De vintage Singer en het mes in het varken.

Omdat ik een beelddenker ben, zie ik een plaatje voor me van een meisje dat geboren wordt met een set naalden in haar handjes.
Naainaald, haaknaald, en een breinaald.
Gelukkig ben ik tevens gezegend met een rijke fantasie, ik verveel me daarom dus nooit.
Zelfs in het niets doen draaien mijn hersenen op volle toeren in het bedenken van iets nieuws op welk gebied dan ook.
In mijn hoofd spelen zich allerlei verhalen af, grotendeels gestoeld op de werkelijkheid.
Aangevuld met een snufje fantasie, een kloddertje roze hier, een kloddertje roze daar…ghighi

Van kleins af aan hadden mijn handjes dus een naald in welke vorm dan ook vast.
Eerst was dat vooral een naainaaldje.
Op de hand freubelde ik poppenkleertjes in elkaar.

Moeder zat altijd, tussen het poetsen en kloppen door, te breien.
Wat een prachtige truien heeft ze in haar breileven voor me gebreid!
De mooiste ajoursteken en kabels, ze draaide er haar hand niet voor om.
De naalden tikten razendsnel het ene kunststuk na het andere in elkaar.
Zó snel als moeder breien kon, dat heb ik nooit gekund!

Op een gegeven moment kwamen de poncho’s in de mode.
Moeder leerde van iemand haken en haakte voor mij een poncho.
Ik weet nog precies de kleuren!
Mosterdgeel,
Groen,
Beige,
En oranje.

Wat was ik trots op mijn poncho, apetrots!
En moeder niet minder natuurlijk…
Grappig om nu te bedenken dat deze poncho een kleine revolutie was op handwerkgebied thuis.
Omdat moeder naast het breien nu tevens haken kon, leerde ze mij ook deze techniek..
En daar ben ik nooit meer mee gestopt.

Op een gegeven moment mocht ik op het naaimachientje van moeder naaien.
Een Singer handnaaimachine.
Er ging een nieuwe wereld open, vol vergezichten van zelfgemaakte poppengarderobes.
Mijn pop Marion had intussen een Walk-in Closet, waar menig vrouw jaloers op zou zijn.
Gehaakt, gebreid, genaaid, het werd steeds leuker om mijn creativiteit de vrije loop te laten, waarom de kleertjes steeds leuker werden.

En toen….tromgeroffel…het werd Sinterklaas.
Ik meen dat ik 12 jaar was, deze 5 december.
We hadden een voor en achterkamer gescheiden door 2 schuifdeuren met prachtig glas.
In beide kamers stond een kachel.
Van kleins af aan, zongen we op Sinterklaasavond voor één van die kachels onze serenade voor Sint en Piet.
Ze reden immers te paard over de daken van de huizen?
Brullend gilden we de liedjes, in de hoop Sint goedgunstig te zijn, zodat hij Piet door de schoorsteen naar beneden zou sturen om ons van cadeaus te voorzien.

Dat jaar, 1972, geloofde ik van de 365 dagen alleen nog op 5 december in de goedheiligman, je wist het immers maar nooit…
Na de warme poeiermelk, gemaakt van Benco en verse melk, de melk ja, met die heerlijke roomvel er bovenop…, en het knapperig warme banket, mocht ik met mijn andere zusjes het huis doorzoeken.
Er zou ergens een enorm cadeau voor me staan!

Ik rende opgewonden van de ene ruimte naar de andere, de trappen op naar zolder en de andere slaapkamers.
Op zolder stond een groot ingepakt iets.
Zou het dat zijn?
Ik pakte het beet, en ging de steile trap af, waarbij ik bijna struikelde omdat het cadeau een te groot en erg onhandig pakje was voor kinderhanden.
Wanneer ik er nu nog aan denk…als ik toch gevallen was!
Wat een drama zou dat zijn geweest.
Het was namelijk het cadeau voor vader!
Ook nu, 46 jaar later, staat het nog in de vensterbank bij vader en moeder ; een prachtige glazen wereldbol.
Als een baken ; hier wonen ze, mijn lieve ouders, zie ik al van ver het lampje in de bol schijnen.
Ik vind het elke keer weer prachtig, die wereldbol, die al vele kinderhandjes plezier hebben gegeven door het draaien om zijn schuine as.
Tegelijk huiver ik, bij het zien van dit vintage cadeau voor vader nog steeds, want wat als…

Mijn eigen cadeau moest dus nog ontdekt worden.
Met bezweet gezicht rende ik van kast naar kast.
En daar stond hij…in de diepe kast op de slaapkamer van vader en moeder, mijn cadeau!
Ik kan er nu nog tranen van in mijn ogen krijgen, in een rode skai leren hoes stond in de donkerste hoek van de kast verstopt, mijn eerste echte elektrische naaimachine!
Helemaal alleen voor míj!
Wat een kostbare schat, als 12 jarig meisje was ik de enige in mijn klas die haar eigen naaimachine had!
Er zullen natuurlijk kinderen zijn geweest die gedacht hebben :”boeien…”, maar mijn hemel, ik was de koning te rijk!
Vanaf nu begon het echte werk, ik was zo opgewonden en zo blij dat vader en moeder dit voor me gekocht hadden.

Ik weet nog goed dat een klasgenootje zei, “ dat alleen maar?”
Ze had zelf een echt gouden horloge gekregen, en begreep in haar kind denken niet wat deze schat voor mij betekende.
Gek hè, dat zulke details je zo bij blijven?

Ach Alice, fijn dat je zo goed bij de tijd was.
Ik had in mijn naaimachine een stuk vrijheid gekregen die mijn fantasie nog meer zou prikkelen op de snelweg van het leven, vol veel te snel voorbij sjezende moordwapens, want zo zie ik het soms, en de levensgevaarlijke tegen de richting in spookrijders.

Mijn creativiteit, fantasie en beelddenken…
God wat ben ik dankbaar voor het nog steeds kinderlijk plezier daarin.

Met mijn zusje,en moeder in het complot, hadden we een klapper van de avond bedacht.
Van watten en touw had ik een rollade gemaakt, die moeder overgoot met het bakvet van de tartaartjes.
Het was net echt!
Warm en geurend kwamen we er de kamer mee binnen, ons fop cadeau voor vader.

Nooit zal ik zijn blijde gezicht vergeten.
Hij rekende op een tartaartje, en daar lag op het prachtige bord van het Bavaria servies een voor die tijd best kostbaar stuk varkensvlees.
Deze traktatie stond vaak alleen met Kerst op tafel, samen met gestoofde peertjes en aardappeltjes.
Mmmmm, heerlijk.

