Roeping

De kerk is dicht het hek is voor de laatste keer
geopend en gesloten
Geen ‘goeiemorgen, wil je koffie,wat was het ook al weer
zwart toch?’ meer

De planken leeg geruimd, de heilige boeken weg
toegedaan in dozen
De dominee heeft voor een and’re plek in’t huisgezin van God gekozen

De zoete klanken van de toetsen en de snaren
verblijden ergens anders mijlen weg van hier
wat blijft dat is de echo en zal ik in mijn hart bewaren

Een dichte kerk, een lege kamer, de deur en t’ hek op slot
verweest vraag ik mij af ‘wat is uw plan
Mijn Heer mijn God?’

Bon Appetit

Het gesprek rond kinderen aan het Avondmaal blijft me bezighouden.
‘Hoe komt dat?’ vraag ik mezelf af.
Waarschijnlijk omdat dit me al boeit vanaf dat ik zelf denken kan en in de traditie waarin ik werd opgevoed zoveel discrepantie rondom allerlei godsdienstige thema’s ervoer.
Als kind begreep ik niets van de ‘grote mensen’ taal rond de tafel des Heren, en nu ik na allerlei kerkelijke wegen bewandeld ‘groot’ geworden ben, begrijp ik er nog steeds niets van.
Ik ervaar in de beweringen rond het toegang verlenen tot de tafel des Heren ook vandaag veel discrepantie.

Vroeger werd me als kind de toegang tot de Dis geweigerd door ‘grote’ mensen die voor het overgrote deel zelf ook in de bank bleven zitten.
Het was zelfs vromer om niet aan te gaan, en snikkend de dienst door te brengen, zodat ieder ander kon zien hoe je worstelde met je zonden…
Ik heb er al meerdere keren over geschreven, ik begreep er niets van.
Dat was dan weer mijn worsteling; hoe bestaat het dat de Heere God Zelf voor een zoenoffer zorgde, en de Heere Jezus gastheer was van de tafel voorin, en toch ging haast niemand naar voren, want stel je voor dat je jezelf een oordeel at…
Tenminste, zo vertelden ze het mij.

‘Maar…waar is de Heere Jezus dan voor gestorven?’ vroeg ik mij wanhopig af.
Het antwoord was als een soort automatisme altijd;’voor onze zonden’
‘Nou dan…’
Maar als kind had ik weinig in te brengen want ‘ik zou nog wel eens met een ingebeelde hemel naar de hel kunnen gaan’

Ik las eens het boek:’ in Zijn arm de lammeren’
Het zou over mij kunnen gaan.
De voortdurende vragen in het hoofd van Fransje waren ook mijn vragen, alleen durfde ik ze, in tegenstelling tot Fransje, niet hardop te stellen.

Gelukkig durf ik dat nu wel.
En ik doe het ook nog steeds op dezelfde kinderlijke manier zoals ik dat vroeger deed.
Toen leefden die vragen in een continue stroom in mijn hoofd en hart,nu spreek ik ze uit wat vaak interessante gesprekken oplevert.

Want hoe kan het bestaan, dat nu ik ‘groot’ ben, de ‘grote’ mensen nog steeds voor de kleinen beslissen wanneer zij recht op die viering hebben.
In mijn beleving is door ‘grote’ mensen een hoog hek rond de tafel geplaatst, waardoor je pas wanneer je daarover heen kunt springen, mee mag eten en drinken.

Ik was b.v. in een Avondmaalsdienst waarin de voorganger eer hij het brood brak en de wijn deelde, de kinderen toesprak en aanraadde goed te kijken, zodat ze mogen weten dat wat aan tafel gevierd werd ook aan hun beloofd is.
‘ nog voordat jullie daar enig besef van hadden, heeft de Here zijn hand op je gelegd in de doop.
Dat betekent dat Hij ons leven is geworden.
Zoals je vanmorgen je ontbijtje hebt gegeten, en daar niet buiten kunt, zo is de Here ons leven geworden, ons eten en drinken…
Wanneer je groeien mag in het geloof, dan nodigen we jullie ook uit.’

Op zo’n moment luister ik met steeds groter wordende verbazing over de discrepantie die ik als kind al ervoer en me ook nu weer in verwarring en verbijstering achter laat.
Wat ik me daarbij ook afvraag is: ‘ hoe komt het dat we in de traditionele kerk de kinderdoop verkiezen boven de volwassen of groot-doop, en vervolgens de gedoopte kinderen pas aan het Avondmaal nodigen als ze volwassen zijn?
Welke waarde heeft dan de kinderdoop voor het kind?’

