Verkering

Vandaag beluisterde ik een gesprek van een moeder en haar dochter.

De dochter, laten we haar in dit verhaal Eva noemen, heeft lange tijd niet veel willen weten van het andere geslacht, en al helemaal niet aan een relatie daarmee.
Het was onvoorstelbaar, totdat Gerald ten tonele verscheen waarna de wereld van Eva alleen nog maar uit één naam bestaat: Gerald!
Alle daarvóór bedachte plannen zijn op de tweede plek komen te staan omdat Eva’s gedachten enkel en alleen nog maar rond Gerald draaien.
Het heeft Eva in een zoete zuurstokrozekleurige staat van volkomen verstandsverbijstering gebracht.
Kortom Eva is verliefd.
Iedere gelegenheid wordt aangegrepen om samen te zijn wat, doordat het verliefde stel nogal ver uit elkaar woont niet eenvoudig is.
De gesprekken via Whatsapp beeldtelefoon duren daarom vaak tot in het ochtendgloren van een nieuwe dag.

Eva vertelde dat ze gisteravond op de kinderen van hun buren pastte en al uren watertandend droomde over een lekkere Pizza.
Op een gegeven moment belde Gerald en vroeg haar waar ze zin in had: ‘een pizza natuurlijk,’ flaptte Eva eruit.
Tien minuten later: “tring tring” en ja hoor, de pizza koerier stond aan de deur met een door Gerald voor zijn meisje bestelde pizza.

Bij het luisteren naar dit kostelijke relaas begon als vanzelf mijn denkbeeldige pen een verhaal te schrijven.

Het gesprek tussen Eva en haar moeder werd ondertussen nog leuker, waardoor de schrijverspen van mijn eigen fantasie nog meer geïnspireerd werd

Eva zei dat ze vandaag waarschijnlijk nog wel met Gerald, haar vriendje, zou beeld-bellen, waarop haar moeder zei; ‘dan ben je toch nog even bij elkaar’
Hahaha, je had de uitdrukking op het gezicht van Eva moeten zien!
Het sprak boekdelen, waarvan bladzijde na bladzijde een dikke pen het papier zowat doorkliefde, zo venijnig waren de letters op het papier gekwakt.

Het was voor Eva overduidelijk, moeder begreep er totaal niets van!
‘Nou, dat is toch echt niet hetzelfde als in het echt bij hem zijn hoor’ bracht ze diep verontwaardigd uit.

Geweldig!
Hoe lijkt het verhaal van een verliefd stelletje dat van alles bedenkt om maar bij elkaar te zijn, op dat waar Vader God zo naar verlangt; omgang met mensen.
Het verhaal over de God van hemel en aarde die blij wordt van grote dromen dromen, omdat zijn eigen droom voor ons elke fantasie te boven gaat.
Het verhaal over zijn zoon, Jezus
die net zoals het vriendje van Eva, elke gelegenheid aangrijpt om te laten merken hoe hij van zondaren houdt.
Kortom, God zoekt een meisje voor zijn Zoon.
Verkering met een meisje dat zich koesteren wil in Zijn liefde.
Een meisje om Zijn naam aan te verbinden, waarvoor zonder dat ze zelf een bruidschat in hoeft te brengen, de schatkamers van de hemel al lang tevoren wijd open zijn gezet.
Een meisje dat zich niet schaamt bij Hem te horen maar overal trots haar vriendje voorsteld; ‘Kijk, dit is Hem, mijn Jezus!’
Een meisje dat koste wat het kost dicht bij Hem wil zijn en zich door niets en niemand daarvan weerhouden laat.
Een meisje dat geen genoegen neemt met verhalen óver Hem, maar haar eigen verhaal mét Hem beleven wil.

Zo’n verkering wil toch iedereen?
Pas met Hem aan je zij loop je echt met je hoofd in de wolken.
Ik denk dat Hij daarom die wolken gemaakt heeft…

Feest op de ingestorte muren.

Vanaf dat ik over Jezus hoorde ben ik hem stilletjes gevolgd en zag ik hoe hij blinden de ogen opende, melaatsen de handen oplegde, ja zelf doden opwekte.
Na de opwekking van Lazarus gonsde het door heel het land Israel, en ver daarbuiten, maar bovenal in mij.
Ik voel me ook zo dood, zo levenloos.
Als in een donkere kerker opgesloten, zo zwart en donker is het in mijn ziel.
Oh, hoe dikwijls heb ik mij al afgevraagd of dat wat zo dor en dood is in mij ook door Jezus levend gemaakt zou kunnen worden?