Vader kon zijn ogen niet geloven, en glunderend begaf hij zich naar de keuken om zijn rol eer aan te doen…de man die op zondag het vlees snijdt!
De opgewonden en enigszins met schuld beladen hilariteit voel ik nu nog, wanneer ik het plaatje voor me zie.
Vader die het mes er natuurlijk niet doorheen krijgt…
Hij is gefopt!
Wat hebben we gegierd om deze mop, terwijl tegelijkertijd de verbaasde teleurstelling op vaders gezicht een gevoel van gêne gaf.
Ik vond het zo verschrikkelijk zielig voor hem…
Een gigantisch geslaagde grap, waarvan het leedvermaak ontzettend veel lol geeft, en ook een beetje schaamte…
Ghighi

Vader, wil je het me vergeven?
Om Jezus wil…

( Opgedragen aan Vader, als goedmakertje )


Een kloddertje roze hier, een kloddertje roze daar…

In 1980 “ draaide” op tv de serie “ de familie Knots “
Wat een ongelooflijk plezier heb ik daaraan beleeft.
Het prikkelde mijn fantasie en was een vluchthaven op de snelweg van gevaar en tegemoetkomende spookrijders.
Mijn hemel, wat een gekkigheid van oma Knots, de voor mij meest favoriete persoon in de serie.
Die keer dat ze dronken was…hahaha, opa Knots die haar over zijn schouder gooide.
Lallend en kirrend hing ze daar, als een slappe pop, het enige wat haar interesseerde was nog een slokje nemen uit de fles jolijt en gein.

Tante Til de artistieke en knotsgekke kunstenares, met haar kloddertje roze hier en haar kloddertje roze daar, het is een prachtig voorbeeld om mijn eigen leven zelf roze te kleuren.

Ik vind dat een heel groot cadeau, dat zelfs door het beleven van allerlei zeer niet kapot gegaan is.
Soms denk ik dat het in plaatjes kunnen denken mijn overlevingstactiek is geworden.
En dan vooral omdat ik mij Vader op die manier zo goed voorstellen kan.

Christen zijn betekent voor mij kind zijn, naïef en goedgelovig alles aan nemen wat Vader zegt.
Omdat Hij het zegt, is het ook zo…
Als Hij zegt dat ik bij Hem schuilen mag als onder de vleugels van een moederkloek, dan doe ik dat.
Ik ga bij Hem op schoot zitten en weet me geliefd.
Ik voel het niet altijd, ik wéét dat het zo is; omdat Hij het zegt.
Hij zegt dat ik goed genoeg ben, ja zelfs dat ik zéér goed ben, dan is het zo, omdat Hij het zegt…

Omdat mijn fantasie me op dat punt erg tegemoet komt praat ik gewoon met Hem, en met Jezus.
Omdat Hij zegt dat ik een schaapje van Zijn kudde ben, en dat schaapjes de stem van de Herder verstaan, vraag ik Hem met de oren en ogen van mijn hart te horen en te zien wat Hij zegt.
Het is prachtig, met je ogen zien wat er gezegd wordt.
Een feestje!

Natuurlijk vergt het oefening.
En je moet het willen.
Met Hem in The Secret Place te zijn…waauw.
Dat is niet voorbij gegaan nadat Hij terug ging naar Vader.
Door Pinksteren zijn we juist veel rijker dan alle profeten uit het Oude Testament.
Je zintuigen daarin trainen is geen moeilijke opgave.
Weet je waarom niet?
Omdat Vader snakt naar contact met Zijn kinderen.
Kom op, mijn Vader, hij wil cantact van hart tot hart, ik zou toch wel gek zijn Hem en mezelf dat te onthouden?
De schepper van hemel en aarde heeft alles gedaan om het mogelijk te maken als Zijn kinderen op schoot te springen en Hem aan Zijn haren te trekken.
Te sabbelen aan Zijn oorlelletjes en te overladen met natte zoentjes.
Precies zoals een kind dat kan doen!
Trappelend van ongeduld op schoot staan omdat je simpelweg psalm 81 hoort zeggen :” opent uwe mond, eist van mij vrijmoedig…op Mijn trouw verbond !”

Laatst was ik in de Keukenhof, en zag daar jonge meiden met een krans van Narcissen om hun hoofd lopen.
Degene met wie ik o.a. daar was vond dat belachelijk, zo overdreven en aandacht trekkerig.

Ik zou het liefst altijd zo’n bloemenkrans in mijn haar doen.
Omdat ik weet dat ik geliefd ben.
Omdat ik supertrots op mijn Papa ben, die al die mooie bloemen speciaal voor mij gemaakt heeft.

Waar ik verdriet van heb, is om me heen kinderen van Vader te zien worstelen met het feit geliefd te zijn en daarom geen krans van Narcissen durven dragen.
Er van uitgaand geen recht te hebben op zoveel goedheid en plezier.

Het zelf niet goed genoeg zijn vindt dan vaak ook de ander niet goed genoeg om een bloemenkrans te dragen.
Het jezelf meten, meet tevens voortdurend de ander.
De basis gedachte achter je niet geliefd weten is Altijd zelfveroordeling.
Zelfveroordeling praat in principe de aanklager na, ik ben niet goed genoeg!
Hetzelfde over jezelf zeggen wat satan over je zegt.

Terwijl Jezus aan het kruis voor elke zonde betaald heeft, overbetaald zelfs, papagaaien kinderen van God satan na: “ ik ben slecht, ik ben een zondaar.”
Lieve broer en zus, dat is toch een grote belediging voor Jezus?
Een ontkenning van het kindschap van Vader?
Hij zegt in 2 Corinthe 5: 21 dat ik, u, jij “ de Gerechtigheid Gods in Jezus Christus ben(t) !

Schatrijk erfgenaam ben ik!
Om recht te hebben op een erfenis moet het familielid eerst dood gaan.
En dat is gebeurt.
Mijn broer, Jezus stierf zodat de erfenis in mijn schoot geworpen is.
Met die belofte dans en trappel ik van ongeduld op schoot van Vader, en sla Hem eerbiedig gesproken, met Zijn beloftes om de oren.
Hij moedigt me aan dat te doen zoals Hij zegt in Zijn woord.

‘Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.’
‭‭Hebreeën‬ ‭4:16‬ ‭SV1750‬‬
http://bible.com/165/heb.4.16.sv1750

Waauw, wat een schitterende woorden!
Ik sta op en schitter omdat de luister van de Heer over mij opgegaan is!

Psalm 22 zingt:
Ik ben verblijd, wanneer men mij
Godvruchtig opwekt: “Zie wij staan
Gereed, om naar Gods huis te gaan.
Kom, ga met ons, en doe als wij.”
Jeruzalem, dat ik bemin;
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Jeruzalem is wel gebouwd,
Wel saamgevoegd: wie haar beschouwt,
Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.

Wanneer we samen gaan optrekken en belijden “ ik ben de gerechtigheid Gods in Jezus Christus, ik ben Rechtvaardig in Hem “
verandert er eerst iets in je eigen hart, daarna in je omgeving.
Omdat alles en iedereen buigen moet voor die rechtvaardigheid.
Elke duisternis, elke leugen, elke schuld, alle schaamte moet zijn ongelijk bekennen voor de waarheid van het volmaakte offer van Jezus, en zal de benen nemen!

Omdat ik dat zeg?
Welnee,
Omdat Hij dat zegt!
Punt!

Kom pak het palet en de kwast, en klodder hier en daar wat roze…
Het roze dat een menging is van Rood en Wit.
Bloed en Water dat uit de doorstoken zij van Jezus kwam, nadat Hij Zijn geest overgaf aan Vader en eindelijk rust vond om Zijn hoofd neer te leggen.
Offerbloed van hét Lam, er is recht gedaan!
Badwater van het geloof om schoon en rein gewassen de erfenis met vreugde in ontvangst te nemen.