Nu gaat het er mij niet om hier een dominee of een kerk af te katten,
of iets af te doen aan de belijdenis geschriften,( dat is nl. een heel andere discussie) alleen, ik wil zelf niet, zoals mij dat vroeger gebeurde, één van de ‘grote’ mensen zijn die voor de kleinen van nu beslist dat zij eerst nog moeten groeien in het geloof, om pas dan samen met mij Jezus te eten en drinken.

Wat naar mijn bescheiden mening dan gezegd wordt is:
‘wanneer je het straks beter begrijpt nodigen we jou ook uit’
Dat impliceert dat ík het begrijp, en het kind nog niet.
Terwijl we in de doop zeggen;’ je hoort erbij’ , hoor je er pas echt bij wanneer je in het ‘ ja’ zeggen op de vragen van de formulieren aangeeft dat je begrijpt waar het over gaat.

Persoonlijk raak ik steeds dieper onder de indruk van Jezus’ lijden en sterven, en ontdek ik tevens steeds minder daarvan te begrijpen.
Juist in die verwondering groeit een steeds groter ontzag voor Hem, en begrijp ik des te meer waarom Jezus zegt dat we moeten worden als de kinderen.
En ik kies daar ook voor, als een kind neem ik Zijn Genade aan, want als volwassene ga ik redeneren en blijft van Zijn Genade niets over.
Geloven is redenatie uitzetten, omdat geloven een mysterie is.
Ik geloof in iets wat ik niet zie, en het maakt me kinderlijk gelukkig.
Genade is geen religie maar een Persoon!

Ik durf daarom te beweren dat wanneer we als volwassenen, geacht gegroeid te zijn in het geloof, de kinderen aan de maaltijd van de Heer weigeren, we niet-begrijpen dat het ook niet te begrijpen is.
Hoe kan ik als niet begrijpend( Hallelujah Prijs de Heer)wat er aan de tafel gebeurt, verwachten dat een kind pas aan het Avondmaal mag als het volwassen geworden beter begrijpt wat er gebeurt.
Ik ben niet zo van het vallen in de Geest, maar ik wilde wel dat we van verbazing allemaal achterover vielen over het mysterie van wat er aan het kruis op Golgotha gebeurde, en precies daarom Avondmaal vieren!

Juist als kind begreep ik al dat terwijl het Heil me in zijn offer ruimschoots werd aangeboden, het geredeneer de weg naar Christus steeds enger en smaller maakte.
Ik wilde het zo vaak uitschreeuwen;’ wat bedoelde Hij dan toen Hij riep’ het is volbracht?’

Vandaar dat ik maar één reden zie om Avondmaal te vieren; de woorden van de Heer zelf;’ doe dit tot Mijn gedachtenis!’
Daar aan de tafel ontváng ik geen vergeving, ik vier dat ik het al voor voor mijn geboorte ontvangen héb!
Wie daar andere gedachten over heeft, prima!
Dan heb ik een volgende vraag:’ waar staat het in de Bijbel?’

Onder stroom.

Vandaag in de kerk staat voorin een tafel met een wit laken daarover heen.
In het midden ligt nog een ander kleiner laken, met daaronder iets verstopt wat we niet zien mogen.
Eerst gaan we bidden en zingen en dominee gaat preken.
Omdat ik nog klein ben begrijp ik niet zoveel van wat hij verteld, maar omdat ik af en toe de naam
‘Jezus’ hoor noemen word ik wel erg blij.

Hij heeft het ook over een zondig hartje, en dat we ons bekeren moeten, maar dat is vast grote mensen taal, want dat snap ik nog niet, wat dominee daarmee bedoelt.
Maar wanneer ik ‘Jezus’ hoor lijkt het wel alsof mijn hartje een sprongetje maakt op de klank van heel mooie muziek.
Dan willen mijn voetjes ook sprongetjes maken, maar dat mag niet, want in de kerk moet je eerbiedig zijn en stil zitten.
Dat hoort bij elkaar ‘ kerk, eerbiedig en stil zitten’ begrijp ik er van.