Schuld en schaamte hangen als dikke wolken boven mijn leven en beletten mij me te koesteren in de warmte van de zon.
De muren om mijn hart, bedoeld om me te beschermen tegen inkijk, belemmeren vooral mijn eigen zicht.
De plek waar eens het water van de doop werd gesprengd, schrijnt als is met een gloeiend hangijzer
het stempel ‘waardeloos’ in mijn voorhoofd gebrand.
Mijn schuld is te groot, ik heb het allang verknald bij God!

En toch, waarom volgde ik die Jezus dan?
Niet openlijk maar heimelijk en steeds op veilige afstand was ik meestal daar waar hij ook was.
Wat is het in die man wat me zo aantrekt?

Ach, het heeft ook geen zin meer me dat af te vragen, hij is buiten de stad gekruisigd.
Als het gebod van Mozes om datgene wat het lichaam vervuilt buiten het kamp te begraven, zo hangt Jezus als oud vuil buiten de muren van de heilige stad ten toon.
Zijn gehavend en kapot geslagen lichaam is als een bloedend en met schuld beladen lam door de Hogepriester de poort uitgejaagd.
Boven zijn hoofd hangt een bordje; ‘Koning der Joden’ maar in zijn aanblik is werkelijk niets waardigs te ontdekken.
Waar de dorens van de door de soldaten gevlochten kroon zijn schedel priemden, plakken nu vieze en donkere korsten.
Zijn botten, blootgelegd door de geseling, geven me rillingen van afschuw en afgrijzen.
Hij oogt als een van de hele aarde bij elkaar geveegde berg stinkend vuil, dat wanneer het niet bijeen werd gehouden door dikke in het hout getimmerde spijkers, uit elkaar zou vallen.
Het zou als een leeg geschudde vuilniszak de heuvel Golgotha vervuilen, waarna de rondcirkelende roofvogels zich tegoed konden doen aan zijn vlees.

Ontgoocheling en wanhoop maken de muren om mijn hart nog dikker en ontoegangkelijker.
Als een nachtkaars dooft ook het laatste sprankje hoop op een beetje liefde.
Niemand kan mij nog redden uit deze moedeloosheid die als een verstikkende deken het leven uit mij perst.

Net wanneer ik dit schouwspel op Golgotha de rug toedraaien wil klinkt vanaf het kruis een krachtige roep; ‘het is volbracht’
Als aan de grond genageld blijf ik staan, dit is niet de stem van een gebroken man!
Vol van majesteit en macht is het alsof iemand adem blaast in een luid schallende bazuin, waarop de hemel zich met donderend geraas opent.
In ontzag voor zijn Schepper breekt ook de aarde open en geeft het zijn doden levend weer aan de stervende Jezus.
Zijn hoofd buigend blaast hij zijn geest terug naar God, en vindt zijn eens vrijwillig verlaten Thuis terug aan het warm kloppend Vaderhart.

Opkijkend naar de kapot geslagen man aan het kruis val ik op mijn knieien, en kan niet anders meer dan deze Jezus aanbidden.
Is dit wat Mozes bedoelde toen hij zijn volk smeekte hun ogen op de slang op de opgeheven stok te houden, zodat de in het stof bijtende slangen krachteloos werden?

Zijn gebroken blik kruist de mijne, en doen de muren rond mijn hart ineen storten als de muren rond Jericho.
Wat kan ik hem anders nog bieden dan mijn tranen?
Zoals het volk Israel de schatten uit de gevallen stad in de tabernakel van God bracht, zo geef ik hem mijn pijn, mijn schuld en mijn schaamte en bied het hem vol ontzag aan.

De eerder blinde ogen van mijn hart zien de hemel geopend waar engelen juichend feest vieren om mij, een zondaar die zich bekeerde.
Als de meest kostbare schatten wordt al mijn vuil in ontvangst genomen, waarna ik me lichter dan ooit opgenomen weet in een zee van liefde en zuiver licht.

Vrij gesproken van elke schuld ren ik jubelend en juichend de heuvel Golgotha af om binnen de muren van de open stad Jeruzalem de tafel te dekken voor het Pesachmaal.
Het aloude feest van een geslacht lam en ongezuurd brood.
Grinnikend neem ik me voor er voortaan een fles rode wijn bij te drinken;
proostend op het nieuwe Leven…

Dood aan die ‘koning’

‘Kruisig hem, kruisig hem,’ schreeuw ik uit volle borst mee met de menigte.
Mijn eigen stem is de stem van de honderden mensen rondom mij, als komt die schreeuw uit één keel.
Woedend ben ik, zo verschrikkelijk teleurgesteld en ontgoocheld.
Daar staat hij, die bedrieger,die oproerkraaier, die…die Jezus…
Pilatus, de Romeinse Stadhouder zal recht spreken!
Hij moet de doodstraf krijgen, niks minder!
Al zou ik hier alleen staan dan nog zou ik schreeuwen; ‘kruisig hem, kruisig hem!’