Kom ga met mij…

Vissend schaapje.

De mannen in de vissersboot worden een beetje uitgelaten,
Petrus als eerste, doet zijn lange vissersgewaad uit,( hoe ze daarin werken kunnen is me een raadsel )en springt overboord.
De anderen volgen al snel, waarna het al gauw een stel kleine kinderen lijkt, proesten en spartelend plezier makend in het water van de zee.

Ik kijk mijn ogen uit…
Een stel stoere knappe mannen, het is een lust voor het oog.
Zo vaak kan ik nou ook weer niet genieten van zo’n jolig gezelschap van het andere geslacht, dus ik ga er eens goed voor zitten.
Gelukkig heb ik een grote zonnebril op mijn neus, zo kan ik me stiekem vergapen aan deze spierbundels en sixpacks…
Ghighi, wie weet vinden ze het zelfs wel een beetje leuk, een jonge vrouw die hun “bespiedt “
Het is een grappig schouwspel.
Even vergeet ik de last in mijn eigen hart.

Ondertussen zie ik van de andere kant nog een man het strand op komen slenteren.
Hij zet zich zo’n 50 meter verderop neer in het zand.
Ik zie dat hij ook geïnteresseerd is in de groep kind- jongetjes, die hij geamuseerd glimlachend gade slaat.
Deze klimmen ondertussen één voor één weer aan boord om zich in de zon te koesteren aan de warmte.
In mijn ooghoek zie ik een rookpluimpje opstijgen bij de net aangekomen man.
Hij is bezig een vuurtje aan te maken van wat bij elkaar gejut hout.

Ik bekijk deze man nog een goed, hij heeft iets bekends over zich.
Waar heb ik hem toch eerder gezien?
Ik pijnig mijn hersenen maar het komt niet boven.
Gebiologeerd blijven mijn ogen aan hem plakken, en hoop dat ik niet te vrijpostig over kom, al begin ik me ook wel wat te generen voor mijn gestaar.
Straks komt hij nog met een centenbakje…

Hij roept wat naar de vissers;
“Kinderen, hebben jullie iets te eten”
Grappig, hij noemt deze stoere spierbundels, nou ja eentje dan niet zo, kinderen.
Maar ja, ze hadden niets gevangen natuurlijk, dus dat zeiden ze ook.
De man geeft een buitengewoon vreemde opdracht, recht tegen alle regels van het vissen is, zegt hij dat ze hun net niet een bakboord, maar aan stuurboord uit moeten gooien.
Het is ochtend dan ga je niet meer vissen toch?
Hij weet helemaal niets van vissen, dat blijkt, of alleen om ze te bereiden waarschijnlijk.

Maar Petrus en zijn vrienden hebben er zo te zien wel vertrouwen in.
En ach, baadt het niet, dan schaadt het niet…
Het baadt!
Al snel roepen de vissers dat het net niet te tillen is.
Het barst van de vis.
Wie is toch die man?
Is hij heer over de vissen, en heeft hij ze deze kant opgestuurd?
Recht in het net van deze groep mannen?

Wanneer de mannen met het overvolle net aan land komen, ligt er al vis en brood op het vuur, waar de vissers zelf ook een paar van hún gevangen visjes bij mogen leggen.
De man, waarvan ik noch steeds niet weet waar ik hem ontmoet heb, blaast het vuur goed aan.
Het gaat prachtig smeulen, roodgloeiend gaart het de visjes en het brood.

Het is net alsof alles wat deze man doet een dubbele betekenis heeft.
Of hij nou zwijgt, spreekt of handelt.
Wie is hij toch?
Zou hij mij verlossen kunnen van mijn schuld en schaamte over de moord op de timmerman?
Zou ik aan hem durven vertellen dat ik niets gedaan heb om te voorkomen dat een onschuldige man gedood werd.
Ik wist het al lang te voren, ik had voorkennis.
Die blik van die man, het is in mijn ziel gebrand.
Als het merkteken van een slavin, heef de blik van de man die nacht, oh díe nacht, waarin ik hem verraadde, een eeuwigdurende tatoeage in mijn hart geprikt.

Waarom deed hij zelf dan ook niets, hij stond daar maar, als een lam dat naar de priester werd gebracht om als zondoffer geslacht te worden.
Hij droeg zijn boeien zoals ik mijn gouden en zilveren armbanden draag.
Het leek zelfs wel of er bedels rinkelden, maar ja, dat zal mijn fantasie wel geweest zijn.
Misschien sus ik mijn geweten door mezelf wijs te maken dat hij het zelf wilde, hij wilde dood gaan…
Hij sloot mij zelf buiten, toch?
Maar waarom dan?
Waarom koos hij de dood?

Uit de diepte van mijn ellende klinkt een rauwe schreeuw;
“ wie zal mij vrij spreken van mijn grote schuld? “

Meteen schaam ik me daar dan weer voor.
Schuld op schuld, schaamte op schaamte…oh God, de berg wordt steeds hoger en onbegaanbaarder.
De man legt zijn visje neer, en komt naar me toe lopen.
Nee zeg, ik heb het feestje verstoort, het was zo gezellig, en nu heb ik het bedorven!
Hij zal me vragen mij een beetje in te houden, en mijn geschreeuw voor thuis te bewaren.
Maar ik heb niemand aan wie ik het vertellen kan, iedereen is schuldig.
Zelfs die Petrus met zijn stoere spierballen, is weggelopen en huilde later bittere tranen.
Hij denkt dat ik het niet gezien heb, maar ik stond ook buiten te huilen van verdriet om de timmerman.

Ik krimp alvast wat in elkaar, en bereid mijn 1000 maal excuses voor, wanneer er een hand op mijn schouder wordt gelegd.
De man gaat naast me zitten, pakt mijn gezicht en kijkt me aan.

Bliksem en donder…
Mijn hoofd barst bijna, ik hoor alles in me suizen.
Alsof de regen met bakken uit de hemel komt en ik samen met hem onder een paraplu zit en deze vierkante meter de hele wereld is.
Samen met hem, in een cocon, terwijl het om me heen noodweer is.
Alsof deze stortbui lang van te voren is aangekondigd, precies voor nu, op deze plek, met deze man!
Hij is het, hij…
Nu begint het ook uit mij te stromen, een eindeloze stortregen tranen van pijn en schuld.
Ik voel me vreselijk ongemakkelijk, en toch zo veilig vertrouwd.
Als een moeder legt hij zijn armen om me heen, zonder mijn tranen te willen smoren.
Hij geeft me de ruimte en die neem ik.
Zijn blik spreekt enkel liefde en erbarmen.
Zijn glimlach moedigt me juist aan mijn tranen er tot de laatste uit te persen.
Alles komt samen, zoals in die nacht bij het vuur.
En wij, hij en ik, we zijn het middelpunt!
Hij geeft me zelfs het gevoel dat alleen ik dat ben, ik ben zijn middelpunt.
Hij hoeft niets te zeggen, de stortbui heeft alle stof weg gewassen.
Hij stond daar voor mij.
Hij was geboeid zodat ik vrij kon zijn.
Hij werd geslagen zodat ik heel mag zijn.
Hij koos de dood, zodat ik leven kan.
Hij stond op, gelukkig het is waarheid, hij stond op uit het graf, en ik lig in zijn armen, hier op het strand van Tiberias.