Het is, wanneer ik dominee ‘ Jezus’ hoor zeggen, net als wanneer dokter met een hamertje op mijn knietje tikt, en ik dan niet tegen kan houden dat mijn hele beentje omhoog schiet.
Of wanneer ik mijn elleboog stoot, dan zegt Mama dat ik mijn elektrische botje gestoten heb.
‘Dan lijkt het net of je een beetje onder stroom staat’ zegt ze.

Nou, zo voelt het ook wanneer ik ‘Jezus’ hoor, maar dan zonder dat het pijn doet, het voelt juist erg fijn!
Wanneer Papa en Mama uit de kinderbijbel voorlezen gaat het soms ook over Jezus, dan gebeurt dat ook, dat ik ‘onder stroom’ sta.
Op een heel bijzondere manier trilt alles dan vanbinnen.

De preek is afgelopen en dominee zegt dat we nu als gemeente van de Here Jezus Christus Heilig Avondmaal gaan vieren.
Dat ligt dan zeker onder dat laken verstopt, het Heilig Avondmaal!
Dominee verteld dat Jezus de rekening al betaald heeft voor het eten en drinken op de tafel, dus hoeven we geen geld mee te nemen.
Het is jammer dat ik zo ver weg zit want nu kan ik het nog niet goed zien!
Sta ik ‘onder stroom’ en willen mijn voetjes dansen, en zie ik ook niet eens wat voor lekkers er onder dat laken ligt.
Hè, wat vervelend als je nog zo klein bent!

Maar gelukkig zegt dominee dat alle kinderen bij hem mogen komen, dus voordat iemand me tegen kan houden ren ik uit de bank, om als allereerste bij die geheimzinnige tafel te kunnen zijn!
Mijn roze klik-klak schoentjes maken vrolijke muziek lijkt het wel wat niet iedereen leuk vindt, want ik hoor ‘ ssst, sssttt’
Ik vraag me af waarom ze dan zelf niet ‘ sssstt’ zijn zoveel lawaai maken ze ermee.
Het zijn net bromtollen, maar dan zonder liedje, bedenk ik me, wat ik zelf best wel grappig vind.

Gelukkig sta ik vooraan, en kijk mijn ogen uit wanneer dominee het laken optilt en opvouwt.
Dit is dus het Heilig Avondmaal!
Een zilveren schaal die net als de prachtige zilveren bekers schitteren als heldere spiegels, zó mooi.
In de schaal liggen netjes in gelijke stukjes gesneden wit brood gestapeld, waarvan één brokje op de grond gevallen is.
In de bekers fonkelt bloed lijkt het wel, maar dominee zegt dat het rode wijn is.
Vervolgens legt hij ons uit dat het brood het lichaam en de wijn het bloed van Jezus voorstelt.
Dominee verteld dat Jezus heeft gezegd dat we steeds avondmaal moeten vieren met elkaar en dat wanneer je bij Jezus hoort, je dan een lichtje bent net als Jezus!

Opeens begrijp ik het helemaal!
Jezus is een soort stopcontact, en wanneer je daar je stekker in steekt sta je onder stroom waardoor je lichtje aan gaat!
Het is dus helemaal niet zo vreemd dat wanneer ik zijn naam hoor, mijn hartje sprongetjes maakt en mijn beentjes dansen willen.
Stiekem probeer ik in de zilveren bekers te kijken of ik nu een lichtje ben…

Nu mogen we vast ook een stukje brood pakken en en een beetje wijn drinken, maar dan zegt dominee dat we dat later als we het beter begrijpen pas mogen doen.
Hè?
Dominee zei toch net nog dat Jezus betaald heeft en daarom het eten gratis is?
Waarom zegt hij nu dan dat ik er niets van eten mag?
Het is nog erger dan wanneer Mama in de snoepwinkel zegt dat ik wel overal naar kijken maar nergens aan komen mag…

Ik krijg het plotseling erg koud, en flap eruit:’ dominee, ik snap het al helemaal hoor, want ik sta helemaal onder stroom’
Vriendelijk probeert hij me uit te leggen dat we toch eerst nog wat groter moeten zijn, maar dat hoor ik allemaal niet meer omdat in mijn hoofd een plannetje groeit.
Ik ga proberen het stukje brood dat op de grond gevallen is te pakken!
Net alsof ik de veters van mijn roze schoentjes strikken moet buk ik me en gris het snel weg.
Daarna ga ik gehoorzaam weer naast Papa en Mama zitten, mijn kostbaar bezit onzichtbaar in één van mijn handjes.
Wanneer de grote mensen allemaal in een grote kring staan om Avondmaal te vieren doe ik het samengeknepen brokje in mijn tasje want ik wil het zo lang mogelijk koesteren.