Bah, wat heb ik me beet laten nemen door die timmerman uit Nazareth.
Nog niet zo lang geleden liet hij zich, als een pas gekroond vorst op de rug van een ezelin de stad binnen rijden.
Uit volle borst jubelde ik mee; ‘Hosanna, hosanna, hij die komt in de naam des Heren!’
Even vlamde in mij de hoop, dat de God van onze voorvaderen Abraham, Isaak en Jacob eindelijk korte metten zou maken met onze vijand, en ons als heilige natie herstellen zou.
Voor een moment dacht ik nog; ‘Hij is het, de beloofde Messias, die ons verlossen zal van de onderdrukker, en ons weer heer en meester van ons eigen koninkrijk maken zal.’
Opgewonden zwaaide ik met palmtakken, en hoopte maar dat hij goed kon zien hoe ik me voor hem uitsloofde, en het míjn met goud doorstikte mantel was waarover hij Jeruzalem binnen reed.
Nu heb ik de mantel buiten de stad gegooid, zodat niets me nog kan herinneren aan mijn hopeloze dwaasheid te geloven in deze “redder”
Hij moet dood, en vooral worden vergeten!
Hij die zich vergelijkt met onze heilige Tempel, door te zeggen dat die net als hij afgebroken en in drie dagen weer herbouwd zal zijn, hij moet voor altijd uitgewist worden.

Deze godslasteraar heeft niet anders dan schuld op schuld op zich geladen, en daar staat de doodstraf op!

Gelukkig, Pilatus heeft naar het volk geluisterd, er is recht geschied, Jezus van Nazareth hangt aan het kruis.
Buiten de muren van Jeruzalem natuurlijk, zodat onze heilige stad niet verontreinigd wordt.
Alsof het mijn persoonlijke overwinning is, míjn wraak voor zijn bedriegerij, zo triomfantelijk voel ik mij wanneer ik naar hem kijk.
Eigenlijk wil ik hem helemaal niet zien, zo afzichtelijk is hij.
Alsof ik een mug, die zich net heeft volgezogen met mijn bloed, plat gemept heb, zo vies is zijn aanblik.
Ik walg van hem, ik gruw van zijn afschuwelijk lichaam.
Bah, bah…
Daar hangt geen mens, daar hangt iets zwarts, iets vreselijk zondigs.
Verstoten door de aarde, niet gewenst in de hemel!
Af en toe roept hij wat, naar Elia, onze vroegere profeet bv.
Alsof die hem helpen kan!
Laat hij zichzelf redden…
Hij had toch zoveel kunstjes?

Plotseling wordt het donker, midden op de dag.
Een duisternis die als vanuit een enorme boosheid en afschuw de aarde bedekt.
Alsof een macht groter dan wie ook met zijn hand scheiding maakt tussen licht en duisternis om datgene, wat daar aan het vloekhout hangt, die bedrieger die zegt God te zijn, in het niets daartussen te laten verdwijnen.
Het te verwijderen en weg te doen uit ieders zicht.

Opeens lijkt het wel alsof in mijn binnenste zelf, mijn ik, een kaarsje aangestoken wordt, waarvan het vlammetje flakkerend een zacht licht laat schijnen op plekken waar omheen ik zelf dikke muren heb gebouwd.
Ik begin mij aarzelend af te vragen of dat kruis mij afschermd omdat ik anders zelf tot as verbrandt in het vuur van een alles verzengende woede?
Ja, ik begin te beseffen dat ik onder de last van mijn schuld vermorzeld zou worden…
Ik zou op de grens van het eeuwig licht en de altijd durende duisternis niet kunnen bestaan en verdrinken in een zee zouter dan de Dode Zee.
Dit weten verscheurt mij waardoor in mijn hart, op een plek die ik altijd verborgen heb gehouden, een andere stem begint te schreeuwen.
Bitter en rauw, vol wroeging, pijn en zelfhaat roept het; ‘Kruisig mij, kruisig mij!’
Maar eer mijn mond deze woorden uiten kan worden ze al gesmoord in een zee van oneindige liefde en mededogen.
Plotseling besef ik dat deze duisternis mijn schild is, mijn bescherming tegen het zelf openlijk te schande staan voor mijn torenhoge schuld, omdat het mijn zonde is die met een heilige hand aan dat hout is vast gespijkerd.
Het is míjn arrogante zelfrechtvaardiging, die als de doeken van een ongestelde vrouw ten toon gespreid wordt.
Míjn zondige ik hangt aan dat kruis, en toch sterft iemand anders in mijn plaats de eeuwige dood…

Terwijl de poorten van de hel zich sluiten achter Jezus van Nazareth ontstaat een nieuwe werkelijkheid en voor mijn ogen opent het naar boven wijzend kruis een deur naar een ruimte waar nooit het woord ‘schuld’ meer in de mond genomen wordt.