Liefdevol zegt hij:
“ dankjewel dat je mijn dood niet voorkomen hebt.
Dat je me de Via Dolorosa liet lopen, en toestond dat ik aan het kruis werd getimmerd, ik de timmerman uit Nazareth.
Ik werd door de hamer en spijkers van mijn vader zelf daar aan geslagen, het moest, het was het enige wat de muur tussen jou en mij in kon laten storten.”

Inderdaad, de muur om mijn hart is verdwenen, hij mag alles zien!
Met zijn mooie lippen kust hij mij hartstochtelijk, als een bruidegom die voor het altaar wachtte op zijn bruid.
Hij wachtte op mij.
De sluier van schuld is weg, en hij kust me…
Ga door,
Ga door…

Aan zijn arm heeft hij een glanzende slavenarmband die hij voorzichtig afdoet en om mijn pols schuift.
“ nu ben je van mij, mijn duifje, wil je dat?”
“Ja, Heer, dat wil ik” fluister ik vol ontzag.
“ ik ben zo trots op je, lieveling, dat je de moed had aan Petrus te vragen of hij bij mij hoorde.”
Daarmee was je de de spil van een oude profetie.”
Je mocht een visje van jezelf bij mijn visje leggen.
Wat een samenwerking mijn liefste.
Voortaan ben je visser van mensen.”

“Kom mijn duifje, je mag erbij zijn als ik Petrus herder ga maken van mijn kudde lammetjes.”
Wat een eer, ik ben zo gelukkig!

Ik heb een nieuwe baas, en mijn slavenarmband is het bewijs!
Glanzend bungelt hij als door de hemel verlicht om mijn pols.
Het zal iedereen opvallen, dit prachtige sieraad!
En dan mag ik vissen…

Maar nu eerst naar Petrus.
Ik ben het eerste lammetje dat hij weiden mag.
Hoeden mag,
Voeden mag.

Bêh, bêh , ik ben een levend offer voor het Offerlam!
Een levende steen in de verlovingsring aan zijn vinger.
Ik schitter…

Kukeleku op de glijbaan.

Het is al dagen snikheet.
Niet dat ik zelf bezwaar heb hoor,ik vind het heerlijk.
Gisteren in de namiddag ben ik naar het strand van de zee van Tiberias gegaan om na mijn werk in het paleis van de hogepriester wat verkoeling aan het water te zoeken.
Omdat ik de hele nacht op het strand gebleven ben was ik getuige van het tevergeefs ploeteren van een een groepje vissermannen.
Ik dacht nog: “ probeer het eens aan andere kant “ maar ja, zij zullen het wel weten toch?
Volgens mij hebben ze niets gevangen en dobberen nu maar wat vlak voor de zachte branding.

Omdat ze nu dichterbij zijn kan ik hun goed verstaan en hoor dat de leider van het groepje Petrus heet.
Ik kijk nog eens goed, en ja hoor, mijn vermoeden wordt waarheid; dit is één van de volgelingen van die Jezus van Nazareth.
De andere mannen zullen daar dan ook wel bij horen.

Maar die Petrus…die ken ik.
Daar zal hij wel niet blij mee zijn denk ik.
Wat een nacht was dat zeg!

Het was al jaren aan de gang, de toenemende woede over die timmerman uit Nazareth moest wel tot een uitbarsting leiden.
Mijn werkgever, Anas, de schoonvader van Kajafas de hogepriester, liep soms paars aan van woede.
Nadat in Bethanië een al 3 dagen in het graf liggende dode was opgewekt door de timmerman, is de raad in spoedzitting bijéén geweest.
Het moest afgelopen zijn, die man uit Nazareth deed tekenen en wonderen, en hun macht, die van de hogepriester, overpriesters, Farizeeën en schriftgeleerden, werd totaal ondermijnd.
Straks hadden ze niks meer te zeggen!
En wat te denken van de Romeinen, die zouden het op een gegeven moment op hún gaan verhalen, al die onrust en opwinding in het land.

Ik bediende de vergadering van eten en drinken, vandaar dat ik alles goed volgen kon.
Diep van binnen heb ik een afkeer van deze mannen, opgeblazen en arrogant liggen ze aan de overdadig gevulde tafels.
Soms, in het voorbijgaan, geeft iemand van hun me een klap op de billen, of trekt me naar zich toe om me met zijn vieze vette lippen te kussen.
Bah, de hogepriester Kafafas schatert het dan uit, wat de overige aanwezigen aanmoedigt zich steeds vrijer te gedragen.
Het voelt voor mij dat deze zichzelf veroorlovende vrijheid hen steeds meer bindt aan iets sinisters, iets zo duister waar ze totaal geen grip meer op hebben.
Iets waardoor datgene wat vrijheid lijkt hun eigen ondergang gaat worden.


“Ik zie ze als kleine jongetjes de voor hun te hoge trap van een glijbaan opklimmen.
Hoewel een meetlat aangeeft dat ze nog veel te klein zijn klimmen ze hoger en hoger.
Boven aangekomen kirren ze van plezier over de afgrond die ze juichend in steeds snellere vaart tegemoet glijden.
Haantjes op de glijbaan”


Kajafas was na uren beraad gaan staan om iets te zeggen.
Hij was het spuugzat, en wilde naar bed.
(Waar hij volgens mij geen oog deed, zo hield de kwestie “Jezus” hem bezig.)

“Jullie hebben er de ballen verstand niet van.
Beseffen jullie dan niet dat het in ons aller belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat.”

Ik kon het niet helpen, maar de rillingen liepen me over de rug…
Het was alsof alles wat eeuwen hiervóór door onze profeten gezegd is, naar deze uitspraak had gewezen.
Tegelijkertijd was het onbegrijpelijk,de hogepriester, degeen die één keer per jaar het heilige de heiligen binnen ging, om verzoening voor het hele volk aan Jahweh te vragen, die een zo duivelse uitspraak deed.
Iets klopte er niet, en toch klopte het.

De hemel en de hel kwamen samen, leek het wel.
Ze waren het allebei eens, de strijd tussen licht en duisternis moest eindigen in de dood van één van hun.
Maar dat de hemel daarin meestemde is voor mij een groot mysterie.
Ik ben maar een eenvoudig meisje, en weet niet zoveel van Jahweh, maar dit houd me al weken bezig.
Ik durf ook niet echt te vragen aan Jahweh hoe dit nou in elkaar zit, maar het liefste zou ik het volgende willen zeggen:
“Heilige God, hoe kunt u goedkeuring geven voor de moord op iemand die alleen maar goed doet.
Wanneer U dat oké vindt, dan vindt U het dus ook oké dat satan een goed mens doodt?
Ik hoor de hel al lachen God…”

Hij zal wel erg boos worden over zoveel brutaliteit van een dienstmeisje.
Ik mijmer hier dag en nacht over, het laat me niet meer los.
Wat me het meest onrust geeft, ik voel dat ik het er óók mee eens moet zijn!
Dat is toch gek?
Het is idioot, dat een gewoon meisje als ik, van binnen wéét dat Kajafas gelijk had.
Alsof hij door alle monden, die van het verleden, én het heden, én de toekomst sprak!
Ook door die van mij, de mond van een dienstmeisje van de hogepriester.
Ik voel me er zo verschrikkelijk schuldig over.
Soms weet ik me geen raad meer ,omdat ik mee gedaan heb aan een moord!
Ik heb ermee ingestemd, ik heb het niet tegengehouden, alhoewel deze man alleen maar goed deed.