Thuis gekomen ren ik tegelijk naar mijn kamertje en laat het van mijn ene hand in de andere rollen.
‘ het lichaam van Jezus’ fluister ik opgewonden en stop het in mijn mond.
Het proeft helemaal niet bijzonder, en toch weet ik dat ik iets heel speciaals eet!
Ik kauw het net zo lang tot ik het vloeibaar als romige melk doorslik.

Mijn hartje maakt duizend sprongetjes en mijn voetjes gaan als vanzelf dansen.
Ik ben nog nooit zo blij geweest, en gil het uit van plezier, want ik ben een lichtje omdat ik onder stroom sta voor Jezus…

Bellenblazen in het Vondelpark.

Vanmorgen werd ik wakker met een
plan:” ik ga naar het Vondelpark!”
Terwijl ik mijn ochtendritueel afdraai zingt in mijn hart een lied van David:”doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen want ik vertrouw op U…”
Vrolijkheid alom, vrijheid, blijheid, vandaag moet niks, terwijl alles mag, pompidompidom….
( “Als het maar leuk is” zou oma Fladder zeggen)

Vlakbij mijn huisje stap ik op de tram die mij in het park van mijn geliefde stad, Amsterdam brengt.
De zon doet haar best elke herinnering aan wind en kou van de afgelopen dagen te verdrijven en tot mijn plezier zie ik dat het park gezellig druk is.

De zoete geur van wiet vermengt zich met de nu al her en der in het groene gras rokende barbeque’s.
Af en toe komen jonge hippe gozers op skeelers voorbij razen, handig de ding-dong bellende fietsers en flanerende toeristen omzeilend.
Oma’s en Opa’s wandelen met hun vrolijk kwetterende oppas-kleinkindjes langs de grote vijver, en jonge verliefde stelletjes nestelen zich op de bankjes onder de rijk bloeiend overhangende takken van de weelderige gouden regen.

Rond het prachtige standbeeld van Joost van den Vondel worden bontgekleurde kleedjes neergelegd,waarop zich allerlei groepjes voorzien van koffie, broodjes en andere lekkernijen neervlijen.
De ijscoman doet goede zaken deze warme dag, evenals de rondrijdende frisdrank verkopers.
Surveilerende politie agenten rijdend op hun stoere motor of mountainbike geven me een gevoel van veiligheid en rust.

Amsterdam, the Place to be!

Glimlachend zie ik het allemaal aan, totdat opeens, zonder enige waarschuwing vooraf de pijn van verlies mijn hart doorklieft.
Hè bah, waarom nu weer al die herinneringen en het brandend heimwee en verlangen naar wie ik achterliet…
Hoe ze ook probeert met haar zonnestralen de wolk van duisternis die me plotseling overvalt te verdrijven, de zon verliest haar glans.
Ik wil naar huis, mijn eigen plekje waar ik de deur op slot kan doen en met de verduisteringsgordijnen het licht buiten sluiten kan.

Terwijl ik me resoluut omdraai sta ik tegenover een joviaal geklede man zittend op één van de bankjes.
Alsof hij zich totaal niet bewust is van de omgeving en daardoor ook niet van mij, blaast hij bellen uit zo’n potje bellenblaas waarmee ik vroeger tijdens een feestje de kinderen verraste.
Tegelijk met een soort van vertedering over de kinderlijk naïeve tederheid in het tafereeltje bekruipt me ergernis over een volwassen man met zijn kinderachtig speelgoed.
Terwijl ik gefascineerd toekijk word ik ook steeds bozer.
“Nou zeg, word volwassen” zou ik tegen hem willen zeggen, ” kijk om je heen, steek liever je handen uit de mouwen en maak je nuttig”

Ondertussen omringt de zwijgende man zich met de meest prachtige zeepbellen.
Kleurig glanzend dwarrelen ze om hem heen waardoor de man nog meer gelukzalig glimlacht.
Ik vergeet dat ik eigenlijk naar huis wilde gaan en blijf gebiologeerd toekijken.
Onverstoord blaast de man zijn zeepbellen die door het zacht fluisteren van de wind mijn kant op zweven.
Mijn hoofd geeft commando’s aan mijn handen ze weg te slaan, maar mijn armen weigeren dienst en hangen als slappe poppen langs mijn lijf.
Terwijl ook mijn voeten als aan de grond genageld geen enkele stap meer verzetten, blijft de man zijn bellen blazen.
Alsof de zon lachend van plezier kleurige tranen huilt spatten ze, mijn wangen natmakend, één voor één als mini motregentjes uiteen.