‘Kruisig hem, kruisig hem’ zodat niet ik, maar hij de schuld krijgt.
Ja, het is recht dat niet ik, maar hij bezwijkt!
Het is recht dat niet hij, maar ík leef!
Zó moet het zijn, hoor maar, hij roept:

‘Het is volbracht’

Kostbare Parel

Ik ben een parel.
Niet zomaar parel, ik ben een kóstbare parel.
Daarom lig ik op een bloedrood kussentje te pronken en heeft de koopman een zachtschijnend spotje boven me gehangen, waardoor mijn paarlemoeren glans nog meer opvalt.
Gefascineerd door mijn betoverende bolling draait en danst de regenboog rondjes in mijn melkwitte spiegeling.
Ieder die binnenkomt wordt meteen als een magneet naar me toegetrokken om zich te verwonderen over mijn zuivere schoonheid.
De koopman glimt van trots over mij, en aan ieder die het horen wil roemt hij de perfectie van mijn vorm en glans.

Eer ik door hem gekocht en betaald ben, was ik diep ongelukkig, en zwierf van de een naar de ander.
Lang geleden reeg men mij nog aan een ketting maar belandde ik toch weer in sieradenlaatje van vergetelheid.
De draad waaraan ik gedragen werd sleet, waardoor bij de minste aanraking de ketting brak en ik kletterend over de grond rolde.
Niet genoeg op waarde geschat lag ik jarenlang in een hoekje van de kamer ongezien te verstoffen en ging me steeds waardelozer voelen.
Ik was waarschijnlijk niet de moeite waard opgeraapt te worden.
Mijn glans werd doffer en doffer, waardoor ik zelfs vergat dat ik eens, binnen in de bescherming van de schelp van de oester perfect gevormd ben.
Bij een verhuizing merkte men mij weer op en kreeg ik voorzichtig hoop, maar ik werd in een bak temidden van allerlei andere kralen en prullaria bij de kringloopwinkel gedeponeerd.

Af en toe graaide er een hand door de bak maar niemand nam mij mee.
Ik begon te denken dat ik er niet meer toe deed, waardoor ik bijna mijn droom opgaf met mijn glans iemand te mogen betoveren en veroveren.
Bijna…
Want diep vanbinnen bleef mijn vlammetje als een rokend vlaswiekje smeulen, verlangend gezien, opgeraapt en gekoesterd te worden.
De andere kralen botsten tegen me aan, en lachten me uit wanneer ik voorzichtig mijn hoop uitsprak.
Ze verweten me hoogmoed en arrogantie waardoor ik me voortaan maar stil hield.
Totdat…

Op een dag gleed er weer een hand door de bak met kralen, en ik voelde meteen dat deze hand anders was.
Het was geen graaiende hand maar de hand van een koopman die al lange tijd hoopte te vinden wat verloren was.
Speurend als naar een schat bewogen de vingers zich tussen de oude afgedankte kralen.
Ik voelde in de koopman een zelfde verlangen en verwachting als in mijn eigen flakkerend vlammetje en hoopte zo op een aanraking, al was het maar voor één keer, alleen deze dag.
Teder om niet te breken naar waar hij op zoek was ging zijn hand van kraal tot kraal.
Opeens hoorde ik een kreet van verrukking en eer ik het goed en wel beseftte lag ik in de palm van deze speurende hand.
De vingers streelden het stof en vuil van mij af, en ik zag hoe de ogen van de koopman glommen van blijdschap en ontroering.
Zonder zich ervoor te schamen ving hij in zijn handen de over zijn wangen biggelende zoetgeurende tranen, waardoor ik als in een bad vol hemels schuim in het kommetje van zijn hand schoongewassen werd.
Hij bracht me naar zijn kussende mond en fluisterend beloofde hij me te kopen, wat het hem ook kosten zou.
Bij de kassa bleek de prijs torenhoog, maar vol vreugde leverde de koopman zijn verzameling andere parels in om mij te kunnen kopen.

Veilig opgeborgen in de palm van zijn handen deed hij joelend en juichend een vreugdedans, ‘je was verloren en ik heb je gevonden,’ zo blij was de koopman met mij!
In zijn prachtig paleis werd ik op het fluwelen kussentje gelegd, en zong hij me toe dat hij dit allang van te voren speciaal voor mij gemaakt had.