Maar naar wie moet ik nu toe met deze schuld?
Moet ik met een offer duifje naar de priester gaan om deze zonde te belijden, terwijl de priester ook besmet is door dezelfde zonde?
Kan ik, omdat ik hem dagelijks zie, naar de hogepriester gaan?
Ik heb al vaak op het punt gestaan dit te doen.
In de nachtmerries s’nachts durf ik het wel.
Dan val ik voor zijn dikke voeten neer, om vergeving te vragen, verzoening voor deze vreselijke zonde, moord!
Daarna word ik schreeuwend wakker, bang dat ik nu aan de buurt ben om gedood te worden.

Ik begrijp helemaal niets meer van mezelf, ik ben de weg kwijt.
Dat is het!
Ik dool maar wat, als een schaapje op zoek naar een herder.
Ik zou veilig moeten zijn in het paleis van de hogepriester, daar weten ze toch alles van Jahweh?
Maar het is alsof ik in het hol van de wolven ben, wolven die elkaar verscheuren, om niet zelf verscheurd te worden.

Het bloed dat in de tempel al die eeuwen van offeren een welhaast grote oceaan moet wezen, lijkt een poel waarin ik verdrinken ga.
Soms zie ik voor me dat ik radeloos en wanhopig op een hemelhoge duikplank sta, en onder me is die oceaan van offerbloed.
Kilometers diep kolkt het en lokt me te springen en erin ten onder te gaan.
En wanneer ik me dan wil laten vallen in dat bloed, omdat ik zelf ook vind dat dat de enige weg is, dat is wellicht het antwoord op mijn wanhoop, dan is het net alsof ik vanuit de hemel, die toch al dichtbij is op dat moment, vastgegrepen wordt.
Een warme vaderstem zegt; “nee, niet jij, iemand anders moet verdrinken in dat bloed…”
En dat klopt dan ook weer!
Ik ben bang dat ik door ga draaien, en weet vaak niet meer waar ik het zoeken moet van angst voor Jahweh.
Maar die vaderstem op de duikplank is óók van Jahweh …
Zou Hij dan toch niet boos op me zijn?

Maar…ik heb meegedaan aan een móórd!
Wel niet letterlijk, maar in mijn gedachten.
De timmerman is gevangen genomen en gedood, ook door mijn schuld!
Ik ben een lafaard…of een held…?

Vlak na zijn gevangenneming werd hij in het paleis gebracht.
De hele raad had zich opgedoft en zaten in triomf te wachten op het voorkomen van de gevangene, de timmerman uit Nazareth.

En toen, bij het vuur zag ik die Petrus!
Ik zei tegen hem: “jij hoort toch ook bij die man daar?”
Hij loog er glashard om!
Ik had het echt wel goed gezien, want later werd het hem nog twee keer gevraagd door anderen die hem ook herkenden als een discipel van de nu geboeide man.
Wat een held op sokken zeg!
Jarenlang heeft hij met deze goeddoende man opgetrokken, en nu hoorde ik hem bij hemel en aarde vloeken om maar te bewijzen dat hij de timmerman niet kende.
Ik schaamde me plaatsvervangend, en keek ondertussen naar die Jezus van Nazareth.
“Hoe zou hij dat vinden” vroeg ik me verward af.
In een ondeelbaar moment besefte ik plotseling dat ik óók een Petrus was…
Ik deed toch ook niets om deze wonderlijke man te verdedigen?
De andere kant opkijken, daar was ikzelf toch ook kampioen in?

Op dat moment keek Jezus óók de andere kant op…
Naar Petrus, en naar míj!
Onze blikken kruisten elkaar als in een knallende vuurwerkbom.
In die explosie was het binnenin, in de kern, sereen stil.
Stille acceptatie van iets ongehoord groots, iets wat niet eerder gebeurd was, iets wat de loop van de geschiedenis compleet andersom zou laten draaien.
Recht tegen al het eerdere, wat we geleerd hadden dat dat goed was, in.
Iets in dat omdraaien naar degene die zich omdraaiden, Petrus en ik, ook ik, was een vinger op de mond: “ ssst! stil maar, wacht maar…”
Die ogen zeiden dat ik moest zwijgen, dat ik niet het recht had de boeien van de timmerman af te doen.
Het moest gebeuren!
Hij wilde dit!
Ik wilde het,
Ik wilde het niet!
Die blik dwóng me zelfs me van hem af te draaien, en zo hem mijn rug toe te draaien.
Ik draaide me om, tegelijkertijd met Petrus, en hoorde een haan jubelend kraaien, een nieuwe morgen!


Deze man wílde sterven, hij koos er zelf voor leek het wel.
En hij stierf ook.
Dezelfde dag nog is hij door de Romeinen gekruisigd.
Voor hem geen nieuwe morgen!
Nou ja, eigen schuld dan maar…


Ik was naar strand gegaan, om bij te komen.
Niet meer teveel na te denken over de afgelopen tijd.
Het weg te stoppen.
Maar nu gaat het gerucht dat de timmerman uit Nazareth is opgestaan uit de dood…
Mijn hemel, ik kom niet meer van hem af,
Hij is niet meer weg te stoppen.

Oh, help…wanneer stopt dit in mijn hoofd?
Sinds die blik…
Is het nog wel te stoppen?
Die man zit in mijn hoofd…
Ik zoek naar een knopje om hem uit te zetten,
Ik zoek naar een knopje om hem aan te zetten…
Aan
Uit

Whhhaaaa, wie gaat me verlossen…

(Wordt vervolgd )

‭‭

Schrijven in “ik” vorm

De verhaaltjes die ik hier deel zijn grotendeels in “ik” vorm geschreven.
Dat wil niet zeggen dat het altijd over mezelf gaat.

De bijbelse verhalen schrijven komt voort uit het zien van de film ” Mary Magdalene”
Ik kan wel stellen dat deze film een verlangen in mij aanboorde:”Was ik daar maar bij geweest”
Vanuit dat verlangen, ben ik de bijbelse verhalen gaan schrijven, alsóf ik erbij was.
Iemand waarvan in principe weinig bekend is, in een punt van het verhaal zetten, en daarna Jezus in het midden.

Want deze Jezus is het centrum van mijn eigen verhaal, die in Zijn liefde mij in het centrum van Zíjn verhaal geplaatst heeft.

Ik hoop jou in het lezen ook te raken met deze onvoorwaardelijke liefde.