Mijn verlangens en dromen breken de weerstand en irritatie en in mijn fantasie word ik opgenomen in een reusachtige zeepbel
Zwevend op de wind wordt vroeger en de werkelijkheid van het heden opgelost in een toekomst zonder pijn.
Een toekomst waarin de tranen over “toen en eens” gehuild mogen worden in een schoot van eeuwige ontferming.
Gewiegd door een Vader wiens liefdevolle hand elke traan als kostbaar parfum opvangt om ze in een prachtig kristal karafje te verzamelen.
Daar waar de onmogelijkheid van “je moet het achter je laten” eindelijk zijn betekenis krijgt in de volmaaktheid van het nu, dat tot in eeuwigheid heden zal zijn.

Oh, hoe brandt in mij het verlangen en heimwee naar die toekomst, glanzend als de weerspiegeling van de zon in de zeepbellen van die man op het bankje in het Vondelpark.
Transparant, kleurig en ongrijpbaar te zijn zoals de om mij heen dansende bolletjes vol regenbogen.
Zwevend op de wind, gedragen door Zijn Geest, daar te zijn waar Hij is, Jezus Christus…
Opeens weet ik niet meer of het de uiteenspattende zeepbellen zijn of mijn eigen tranen die mijn wangen nat maken, maar het geeft niet…
Gevangen in de betovering van zon en glanzende regenbogen neem ik het in mij langgeleden het zwijgen opgelegde kind bij de hand en til het op het bankje naast de man.
Ik tuit mijn lippen en doe haar voor hoe het moet, eerst het stokje in het flesje zeepwater dopen en dan blazen.
Mijn kleine meisje en ik gaan zo op in het spel dat ik niet in de gaten heb nog met zijn tweeën alleen te zijn.
Aan mijn voeten me staat een picknick mand vol fruit, broodjes en flesjes bellenblaas, achtergelaten door de wonderlijke man.
Naast de mand ligt bovenop een rood geruit kleedje, een smetteloos witte roos met daaraan een klein roze envelopje waarop mijn naam geschreven staat.
Alsof ik hen bevrijd zwermen bij het openen daarvan, honderden vlinders om mij heen, vrolijk klapwiekend met hun frêle vleugeltjes.

Ik vouw een handgeschreven briefje uit en lees ontroerd het meest mooie gedicht ooit geschreven;
“wil je samen met mij
bellen blazen?”

“Ja Heer, ik wil” fluistert mijn stem…

Klingelende Sneeuwklokjes

Na, lijkt het wel, eindeloze dagen waarop de lucht grijs bleef en de wolken dikke tranen huilde, dagen waarop het maar geen dag werd, dagen waarop ik het liefst onder de dekens wilde blijven liggen, schijnt vanmorgen opeens de zon.
Ik zie het meteen als ik wakker word aan de streep licht die onder en boven het gordijn door piept.
De beginnende dag is helderder van kleur dan de vorige sombere morgens.
Het verwarmd meteen de kou in mijn gebroken hart, alsof iemand met een lijmpistool een liefdespijl afschiet in een poging de twee helften weer samen te smeden.

Oh, hoe schrijnt de pijn van dat wat eens was en nooit meer terug komt.
Het is het omgekeerde gevoel van in vuur en vlam staan voor iemand waarbij het vuur samensmeltend als vreugdevuur beantwoord wordt.
De pijn van verlatenheid is het smeulen van een vanbinnen opgesloten vuur dat schroeiende brandblaren nalaat, blaren die mijn lijf doen rillen van kou en eenzaamheid.

Met het ontwaken van een nieuwe dag in de vroege zonnestralen, wordt tegelijkertijd een ander gevoel in mij wakker, hoop en verwachting naar een nieuw seizoen.
Voorzichtig als het binnenpiepen van het Lentezonnetje, begint in mijn hart een ander vlammetje te flakkeren, aarzelend als een walmend vlaswiekje.