Om niet te vergeten hoe kostbaar ik ben neemt hij me iedere dag een paar keer in de palm van zijn zachte handen, net zoals die keer in de Kringloopwinkel.
‘Jij bent mijn kostbare parel’ fluistert hij me dan toe, ‘ ik hou zo van je zachte paarlemoeren glans.’

Grappig hè,
ik heb nou juist het idee dat het zijn weerschijn is waardoor ik mooier dan ooit tevoren glans…

(Opgedragen aan Pauline)

Veiligheid binnen de omheining van de gemeente.

Deze week las ik een aantal artikelen rond de moord op een moeder van kinderen in Mijdrecht.
Twee dingen vielen me vooral op:
0. De burgermeester zegt al bij voorbaat dat er geen fouten gemaakt zijn…
Huh?
Terwijl hij zich haast om zijn handen in onschuld te wassen, ligt een door haar ex vermoorde vrouw en moeder van kinderen aan zijn voeten, en op zijn bureau ligt een dik dossier van door dezelfde vrouw gedane aangiftes van stalking en bedreiging…

0. De kerk opent een avond de deuren voor troost.
Dat is natuurlijk prachtig, een open kerk.
Alle deuren wijd open…
Maar bij mij borrelen er dan tevens allerlei vragen.
Één avond maar?
De kerk hoort toch altijd open te zijn?
En waar was de kerk vóór de moord?

Ook één dezer dagen hoorde ik op een kerkelijke bijeenkomst tevens de term “hulp bij vechtscheidingen” voorbij komen.
Daarmee wordt bedoelt:’ het bij kinderen zoveel mogelijk schade zien te voorkomen, temidden van de elkaar de tent uitvechtende ouders/ ex-partners’
Niet alleen in het kader van de moord in Mijdrecht, maar niet in het minst persoonlijk, raakt deze bewoording mij erg.
Het plakkertje ‘vechtscheiding’ onderstreept de heersende mening:
‘twee kijven, twee schuld’, waarom het in de hulpverlening direct al mis gaat, zowel van professionele kant als aan de zijde van de naaste omgeving van beide partners.

In haast alle gevallen zal vooral één van de partijen blij zijn met deze onjuiste constatering, waarbij de andere partij voornamelijk onnoemelijk te lijden heeft van dit oordeel.
De suggestie twee kijven, twee schuld is nou juist bij ‘vechtscheidingen’ funest, en zal de situatie alleen maar verergeren.
De vechtende ouders vechten wel allebei, maar ieder op een heel ander niveau en daarom ook met ieder een ander doel.

(Om het wat gemakkelijker begrijpbaar te maken noem ik het vervolgens ‘de man’ en ‘de vrouw of moeder’
Het zal omgekeerd alhoewel minder vaak, ook plaats vinden)

De man zal in een ‘vechtscheiding’ nietsontziend geen poging onbenut laten de ex-partner, de vrouw en vaak moeder van zijn kinderen te ruïneren, terwijl deze moeder alles in het werk probeert te stellen een veilig heenkomen voor haar en haar kinderen te vinden.
Dat is ook haar plicht, omdat ze na jaren binnenshuis terreur niet meer anders kan dan vluchten, al was het alleen al om de kinderen in veiligheid te brengen.
In plaats dat deze moeder hulp krijgt, wordt wat ze eindelijk durft vertellen meestal niet gelooft, waardoor ze steeds radelozer op allerlei deuren bonst.

De man zal zijn spel van buitenshuis charmeur voort zetten, en iedereen om de tuin leiden.
Hij windt de hele omgeving om de vingers en zal de buitenwereld vertellen wat een hysterica zijn ex-vrouw is.
Omdat de radeloze moeder steeds harder gaat schreeuwen, komt deze ‘voorspelling’ uit en begint de omgeving de moeder te mijden en de rug toe te draaien.
Met maar één winnaar, de ten oorlog getrokken ex-man, die door de omgeving de hand boven het hoofd wordt gehouden, en daardoor onbewust hulp krijgt van degene die de vrouw en kinderen zouden moeten beschermen.
Het gevolg is dat de omgeving, betrokken in het meedogenloze spel van deze man, mede verantwoordelijk wordt voor de ‘vechtscheiding’ en het ruïneren van de wanhopige moeder.
Terwijl de radeloze vrouw en moeder recht heeft op bescherming, keert men zich tegen haar, en sluiten de deuren, ogen, oren en harten zich op haar hulpgeroep.