Tijdens het schrijven biggelen de tranen vaak over mijn wangen, tranen van ontzag, tranen van verdriet over de pijn van b.v. de overspelige vrouw, tranen van vreugde en blijdschap, tranen van ontroering bij het bedenken van een zó grote liefde.
Omdat ik een beelddenker ben, en net als ieder ander door het leven gebutst, zie ik het verhaal als in het theater voor me, en is het niet moeilijk me in te leven in de emoties van mijn hoofdpersoon.
Ik zie ze voor me en breng ze naar Jezus.
Zo breng ik tevens mezelf daar, waar Leven is.
Op die manier word ik toch weer één met de persoon waar ik over vertel.

Verhalen zoals b.v. over het schoolreisje, zijn zeker biografisch.
Het is grappig om op deze manier mijzelf weer als klein meisje te bezien.
Ik hoop tevens nog steeds een klein meisje te zijn nu ik ” groot ” ben

Veel lees plezier!

Tiny

Lees verder Schrijven in “ik” vorm

Een hoer in de duiventil.

image_549867321595675

( Vervolg Dode Zee privé )
Het is een dag later, de dag nadat ik een man vanaf het tempelplein hoorde roepen:

“Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.”

De avond verliep zoals alle andere; mijn buideltje is nog meer gevuld, mijn ziel nog dichter bij de afgrond.
Ik heb het gevoel dat ik in een vrije val ben beland, die niemand meer stoppen kan.
Ik zelf zeker niet.
De vrome mannen, die hier stiekem mijn deur plat lopen ook niet.
Hun klop op mijn deur gisteravond, was als het slaan van een hamer op de spijkers in het hout.
Één van mijn klanten had het nog over de man die water uitdeelt.
Spottend noemde hij hem de “de timmerman die God speelt”
Het klonk verschrikkelijk gemeen.
Later stonden verschillenden voor mijn deur te smoezen.
Zouden ze wat in hun schild voeren?

Nu is het al ochtend, maar oh, wat ben ik moe.
Alle leven lijkt uit me weggevloeid, ik heb geen moed om op te staan.

Nee hè, weer die klop…
“Laat me met rust” wil ik schreeuwen, en rol me als een foetus in de baarmoeder in mijn bevuilde lakens.
Op nieuw geboren worden, zonder smet, zonder schaamte, zonder balast, zonder schuld.
Oh, die schuld …

Plotseling wordt mijn deur opengetrapt, en staan ze aan mijn bed; mannen van de Wet, hoeders van het geweten.
Zij weten precies hoe ík moet leven.
Ruw wordt ik beet gegrepen en meegesleurd naar het tempelplein.
Hun triomfantelijke gezichten doet me alle adem uit mijn longen knijpen.
Doelgericht word ik vlak voor de voeten van een andere man neergesmeten.
Als een trofee, die zijn waarde bewezen, maar nu geen nut meer heeft, lig ik daar.
Of is dit het uiteindelijke doel van mijn bestaan geweest?
Dat ik hier lig, in het stof van het tempelplein, de grond waar duizenden offerdieren naar het altaar gebracht zijn om als zondoffer geslacht te worden?
Het zand, waar miljoenen voetafdrukken staan, voeten van hunkerende zielen zoals ik?
Ik rol me op, en zoek in mijn fantasie de beschutting van de moederschoot.

De mannen die me hier gebracht hebben, beginnen de meest erge dingen over me te zeggen.
“ deze hoer, deze slet, spreek recht over haar, zoals de wet van Mozes gebiedt.”

Ze hebben gelijk, oh ja, ze hebben het recht me hier neer te gooien.
Ik ben een hoer, mijn gebruike lijf is het omhulsel van een zwart hart, inktzwart, zwart als pek, kleverig en vies, zodat er steeds meer vuil aan blijft kleven.
Er is geen bad ter aarde dat mijn vuil af kan wassen.
Het is een droom, een utopie om als een een pasgeboren baby nieuw te zijn.
Ik krimp in elkaar van schuld en schaamte.
Mijn armen voelen als lam geslagen vleugeltjes, ik voel me als een duifje dat maar geen stokje vinden kan om te rusten.
Ik verstop me, als in een rotsspleet, doodsbang dat iemand mijn zwarte hart zal zien.
Gooi die stenen van de wet dan maar, ik heb het verdiend!

De man, aan wiens voeten ik neergesmeten ben, gaat door de knieën en buigt zich vóór mij neer.
Een vreemde sensatie maakt zich van mij meester.
Terwijl de meute joelt in afwachting van wat komen gaat, bevind ik mij met deze knielende man in een serene stilte.
Alsof hij de denkbeeldige baarmoeder waar ik me verstopt heb, binnen gaat op zoek,naar…naar mij?
Met zijn vinger begint hij in het zand te schrijven, alsof hij de rotsspleet, waar ik als lamgeslagen duifje onzichtbaar hoop te zijn, en toch zo zielsgraag gevonden wil worden, open wrikt.
Mijn inktzwarte hart ziet in een flits vingers in steen de Wet van Mozes schrijven, dezelfde vingers aan dezelfde hand, de hand van deze knielende man.
De man, die afdaalt naar mijn niveau, één wordt met mij in het stof van het tempelplein, één in de stenen van de Wet.
Er begint een vlammetje te branden in mijn ziel, het flikkert als fladderende vleugeltjes van een pas uit het ei gekropen baby duifje.

De man staat weer op, en richt zich naar de hoeders van de wet.
Door de spleetjes van mijn dichtgeknepen ogen durf ik voorzichtig naar hem op te kijken.
Als een koning staat hij daar, fier rechtop, de minachting waarmee hij bekeken wordt, trotserend.
Zijn lippen openen zich om iets te zeggen, ik voel dat het héél belangrijk zal zijn!
Het zal de wereld veranderen, het zal alles op zijn kop zetten, omdraaien tot iets geheel nieuws…
Zelfs wanneer ik hier straks dood gestenigd met mijn bloed het zand rood zal kleuren, zelfs dán is hier iets geheel nieuws geboren.
Ja, ik verlang er zelfs naar om gedood te worden, ik heb niets anders verdiend, het kan niet meer anders; mijn zonde móet betaald worden met de dood!
Stenig me maar dood…
Wie gooit ?

Ik wacht op wat er gezegd gaat worden “wie zonder zonde is mag de eerste steen gooien” klinkt zijn stem waarna hij, de aanklagers volkomen negerend, weer voor mij neerbuigt om met zijn vingers het zand, te bespelen.
Om alleen met mij te zijn, samen te zijn, met mij!

De pijl!
Dezelfde liefdes pijl doorboord opnieuw mijn hart, om sidderend na te veren in mijn diepst verlangen, bevrijd te zijn van schuld…
Dit is de man die water heeft!
Het water waar mijn moegestreden hart als een jong en onbezonnen hertje naar smacht!
Deze man, die een bron heeft, waardoor ik ook een bron mag zijn!

Oh, het liefste wil ik opspringen en de hoeders van de wet bedanken.
Op mijn knieën voor hen neervallen en het uitschreeuwen van vreugde, omdat ze me bij de man gebracht hebben die water voor mij heeft!