Woorden uit een oude profetie komen als in een melodietje aan een feestslinger van verschillende notenbalken voorbij zweven;”de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen”
Zoiets ja, zo voelt het ontwaken op deze dag, een ontwaken van een nieuwe morgen.
“Hè wat klinkt dat dramatisch” vermaan ik mezelf…

Voorzichtig zet ik mijn blote voeten op de koude vloer, waarbij ik me gewaar word van een verfrissende sensatie die ik lange tijd niet gevoeld heb.
Gisteren nog kneep de kilte van mijn slaapkamer mijn keel dicht en was het alsof dat wat op slot zat zich nog dieper verschool achter de grendels van mijn hart, maar vandaag zet het de deur voorzichtig op een kier.
Ik hoor een Winterkoninkje zingen en kan het niet laten om het slaapkamerraam wijd open te gooien om te genieten van zijn prachtig lied.
“ wat zing je mooi, lief vogeltje” fluister ik hem toe, de heldere klank uit zijn keeltje in mij opnemend.
Zie ik dat nou goed, hij knipoogt naar me…
“ ik ben zo blij dat mijn zang je bekoort, omdat ik al een paar weken zo mijn best doe in het oefenen van mijn lied speciaal voor jou” antwoordt het Winterkoninkje.
Nou ja, het moet niet gekker worden, ben ik nou echt in gesprek met een vogeltje?
En heb ik al die weken niets vernomen van zijn prachtig fluiten onder mijn eigen raam?
“ Het geeft niets hoor” zegt hij ,” ik beloof je dat ik er morgen ook weer ben om mijn lied voor jou te fluiten”

Vol goede moed overlaat ik me daarna met sinaasappel geurend schuim en laat me door het warme water uit de sproeier van mijn douche masseren.
In tijden heb ik niet zo genoten van deze weldaad, terwijl die toch iedere dag voorhanden is.
Na mijn lievelingsontbijt van amandelmelk en havermout, en een paar koppen gemberthee, besluit ik naar buiten te gaan.
Tot voor kort nog de grote boze wereld, de wereld waar ik iedere steeg en binnenweg ken, om wanneer ik het boodschappen doen niet meer uit kon stellen, onzichtbaar en bang mijn weg te zoeken.

Met mijn wandelschoenen aan de voeten trek ik hoopvol de deur achter me dicht om in een wereld vol beginnend voorjaar me te laten koesteren door de zon.
Wanneer ik door het vele jaren geleden aangelegde park wandel ben ik gelukkig nog alleen.
Ik voel me een jong vogeltje dat eer de pasgevallen smetteloos witte sneeuw door modder en zand besmeurd een vieze bruine brij wordt, met zijn tere pootjes afdrukjes achterlaat in deze verstilde wereld.

Toch hoor ik overal om me allerlei zachte geluidjes, fluisterende stemmetjes als het zachte ritselen van door de wind omslaande bladzijden van een opengeslagen boek.
Ik vraag me verbaasd af waar het vandaan komt, totdat ik me realiseer dat het vanaf beneden komt, daar waar mijn in de bergschoenen gestoken voeten staan.
Ik buk me om mijn met ogen al speurend de oorzaak van die stemmetjes en geluiden te zoeken, waarop een zacht giechelen te horen is.
Verwonderd begrijp ik er nog steeds niets van, tot opeens een helder stemmetje me vraag me op mijn knieën te laten zakken.
Een beetje verlegen doe ik wat me gevraagd wordt, en beland midden in een kakofonie van geluiden.
Sneeuwklokjes die verheugd als de vroege kerkklokken in Oostenrijk klingelen dat het een lieve lust is.
Krokussen die met hun paars,wit en roze gekleurde blaadjes uitbundig applaudisseren, terwijl de blauwe druifjes met zachte knalletjes hun violet van boven naar beneden aan hun tere groene steeltjes laten ontploppen.
Nieuwsgierig steekt een veldmuisje zijn spitse neus boven de blaadjes en sprietjes uit, en giert het uit van dolle pret om mijn verbazing over haar wereld.
Bovenin één van de majestueuze eiken klinkt het indrukwekkende “oehoe” van een bosuil, alsof hij wil zeggen:” ik hoor er ook bij hoor”
Kwetterend komt een familie musjes dichterbij, zich verlustigend in de kleurenpracht van de voorjaarsbloemen.
De prachtige kleurschakering in hun, naar ik dacht, grijze veren-manteltje, valt me pas op, nu ze zich van zo dichtbij laten bewonderen.
Wanneer ik moet niezen van de overweldigend heerlijke geuren van de hyacinten breekt een luid gelach uit, waarna ik zelf ook omval van het schateren.
Boven me buitelt en koert een paartje witte duifjes, gelukkig met de simpelheid van hun bestaan, terwijl een ekster trots zijn regenboog versierde veren showt onder het zwart en wit van zijn bovenjasje.

