd wordt gehouden en ongestoord op zijn jachtterrein aan het werk is.
Ondanks dat ik nu wel weet hoe zwaar het is, dat ik alles kwijt geraakt ben, dat ik compleet alleen ben komen te staan, ik zou het allemaal precies zo doen.
Ik zou dezelfde verantwoordelijkheid voelen de maatschappij tegen een pedofiel te moeten beschermen.
Ik zou dezelfde woede voelen bij de gedachte dat hij nog weer de kans zou krijgen met zijn poten aan kinderen te zitten, en ik zou er alles voor over hebben dat te voorkomen.

Tot nu toe…
Ik ben op het punt gekomen dat ik zou zwijgen en alleen nog voor mijn eigen hachje zou gaan.
Ik zou nu mijn mond houden.
Ik zou nu eerder liegen.
Ik zou nu niet meer met mijn nood naar de kerk gaan.
Ik zou nu niet meer naar school gaan om te vragen waarom ze geen aangifte doen.
Ik zou nu niet meer naar de politie gaan om zelf aangifte te doen.
Ik zou nu niet meer aan de ouders van van zijn slachtoffertjes vragen asjeblieft alsnog aangifte te doen.
Ik zou de vaders en moeders nu niet meer smeken asjeblieft voor hun eigen dochter op te komen.
Ik zou nu al deze mensen niet meer zeggen medeverantwoordelijk te zijn voor de volgende slachtoffertjes.
Ik zou nog vandaag de computer vanaf een hoge brug in het Amsterdam Rijnkanaal gooien.

Het interesseert namelijk niemand iets van wie ik vind dat ze de plicht hebben de maatschappij te beschermen tegen een zo gewetenloos iemand.
Het interesseert geen enkele ouder, zolang hun kinderen maar niet bij hem in de klas zitten.
Het interesseert geen enkele instantie, zolang men maar geld verdiend aan mijn nood en de baas kan spelen over mijn leven en ondertussen van bovenaf kunnen roepen dat het tijd wordt mijn eigen leven te gaan leven.
Het interesseert ze niet dat ik zeg dat juist zíj de oorzaak zijn van de gevangenis waarin ik nu leef, omdat toen ik hun hulp zo nodig had zij iedere deur voor mijn neus dicht smeten.

Ik had de verhalen van ervaringsdeskundigen eerst moeten gaan lezen en geloven.
Ik had me van tevoren moeten verdiepen in Victim-blaming en niet zo naïef moeten zijn te geloven dat dat mij niet overkomen zou.
Sterker nog, ik heb niets van eigen eerdere ervaringen geleerd waarin de maatschappij meer compassie met de dader dan met het slachtoffer had.

Ik zou nu iedere vrouw in dezelfde positie aanraden te leren van mijn en andere van dit soort verhalen.
Ik zou haar aanraden niet naar de politie te gaan, en al helemaal niet naar de kerk.
Ik zou hen waarschuwen voor victim-blaming en de Just-world bias die volgens onderzoek vooral onder religieuze mensen plaats vindt.
Ik zou iedere vrouw aanraden te zwijgen en van niemand hulp te verwachten.
Ik zou haar aanraden zoveel mogelijk in het geheim haar vertrek voor te bereiden en te pakken wat ze pakken kan.
Ik zou haar aanraden net te doen alsof wat je gezien hebt, niet bestaat en je van de domme te houden.
Ik zou haar aanraden alleen aan haarzelf te denken.
Het overgrote deel van de mensen om je heen heeft nl. geen belang bij je verhaal.
Men verwijt het je zelfs dat je zo dom was met een man als deze te trouwen.
Er wordt je gevraagd of je al eens nagedacht hebt of je het niet allemaal aan jezelf te danken hebt.
Men verteld je haarfijn dat ieder immers verantwoordelijk is voor zijn eigen stomme fouten.

Hulp verwachten betekent dat je nog meer kwijt raakt.
Je raakt alles kwijt, alles!

Zo zou ik het nu ook doen.
Omdat er geen enkel belang mee gebaat is dat ik wel mijn mond open gedaan heb.
Omdat ik nog nooit een dankjewel van de maatschappij heb gehad, alleen maar van bovenaf met minachting en vernedering op vernedering behandelt wordt.
Omdat ik nog jaren en jaren zelf de rekening gepresenteerd krijg van het falen van kerk, overheid, en maatschappij.