Dat dit ook in de kerk kan gebeuren is het meest schokkend.
De reden waarom het daar gebeurt is de, naar mijn mening, ontstane cultuur van niet mogen oordelen.
Oordelen is onder gelovigen welhaast de grootste zonde geworden, waardoor juist in deze omgeving een rover zo welkom geheten zal worden.
Terwijl we in de kerk leren dat Satan rond gaat als een briesende leeuw, onderkennen we niet dat dezelfde Satan daar mensen voor gebruikt, en dan vooral op het grondgebied van zijn vijand, Jezus.
Omdat we eenzijdig leren liefde te moeten betonen is de in schaapskleren vermomde wolf in onze schaapskudde een meer dan welkom gast, waardoor een ontwrichting zoals in een ‘vechtscheiding’ beschreven ook in de kerk niet onderkend wordt.

Zelf onderdeel van zo’n ‘vechtscheiding’ heb ik in en door mijn toenmalige kerk het grootste trauma van deze situatie opgedaan.
Niet mogen oordelen veroordeelt wanhopige ex-partners tot isolatie en in sommige gevallen tot de dood door (zelf)moord.
Daarom houd ik mijn hart vast wanneer ik in de kerk het woord ‘vechtscheiding’ en de daarachter gelegen motivatie hoor.
Ik huil om de vrouwen en moeders van kinderen die de moed hebben te ontsnappen aan de terreur van de voor de buitenwereld vaak oh zo charmante ex-partner, waarop hen door de omgeving oordeel en buitensluiting te wachten staat.
Ik zal daarom waar het kan mijn stem laten horen in de hoop dat men de ogen opent voor wat er werkelijk speelt in een ‘vechtscheiding’
Niet alleen in de samenleving op zich, maar vooral in de kerk, dé plek waar we het meest waakzaam moeten zijn voor de rover, en deze buiten moeten sluiten.
Dé plek waar een radeloze vrouw en moeder asiel verdient binnen de omheining van de schaapskooi van Jezus.

Overal WiFi

Gisteren was het prachtig weer, waarom ik besloot eens een mooi rondje te gaan fietsen.
Het display van mijn e-bike gaf nog een behoorlijk aantal te fietsen kilometers aan, vandaar ik me geen zorgen maakte over een lege accu.
De batterij van mijn smartphone zat niet meer helemaal vol, maar met minder dan een kwart verbruikt was dat ook geen reden om thuis te blijven.
Met mijn Bluetooth microfoontjes in de oren genoot ik al fietsend van een preekje op YouTube.

Omdat ik toch wat meer kilometers fietste dan van te voren gepland, was op een gegeven moment de accu van mijn fiets eerder dan voorzien bijna leeg.
Ik begon me zorgen te maken, omdat wanneer het duwtje in de rug ermee stopt, het net lijkt of je fietst met één voet op de rem.
En ja hoor, zes kilometer vóór huis gaf het display nul aan.
Mijn smartphone had al eerder gewaarschuwd nog maar vijf procent acculading te hebben, waardoor ik YouTube al had uitgedaan
Ik hoorde de pingeltjes van appjes en sms’jes, geluidjes die me gewoonlijk hartstikke nieuwsgierig maken voor wie me op dat moment waarschijnlijk heel hard nodig heeft belangrijk nieuws mee te delen.
Maar het rode streepje gaf aan dat ieder moment de verbinding kon verbreken, dus zat er niet anders op dan me, suf tegen mezelf in trappend, te onthouden van elk contact.

Ik bedacht me dat ik toch eigenlijk maar in een gekke wereld leef.
Vóór ik op pad ga, moet ik voorzorgsmaatregelen treffen om te zorgen dat de batterij van fiets, telefoon en Bluetooth oortjes vol zit, want wat geeft het onrust wanneer het sein ‘bijna leeg’ gegeven wordt.
In ieder geval is het handig altijd oplaadkabels bij me te hebben, zodat ik bij iedere stop niet eerst het toilet aandoe maar vooral koortsachtig op zoek ga naar het stopcontact, zodat ik straks met een gerust hart, de streepjes op groen, weer op weg kan.

Van elk elektrisch meewindje verstoken, en een voortdurend tringelend Whatsapp, bedacht ik me dat verbinding met de hemel precies zo werkt.
De zin in ‘het onze Vader; zoals in de hemel zo ook op de aarde’ werkt alleen wanneer ik me daadwerkelijk verbind met degene die zelf voortdurend zoekt naar verbinding; Jezus.
Ik mag mijn oplaadkabels gewoon altijd in zijn stopcontact laten zitten.
Doordat zijn Bluetooth en WiFi storingvrij is, ben ik overal automatisch en kosteloos ingelogd en hoef me daarom nooit alleen te voelen.
Altijd en overal sta ik in verbinding met de God van hemel en aarde en de Koning der koningen.
De lijn is altijd open!