Temidden van alles wat hier geurt, bloeit en zingt voel ik mij omarmt door een zee van liefde, en besef ik ineens dat dit het doel van het bestaan is.
Te zijn, meer niet…
Zoals de mussen zich geen zorgen maken over morgen, de bloemen na de winter gewoon hun kopjes weer boven de zwarte aarde uit laten steken, zo mag ik ook bloeien en groeien voor mijn Schepper.
Hoe zwart ook het donker van de nacht, daarin schuilt nieuw leven, geur en kleur.

“Ik blijf hier gewoon nog even liggen, mag dat” vraag ik aan de sneeuwklokjes.
Als antwoord luiden ze hun klokjes nog vrolijker dan ooit, me welkom hetend in de kapel waar de naam van de Heer hun God lof gezongen wordt.

De Stratenmaker op zee

In de kelder van mijn hart staat een grote kist.
Zo één als je in sprookjes boeken ziet afgebeeld, met koper beslag op de hoeken en om het sleutelgat.
Aan een haak, bovenaan het keldertrapje hangt een ketting met daaraan een zware sleutel, die precies in dat sleutelgat past.
Hij werkt ook alleen maar in mijn hand en niet in die van een ander.

Af en toe daal ik af in mijn kelder.
Voorzichtig open ik de toegang naar beneden, til de sleutel van de haak, en hang de ketting om mijn nek, waarna ik de deur sluit en de tien treden naar beneden ga.
Soms blijf ik even op de bovenste treden van het trapje zitten, en kijk door het smalle kiertje licht onder de deur naar de voetstappen van de voorbijgangers.
Dan ben ik bang dat iemand halt houdt, de deur opent en me nieuwsgierig vraagt waarom ik zo geheimzinnig doe.
Gelukkig is mijn geheim nog nooit ontdekt, dat zou een ramp zijn.

Het lijkt net een schatkist, maar het is de kist van mijn schuld en schaamte.
Wanneer ik naar de kist in mijn kelder ga draag ik in In mijn handen een stoffer en blik vol met scherven van de kristallen glazen waaruit ik gedronken heb.
Grote en kleine glazen van hoop en verwachting, die toch weer elke keer kapot vielen op de harde vloeren van het bestaan.
Sierlijk stonden ze te pronken, maar eenmaal leeg gedronken werden ze uit mijn handen geslagen om aan mijn voeten als scherven uiteen te spatten.
De splinters deden mijn vingers bloeden wanneer ik haastig en beschaamd de boel bijeen wilde rapen, bang dat iemand de brokken zag.

Ook vandaag zit ik met een blik vol scherven op mijn keldertrapje en bekijk de voeten van de voorbijgangers door de smalle lichtbundel onderaan de deur.
Bebloed houden mijn krampachtige handen mijn schuld en schaamte bij elkaar.
Angstig en radeloos hoop ik deze keer dat het rinkelen van het verzamelde glas iemand stil doet staan om mijn pijnlijke vingers te verbinden.
Maar het lijkt ijdele hoop te zijn en ik wil me omdraaien om ook deze keer alleen naar mijn kist te gaan.
De kist, waarin ik mijn scherven bewaar die niemand mag zien.

Totdat ik een onbekend rinkelen opvang, teer als zilveren belletjes, een tinkeling zuiverder dan elk ander geluid.
Al mijn zintuigen staan op scherp en nieuwschierig blijf ik zitten om te wachten op het voorbijgaan van de voeten horend bij dit zoete geluid.
Dan…mijn adem stokt in mijn keel; vlak voor mijn turende ogen blijven de voeten staan.
Omringd door een met glanzende belletjes versierde zoom van een lange mantel staan de voeten stil bij de kelderdeur waarbij het lijkt dat dit ook het doel was van de wandeling.
Alsof ze hun eigen melodietje spelen, rinkelen en tinkelen de belletjes een vrolijk en lieflijk lied.