Ik gun dat niemand, dus doe alsof je gek bent, en ga er stilletjes vandoor.
Vertrek desnoods naar de Noorderzon of een plek ver weg waar niemand je kent.
Neem een andere identiteit aan en doe vooraf wat men je eenmaal op de bodem van de put aanbeland aan raden zal: ‘Laat het achter je!’
Speel het spel gewoon mee, dat is beter voor jezelf.
Het is beter te stikken in je verhaal dan door dezelfde maatschappij waarvoor je de plicht voelt die te beschermen tegen een narcist en pedofiel, buiten gesloten te worden.

Gekocht en betaald

Piano Concerte no.21 in C Major

Mijn Heer is dood.
Ze hebben Hem gekruisigd en daarna hebben we hem in het graf gelegd.
Dat is nu 3 dagen geleden.
Alles is voor niets geweest, het is één groot zwart gat.
Net zo zwart als het gat waar ik nu in kijk, het open graf.
Vanmorgen ben ik naar deze tuin gegaan om bij Hem te zijn, ik wilde Zijn dode lichaam aanraken, koesteren en balsemen.
In mijn radeloosheid en wanhoop was ik vergeten dat een grote steen het graf ontoegankelijk maakte, een steen die ik onmogelijk zelf weg kon rollen.
Maar nu is het graf open, de steen is weg gerold, en ik kan zomaar naar binnen.

Het gat is donker en laag, ik moet me bukken om in het graf te kunnen komen.
Mijn spieren doen zeer van dat bukken, en mijn ogen moeten eerst nog even wennen aan de duisternis van deze kille ruimte.
Onwillekeurig gaan de rillingen me over de rug, dit is een ruimte waar ik helemaal niet wil zijn!

Een stem in mijn binnenste, een lieflijk geluid uit een ver verleden lijkt het wel, herinnert me aan Leven en nooit meer dood.
Hoe kan het dan dat ik hier in het hol van de dood ben en geen hoop op leven meer heb?
Geen hoop in het heden, geen hoop voor toekomst…

Ik verbaas me ook helemaal niet over de engel in het graf.
Niets is meer ongewoon, mijn ratio is toch al van slag, dus dit kan er ook nog wel bij.
De engel zegt iets tegen me;
“Wat kom je hier doen, dit is echt een verkeerde plek voor je.
Kom, draai je om,richt je op, want je zoekt het te laag.”

Mijn stijve spieren uitrekkend kruip ik uit de opening van het graf, toch nog even achterom kijkend in het donkere gat.
“Nee, je zoekt het te laag” zegt de engel weer.

Het volle licht van het ochtendgloren doet haast zeer aan mijn ogen, zo heb ik mijn best gedaan in de duisternis van het graf te turen.
De morgenzon koestert me en mijn lijf begint zich te ontspannen.
Het is vreemd, en ik voel me er bijna schuldig over, maar ik geniet van dit moment.
Ik glimlach voorzichtig naar de zon, toch nog een beetje bang dat ik, nu ik zo verdrietig ben ook niet een beetje blij mag zijn.

Een vreemde sensatie maakt zich daarom meester van mij.
Verdorie, ik heb toch recht op die pijn?
Ik ga toch maar weer even kijken in het graf…
Bukkend draai ik me weer om, maar word tegen gehouden door de engel.
“Je zoekt te laag”
Nu doet weer alles zeer van het bukken naar de donkerte van het graf…
“Maar…ik mag toch zeer hebben?
Het is toch verschrikkelijk wat er gebeurt is?
Weet je wel hoe ik me voel vanbinnen?
Je moest eens weten wat deze gebeurtenis met me gedaan heeft!”
Ik schreeuw mijn gepijnigde ziel eruit naar de engel.
Het enige wat hij zegt is;
“Je zoekt te laag”

Wat moet ik nu doen?
Alle onrecht me aangedaan komt naar boven.
De gezichten erbij verscheuren me als wolven die vechten om mijn toch al dode botten.
Alle slagen me door zelfs door geliefden toe bedacht, het schrijnt mijn ziel.
De wonden rijten weer open en ik heb geen pleisters genoeg om ze te bedekken.
Steeds wanneer ik denk dat het nu toch wel eens voorbij is met die pijn, gebeurt er wat, en bloedt het weer uit één of meerdere wonden.
De kras op mijn ziel is alsof er een kras in mijn grammofoonplaat zit, waardoor het maar niet lukt te genieten van Mozart’s prachtige eenentwintigste Pianoconcert in C Major.
Ik wil het wel, en weet dat het zou moeten, maar…
In mijn frustratie begin ik aan de korsten op mijn armen te krabben…

“Je zoekt te laag” klinkt het weer…

Plotseling, alsof het licht aan gaat, besef ik dat ik bloed omdat ik zelf zit te krabben.
Ik heb een wond die al bijna geheeld was zelf geopend toen ik me bukte in het graf.