Maar door door de haartjes van mijn wimpers zie ik ze één voor één vertrekken, hun voeten doen het stof opwaaien en bedekt de schrijvende handen en mijn gebruikte lijf.
De stenen gereed om te smijten, vallen nutteloos uit hun handen en getuigen, als het altaar in het midden van de Jordaan, van een nieuw verbond.
Ik wil hier blijven, met mijn tranen het stof van zijn handen en voeten wassen, en ze met mijn bezoedelde lippen kussen.
Laat me hier alstublieft liggen, hier ben ik veilig!

“Heeft niemand u veroordeeld?” vraagt hij.
“Niemand Heer”
“Dan zal ik u ook niet veroordelen.
Ga maar naar je huisje, en zondig niet meer”

Als een hertje dat uit een frisse beek gedronken heb, begin ik te rennen.
Dartelend over de heuvels van een nieuwe wereld, dans ik op op tippen van denkbeeldige spitzen,mijn woning binnen.
Ik gooi alle ramen open, mijn huisje dat nu een echt huis van plezier is geworden!
Ik ben een pasgeboren baby en heb gedronken aan een borst die melk en honing bracht.
Onder in de la van mijn linnenkast liggen naar lavendel geurend smetteloos witte lakens, waarmee ik mijn slaapkamer tot een bruidssuite maak, nadat ik de smerige gekreukte lakens in de haard heb verbrand.
In mijn badkamer laat ik het bad schuimend en geurend naar witte rozen vollopen, en hef mijn handen in lofprijs op.
Mijn armen zijn als vleugels van een duifje, wit als sneeuw, dat zich in de rotsspleet verborgen hield maar gezocht, gevonden en vrijgelaten is.

Jubelend zing ik,
“Ik ben van mijn Geliefde, en mijn Geliefde is van mij!”
Vrijgesproken;
Ik ben vrij!
Geringd vrij…

Dode Zee privé.

In mijn badkamer staat een prachtig bad.
Zo één op krullende pootjes.
Mijn romantische badkuip wordt gedragen door goudkleurig geverfde leeuwenenklauwtjes en staat in de bovenkamer van mijn woning, de plek waar ik op dit moment vertoef.
Ik zou me gelukkig moeten voelen, maar de werkelijkheid is dat mijn tranen het bad langzaam maar zeker vullen met pijn en verdriet.
Druppels die geuren naar schuld en schaamte vermengen zich als parfum met het zilte water dat in niet te stoppen stromen uit mij vloeit.

Ik hoef mij niet uit te kleden, ik ben al naakt.
Het enige dat ik draag is een buideltje geld, zojuist aangevuld door één van de schriftgeleerden uit de tempel.
Binnengekomen door een geheime ingang waardoor hij mijn huis ook weer verliet.
Met het vullen van mijn buidel raakt mijn hart steeds holler en leger.
Ondanks dat ik het onrustig voel bonzen onder de naaktheid van mijn borsten, lijkt het wel alsof ik geen hart meer heb.
Het voelt vanbinnen alsof ik een put ben die steeds sneller de bodem van mijn bestaan raakt.
Alsof mijn naaktheid bedekt wordt door het grof linnen windsel van een lijkwade, zo schurend en schrijnend is het zeer van eenzaamheid, afwijzing en verraad.

Mijn huisje dat vlakbij de tempel is, is een plek van plezier geworden voor mannen die alleen mijn lijf begeren, zonder mij zelf echt te kennen.
Niemand van hun weet de kleur van mijn ogen, laat staan dat van mijn hart.

Het raampje in mijn kleine badkamer staat op een kier, ik hoor vaag het geroezemoes op het tempelplein.
Het is vandaag de laatste dag van het Loofhutten feest, dus is het druk in de stad.

De wind draagt flarden geluid mee, dat zich mengt met de diepe uithalen uit het binnenste van mijn zijn.
Plotseling wordt mijn aandacht getrokken door een stem…een stem die ik nog niet eerder gehoord heb.
Ik spits mijn oren, deze stem eist gezag voor hetgeen gezegd wordt.
Luid en krachtig klinkt over het plein:

“Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.”

Het doorboort mijn hart, alsof iemand met een meterslange spies precies de plek in mijn hart die het meest pijn doet, raakt in de roos van mijn ziel.
Alsof vanaf het tempelplein een speciaal voor mij afgeschoten liefdespijl trillend van opwinding blijft naveren in het meest gehavende stukje van mijn hart.
Ik spring op uit mijn bad, ik wil weten wie dit roept.

Zenuwachtig kleed ik mij aan en ren de trappen naar beneden om op straat aangekomen te ontdekken dat er geen doorkomen meer aan is.
De mensenmenigte belet mijn voeten daar naar toe te rennen, waar iemand met water is.
Water waar ik naar snak.
Water waar mijn ziel, als een hert verlangend naar waterstromen naar hunkert, en vandaag bijna bereikbaar was.
Nog eenzamer dan vóór deze stem mijn hart doorboorde druip ik weer af naar de naakte waarheid van mijn bestaan.
Hoe kon ik denken dat deze man míj bedoelde?
Mijn droge ziel zal blijven dorsten, het water waar die man het over had, zal wel voor anderen bedoelt zijn.

De luikjes van mijn hart, die voorzichtig op een kiertje gingen, sluiten zich weer, ter voorkoming van nieuwe teleurstelling en pijn.
De stenen muur, waarachter mijn echte ik, het ik van een klein meisje, dat zo graag bij papa op schoot wil zitten, zich schuil houdt, is weer iets dikker geworden.

Er is geen schoot voor mij, en zeker niet die van een papa.
De mannen, die vaak zelf papa zijn van kleine meisjes, begeren míjn schoot, en betalen daar hun zilverlingen voor.

Wacht, ik hoor een zachte klop op mijn geheime deur.
Het sein dat ik nodig ben.

Haastig spray ik wat parfum uit één van de kostbare verzameling als afkoop geschonken kruikjes, en smeer een likje camouflage crème rond mijn rode ogen.
Niemand mag zien dat ik gehuild heb.
Ik moet de schaamte over de diepe schuld in mezelf verbloemen.
Niemand mag weten dat mijn lach een façade is, waaronder een niet te peilen leegheid schuilt.

Oh, had ik maar bij die man kunnen komen.
Die man die sprak over een bron, die nooit opdroogt.
De man, die mij vertelde dat ook in mij een nieuwe bron zal ontspringen, wanneer ik zijn water ga drinken.

Zou het waar zijn?
Zou er nog hoop zijn voor mijn opgedroogde put?

Snel, de klop op mijn deur duidt ongeduld.
Ik zal open doen…

( wordt vervolgd )

Psalmversje 10

( vervolg op “ Kouwe griezeltjes in de Python”)

Nudisten vinden het fijn om in hun blootje te recreëren.
Zelf heb ik gelukkig die drang niet, ik hou teveel van mooie en kleurige kleding.
Daar moet ik aan denken nu ik de man in de mooie mantel zie naderen, een mantel uit één stuk geweven.
De plek waar een andere man waarschijnlijk ergens in een rotsspleet, een plek waar de Garasenen hun doden begraven, zichzelf onbespied wanend, mij en de naderende groep
bespiedt.
Naakt, temidden van de doden…

Dichtbij genoeg voeg ik me onopvallend bij de vissermannen.
Ik voel dat de leider, de man met de mooie mantel een doel heeft.
Vastberaden, fier en trots beklimt hij de stijgende rotsachtige grond.