Ik hoor de klink van de deur naar beneden gaan en bevend krimp ik ineen.
Mijn heimelijk verlangen door iemand gezien te worden, en mijn angst voor ontdekking van de kist in mijn kelder strijden om voorrang.
Ik durf amper adem halen en wacht bang en vol schaamte op wat komen gaat.
Het stoffer en blik valt kletterend uit mijn trillende handen, en doet de laatste scherven in kleine scherpe splinters uiteen spatten.
Ik verwacht een flinke uitbrander, maar twee warme handen strelen mijn neergebogen schouders waarna ze mijn hoofd voorzichtig oprichten.
Wanneer ik opkiijk zie ik mezelf weerspiegelt in de de meest liefdevolle ogen ter wereld, ogen die niet voorbijkijken, maar mij zíen en me bij mijn naam noemen.
Warm en vol mededogen klinkt zijn stem:” zal ik met je meegaan naar je kist?”
Verward begrijp ik dat hij mijn geheim weet, en dat ik deze stem behorend bij de belletjes omringde voeten die stil stonden voor mij, geen weerstand bieden kan…
Snel probeer ik eerst de splinters van de vloer te vegen en zie beschaamd dat het opspattend glas zijn voeten doen bloeden.
Met lieflijke dwang neemt hij het stoffer en blik en veegt met mijn schuld de vloer aan, waarna hij me vraagt de kist te openen.
Hij legt zijn hand op de kapotte handen van mij, waardoor het bloeden stopt en alles in mij niet meer anders wil dan hem te volgen, waar hij ook gaat.

Samen tillen we het zware deksel omhoog waarna hij de nieuwe scherven bovenop de berg andere veegt.
Het is niet meer donker in de kelder nu hij er is, een helder licht heeft de duisternis verdreven.
Ik zie iets wat ik nooit eerder zag…
de scherven in mijn kist glinsteren als diamanten en dansen hun kleurig weerschijn in duizenden regenbogen op het grauwe grijs van de muren en het plafond van het gewelf.
De ogen van de man tranen van oneindig erbarmen bij het zien van al mijn kapot kristal.
” Jou scherven zijn kostbaar in mijn ogen mijn lieveling,” zegt hij.
” Ik kom ze ophalen”
Alsof hij nimmer een zo mooi cadeau gekregen heeft, zo blij is hij met mijn kist vol gebrokenheid.
“Wat gaat u er dan mee doen?” vraag ik, niets begrijpend van zijn vreugde over mijn kist vol scherven ongeluk.

“Ik zal je een geheim verklappen” zegt hij samenzweerderig, glimlachend om mijn verbazing.
” In mijn koninkrijk ontwerp ik een stad waarin de gouden straten als van een glazen zee zijn, helder als kristal.
Daar heb ik jou scherven voor nodig, zodat ik voor jou huis in die stad ook een mooie toegangsweg kan aanleggen.”
Ik word er stil van en kan niets meer uitbrengen, zó ontroerd ben ik.
Door zijn aanwezigheid schaam ik mij als vanzelf niet meer voor de chaos van mijn bestaan, verstopt in de kist.
” Jou scherven brengen geluk, lieveling” fluistert hij in mij oor.
Als vanzelf kniel ik voor hem neer en ontdek ineens dat de belletjes onder aan zijn mantel ronde kralen kristal zijn, sierlijk vastgeregen in de golvende zoom van zijn mantel.
Bij iedere beweging tikken ze glinsterend tegen elkaar als de opgeheven glazen champagne in de handen van een jonggehuwd stel.
“Ik beloof je dat ik terug kom, dan neem ik je mee mijn liefste, en zal je voeten laten dansen op de glazen zee, speciaal voor jou aangelegd.
Stil maar, wacht maar, want alles wordt nieuw”

Wanneer hij weg is, nadat hij mijn kist met scherven als zijn eigendom op zijn sterke schouders tilde, voel ik mij zo licht als een veertje.
Het tere rinkelen van de zoom van zijn mantel echoot na in mijn ziel, waardoor ik voortaan mijn scherven zal zien zoals hij ze ziet; glinsterend goud in de handen van de stratenmaker van de glazen zee…


‘En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk.
‭‭Openbaring‬ ‭4:6‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/rev.4.6.nbg51

Schilderij :. “Oog in oog met de zoom van zijn mantel”
Kunstenares : Monique Touwen

http://kunst-van-monique.tumblr.com