Wanneer ik dat vergeet gaat de verbinding haperen, waardoor ik zijn stem steeds minder duidelijk horen kan.
Een ander geluid, de stem van ‘nooit goed genoeg’ gaat me op jagen, en trekt mijn accu leeg.
De groene streepjes die eerder aangaven dat ik onbeperkt toegang heb tot de schatkamers van de hemel, veranderen in code rood, ‘verboden toegang.’
Een andere poort zwaait open, de aanklacht van schuld en schaamte, waardoor ik verdwaal tussen alle verkeerde seintjes en belletjes.
Me rot trappend werk ik me steeds verder in het klamme zweet zonder ook maar een millimeter dichter bij de uitgang van dit doolhof te komen.
Sterker nog, het lijkt wel alsof mijn versnelling op achteruit staat, waardoor ik meer en meer verstrikt raak in de leugen van het zelf moeten voldoen.

Gelukkig, wanneer ik mijn stekkertje in het juiste stopcontact steek springt alles op groen, en via gratis WiFi leidt Maps me op de goede weg.
De weg waarop het rood van Jezus’ bloed getuigt van verlossing en vrijspraak, zodat het verkeerslicht altijd een groene golf aangeeft.
De weg waar Hij, nooit moe, mijn duwtje in de rug is, hoe de wind ook waait.
De weg waar de stem van Jezus me via de Bluetooh microfoontjes influistert hoe gek hij op me is…

Altijd en altijd goed

Als christen leven we in het spanningsveld tussen dat wat als absolute waarheid in Gods Woord en door openbaring aan ons bekend gemaakt is, én het mysterie waarin we op veel vragen geen antwoord hebben.

In Ps.103 bijvoorbeeld zegt David tegen zijn ziel:
‘Prijs de Heer en vergeet niet dat Hij altijd goed is’
‘Waarom is God goed?’ vragen we aan David.
Hij zingt:
‘Omdat Hij al je zonden vergeeft en al je ziekten geneest’

Het zoeken naar balans tussen de werkelijkheid van de openbaring, en het onverklaarbare temidden van het mysterie brengt ons iedere keer weer terug bij de vraag:’ in hoeverre is God te vertrouwen?’
En persoonlijk; ‘vertrouw ik God in alles?’
Deze uitdaging niet uit de weg gaan maakt dat we leren in elke situatie Hem te loven en prijzen, omdat Hij goed is.
Altijd!

Geloof je dat?
Ook als je geen antwoord hebt op de vraag waarom voor jou ziekte (nog) genezing uitblijft?
Ook wanneer iemand uit je naaste omgeving overleden is, terwijl je zó gebeden hebt om genezing?
Blijf je Hem dan toch vertrouwen?

Jezus, de Zoon van God heeft in Zijn lijden en sterven niet alleen de rekening van onze zonden betaald, Hij betaalde tevens de rekening voor al onze ziekten.
We lezen dat Jezus striemen ons genezing hebben gebracht, en toch blijft genezing uit…
Wat doen we dan?
Gaan we de uitdaging aan om in een situatie waar, we op vragen geen antwoord hebben, toch op Zijn woord te blijven staan: Hij is goed, altijd?

Stel, ik kom in de winkel en zie daar het fornuis van mijn dromen, een prachtige Boretti.
Ik koop dat fornuis en betaal
€7500, het is van mij.
Na vijf jaar ga ik terug en zeg tegen de eigenaar van de winkel; ‘ik koop het toch maar niet’
Iedereen zou dit een dwaze actie vinden, want ik heb het fornuis toch vijf jaar geleden al gekocht en betaald?

Wanneer we als kinderen van God de uitdaging van het leven tussen de openbaring en het mysterie uit de weg gaan, begeven we ons op zeer gevaarlijk terrein, het terrein waarin de slang ons meetrekt naar zijn niveau en we stof gaan happen.
In plaats van te blijven geloven dat God goed is, gaan we in het mysterie zelf de antwoorden bedenken om maar te verklaren wat we niet begrijpen.
Maar geloven is toch vertrouwen op dat wat je vaak niet ziet?

Terwijl we dat met onze mond belijden en geloven dat God, omdat Hij goed is, alle zonden vergeeft, zijn we gaan geloven dat God, omdat Hij goed is, ons ziek maakt.
We hebben allerlei verklaringen en formules bedacht zoals;’ Hij wil me hierdoor leren een betere christen te zijn’

Maar hoe kan Jezus, dat wat Hij tweeduizend jaar geleden gekocht en betaald heeft, nu opeens niet meer kopen?
Hij hééft het toch al gekocht?