“Inderdaad” zegt de engel, “je zoekt te laag”.
In het zonnetje richt ik me weer op en ervaar een weldaad aan licht en warmte.

Vanachter een bloeiende rozenstruik komt me een bijzonder aantrekkelijke man tegemoet.
Is hij hier zomaar of…
Ja, hij is hier voor mij!
Hij zocht mij!
Hij nodigt me naast hem te komen zitten op één van de bankjes onder de met blauwe druif en clematis begroeide poortjes en pagoden.
De geur van de witte rozenstruiken betovert me haast, terwijl de Annabellen naar me wuiven zoals alleen Koningin Wilhelmina dat kon doen.
Vlinders in de meest prachtige kleuren vliegen af en aan terwijl de zoemende bijen duikvluchten uitvoeren in de kelken van roze en rode tulpen.
Een merel zingt het hoogste lied in verrukking over het net uit het ei gekropen jong.
Boven in de cipressen dartelen witte duifjes koerend van plezier terwijl hoog in de lucht een adelaar zijn vleugels spreidt en gedragen door de wind zijn majesteit toont.

Ik kijk verlegen opzij en bemerk dat de man die me hier bracht ook naar mij kijkt.
Zijn ogen lopen over van erbarmen en mededogen.
Hij noemt mijn naam…
“ Tiny…”
En dan, in die stem zie ik het…It is Him!
Hij, die ik zocht in het graf.
Hij was daar niet, ik keek inderdaad te laag.
Jezus is hier, in het volle licht en zet mij ook in het licht.
Ik, die in het donker zocht naar erkenning vind hier in het licht erkenning in de Ene.
Ik, die me bukte in het graf om mijn recht te halen in wat dood brengt, word door Hem recht gedaan in zijn blik van ontferming.

Maar…mijn nagels tasten naar een korst op mijn voeten.
Wanneer ik me buk om te krabben, houdt hij me liefdevol tegen.
“Mag ik je wat vragen Tiny?”
“Nou ja, vooruit dan “ stamel,ik bedremmeld.
Geloofde je me toen ik riep “Het is volbracht?”
“Ja, natuurlijk, Heer U weet toch dat ik dat geloof?”
“ Dan mag je alle pijn je aangedaan aan mij geven”
“ Maar Heer…”
1000 redenen heb ik dat niet te doen, 10.000 zelfs!
Met tranen in zijn ogen zegt hij
“ Al had je maar één reden lieveling, dan nog wil ik dat je mij je kras op je ziel geeft.
Hij is namelijk niet van jou deze kras.
Hij is van mij, ik heb er voor betaald, dus is hij van mij!”

Alles in mij komt in opstand, het is mijn, mijn,mijn!

“Je houdt iets vast wat  niet van jou is maar van mij.
Ik heb er recht op want ik heb de rekening betaald mijn duifje”

Zijn ogen vol tranend erbarmen dwingen me tegelijkertijd de waarheid van zijn woorden te erkennen…
Ik wil niet afgeven wat hij in het warenhuis van mijn verleden voor mijn neus heeft weg gekaapt.
Krampachtig houd ik vast waarvoor hij de rekening heeft betaald.

Ik geef me over en leg alles in zijn doorboorde handen.
Het is waar, ik heb geen recht op iets wat ik niet betalen kan.
Het brengt me in de schuld, terwijl hij allang betaald heeft.
Ik zie het bewijs in zijn open handen.
Dankbaar pakt hij het aan, alsof het het meest kostbare cadeau is wat hij ooit ontvangen heeft.

Verlegen bedenk ik me dat het de omgekeerde wereld is.
Een cadeau?
Het is helemaal geen cadeau!
Hij heeft zelf de rekening betaald, dus is het rechtens van hem!
Hij kust me liefdevol en zegt me dat hij nog nooit zo blij is geweest, waarna hij zijn schat in een kluis legt.
De kluis wordt bewaakt door 2 engelen met een vlammend zwaard.
Ik kan er dus nooit meer bij!

Sjonge, wat voel ik me plotseling licht!
” Je was een beetje dom” grinnikt hij.
“Je verleden, je heden en je toekomst zijn van mij, mijn duifje”
Schaterend gooi ik me in zijn armen, en bemerk dat alle spierpijn van het eindeloos bukken verdwenen is.
Mijn littekens zijn geheeld  en in plaatst daarvan zie ik diamantjes schitteren waarin het licht van zijn lieve ogen weerkaatst.
Ik ben vrij.

“Zullen we nu samen naar het eenentwintigste Piano Concerte van Wolfgang Amadeus Mozart luisteren ?” vraagt hij.
“In C Major?”
Ja, dat gaan we doen!
Samen zwijmelen.
Lekker hoor,
Mmm