We geloven dat wanneer we onze zonden belijden God vergeeft.
Wanneer we in de kerk zouden leren dat God ons niet altíjd vergeeft maar soms zegt; ‘Ik heb deze zonde of verslaving in mijn goedheid zelf aan je gegeven om je daardoor een beter mens te maken,’vinden we dat de grootste kolder.
Toch zijn we als kerk wel gaan geloven dat God ons ziek maakt om ons betere christenen te maken…

Dat wat de duivel, die het kwaad zelf is en daarom alleen slechts in de wereld heeft gebracht, gaan we notabene aan God, die goed is, toeschrijven!
We danken Hem er zelfs voor…
We zijn het kwaad goed gaan noemen!

Terwijl Jezus met Zijn bloed betaalde voor de vergeving van al onze zonden, geloven we dat Hij de koop van onze ziekten geannuleerd heeft.
Iets wat te dwaas voor woorden is omdat Hij er tweeduizend jaar geleden al voor betaald heeft.

Om dit mysterie op te lossen is het volgende antwoord bedacht; ‘ God is niet alleen de Vader van Jezus Christus, maar ook een God die ons juist ziekte geeft om ons iets te leren en ons dichter bij Hem te trekken.’

Als dit waar is, zijn God en Jezus elkaars tegenstanders.
De Bijbel zegt heel iets anders.
Toen Jezus op aarde was genas Hij alle zieken die bij Hen kwamen, ongeacht hun geloof of ongeloof.
Hij zegt in Joh.10:30, ‘Ik en de Vader zijn Één.’

Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat we als kerk, de gemeente waarin God in Zijn kinderen Zijn goedheid wil tonen, de leugen zijn gaan geloven dat Hij dat o.a. doet door ons ziekte te geven?
Hoe komt het dat de gemeente van Jezus Christus met haar eigen bedachte antwoorden Gods waarheid tot een leugen heeft gemaakt?
Hoe komt het dat we deze door Satan ingefluisterde leugen, Gods goedheid zijn gaan noemen?
Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat we blind geworden zijn voor deze godslastering en het als goed nieuws verkondigen?

Het kan toch niet waar zijn dat de rover het door Jezus duurbetaalde geschenk van vergeving en genezing steelt, waarna we God danken, loven en prijzen, voor dat wat op conto van Zijn vijand staat?

Paulus zou zeggen;’Zijn jullie nou helemaal gek geworden?
Wie heeft u betoverd?’

Stel, je neemt vol verwachting één van je buren mee naar de dienst.
Zeg je dan tegen diegene: ‘ dat boek op de kansel is de Bijbel, het woord van God.
Maar, ik waarschuw je alvast, je moet niet alles wat erin staat geloven hoor.
Ssstt, niet verder vertellen, dit blijft toch wel onder ons?’
Nee toch?
Maar, in ons hart zijn we dat wel gaan geloven: niet alles wat God in Zijn woord zegt is waar want…
Vervolgens beantwoorden we vragen waarop ons nooit gevraagd is een antwoord te geven.
De enige vraag die God, de Vader van Jezus Christus en daarom ook onze Vader, stelt is; ‘Durf je mij vertrouwen?
Dan zal ik je mijn grootheid laten zien’

Deze grootheid van God ontdekken we pas in de intimiteit van volledige overgave.
De overgave van een kind aan zijn Vader.
Zoals wanneer je als kleuter bovenaan de trap door vader beneden aangemoedigd wordt te springen.
In het volste vertrouwen dat hij je niet te pletter zal laten vallen, spring je en wordt door twee sterke armen opgevangen.
Hij is immers je vader?
Opgewonden gil je; ‘nog een keer, nog een keer’

We zijn als kerk een nieuwe reformatie nodig, een opnieuw ontdekken van Gods goedheid en Zijn verlangen naar intieme omgang.
In Zijn diepe hunkering ons als Zijn kinderen aan te nemen betaalde Hij daarvoor de hoogste prijs, Zichzelf.
Dit opnieuw te ontdekken doet ons aan Zijn voeten op de knieën vallen, waar we belijden hoe zeer we Zijn goedheid veronachtzaamd hebben.
Zijn genade te gaan leven voedt ons geloof en vertrouwen in een goede God.
Een God waarin geen schaduw van omkeer is.
Een God die al je zonden vergeeft.
Een God die al je ziekten geneest.

Kom mijn ziel, loof en prijs de Heer want Hij is goed!
Altijd…?
Ook waneer…?
Altijd!