Als uit het niets ligt ligt plotseling deze levende dode aan de voeten van de man met de mooie mantel.
Deze zegt iets tegen de bezetene, iets wat ik niet kan verstaan.
Daarna schreeuwt de naakte man met rauwe stem het uit; “Wat hebt U met mij te maken, zoon van de Allerhoogste God?
Ik bid U, doe mij geen pijn!”

Hè, is dat de zoon van God?
Ik bekijk hem nog eens goed, maar krijg daar helemaal de tijd niet voor, ik moet nu vooral letten op de dingen die gebeuren gaan.
De zoon van God is bewust hier gekomen, dat merk ik aan zijn hele houding.
Hij legt zijn hand liefdevol, zonder angst op de naakte schouder van de bezetene.
Door deze aanraking trilt de lucht als een naderend onweer, dat na een aantal dagen benauwend warm weer een belofte inhoudt van verkoeling en verfrissing.
Ja, het zal donderen en bliksemen, maar het brengt vruchtbare regen op mens en dier.
De hitte liet de mensen tussen de klamme lakens woelen, maar nu, na dit heerlijk ingrijpen van de natuur kan men weer rusten van de arbeid.

De zoon van de Allerhoogste God vraagt iets aan de bezetene.
De stem die antwoord kán nooit een menselijke stem zijn, onmogelijk!
Het is een stem uit een inktzwarte afgrond, die krijst van angst.
Angst voor deze man, de zoon van God, de man die een wonderlijk gezag uit straalt.
De stem die gilt als een bezetene is een boze geest…
De rillingen lopen me over de rug, en toch voel ik me veilig omdat het gezag van de zoon een enorme barmhartigheid uitstraalt.
Ik weet, het gaat goed komen!

“Ik heet Legio, gooi me alstublieft niet in de afgrond” klinkt het uit de afgrond…komisch vind ik dat!
Daaruit maak ik op wie hier de echte gek is, de echte idioot.
Dat is die boze geest, die zich Legio noemt.
Hij denkt zeker dat, omdat hij met duizenden is, die ene man bang voor hem is!
Wat een grote bek heeft hij, hoe durft hij…
En waarom vragen ze om niet in de afgrond gegooid te worden?
Daar wonen ze toch al?

Ik kan mijn lachen niet inhouden, ik schater het uit, zoveel domheid heb ik nog nooit meegemaakt.
Hier wordt de naaktheid van de leugenachtige duisternis even goed ontmaskert!

De kudde zwijnen, vlakbij gehoed door mannen met een taakstraf, begint plotseling krijsend als pasgeboren biggetjes, in één richting te rennen.
De herders stuiven verschrikt alle kanten op, waarna er geen houden meer aan is.
Alsof een andere herder hun met krachtige hand naar de plek jaagt waar ze horen, het dal van diepe duisternis.
En masse storten ze zich van de steile rotsen in het meer.
Zo, die veel te vette bedorven karbonaadjes liggen op het vuur!

De zoon van de Allerhoogste God legt zijn mantel om de schouders van de naakte man.
Wat een transformatie zeg!
Zo’n “voor en na” heb ik nog nooit op tv gezien.
De genezen man vraagt de zoon van God of hij met hem mee mag gaan.
Maar weet je wat nog mooier is?
Hij krijgt een opdracht!
Hij mag in zijn omgeving gaan vertellen hoe hij van naakt een prachtige mantel omgehangen kreeg.
Hoe hij van dood, levend is geworden.
Zijn huid, ontdaan van de diepe wonden, is vernieuwt als die van een adelaar.
Kijk hem eens stralen!

Wat ben ik blij met de gewoonte van vroeger, toen ik iedere maandag mijn psalmversje op moest zeggen.
Één van die psalmen begint met de mooie oude woorden te neuriën in mijn hart

Lees verder Psalmversje 10

Kouwe griezeltjes in de Python.

Omdat ik in het Noorden van het Heilige Land ben, heb ik het gebied van Gardara uitgezocht op zoek naar een leuke B&B.
Er heerst een vreemde sfeer in deze streek.
In de bergen rondom verbergt zich een verschrikkelijk enge man.
Naakt en gewond door zijn zelf-verminking is hij de schrik van de omgeving.
De mevrouw van het VVV zegt dat hij bezeten is, “bezeten” ik weet niet wat dat betekent.
Bovendien is de WiFi hier erg slecht, zodat ik ook niet even snel Mister Google kan raadplegen.

Ik begin te vermoeden dat het ook wel handig is, een dorpsgek.
In zekere zin is “de bezetene” een toeristische attractie geworden, en dat brengt geld in het laatje voor de plaatselijke horeca.
Wat ik triest vind is, dat de leiders van de kerk, de synagoge, de man vaak vast binden met een ijzeren ketting.
Dat zal dan wel met zo’n verdovingsspuitje gaan, zoals bij wilde dieren, want ze doen het in hun broek voor hem.
Eenmaal vastgeklonken gaat de omroeper rond, waarna een grote stoet mensen de man gaat beloeren.
Zoals een hoge sopraan het glas wijn in je hand, met het fluitje in haar keel laat barsten, zo breekt de ijzeren ketting wanneer de man springend van woede zijn ijselijk gegil laat horen.
De bange mensen rennen daarna in blinde paniek terug naar hun veilige huizen en doen de deuren op slot.
( De winkel in anti-inbraak spullen doet het vast ook erg goed hier )

Maar de leiders van de synagoge zouden toch beter moeten weten?
Ik vind het erg zielig, en vraag me af welke schreeuwer er nou gekker is, het natuurtalent in de bergen, of die kerkelijke omroeper? Maar ja, er wat van zeggen durf ik niet zo, want wie weet wat ze dan met mij gaan doen…

Terwijl ze de man dus een gekke idioot vinden, is het voor de bevolking hier ook best wel spannend.
“Zo’n vreselijk eng, maar toch leuk” belevenis.
Als dat je in de Efteling bent, waar alleen al de gedachte aan de Python je kramp in je buik bezorgt, maar toch stap je in de bek van dit monster om gillend van angstpret van de ene naar de andere looping een dollemansrit te beleven.

In feite zijn de mensen gewoon bang voor de arme man, omdat ze niet weten hoe ze met hem om moeten gaan.
Dan is het makkelijker om te gaan spotten en oordelen, zo werkt dat nu eenmaal bij mensen.
Dan hoef je niet na te denken over je eigen pijn…
( hmm, wat een psychologen wijsheid zo ineens…)

Maar gisteravond…sjonge sjonge, ik beleef zoveel bijzondere dingen hier in dit mysterieuze land!
Nadat ik me had geïnstalleerd in de kleine, maar zeer comfortabele kamer van het B&B ging ik op pad om een avondwandeling bij het meer van Galilea te maken.
De B&B eigenaar waarschuwde me ernstig voor de gekke naakte man, maar ik ben echt niet zo bang uitgevallen hoor.
Er zal ook wel wat overdrijving bij zitten.

Ik was nog maar net op pad toen er op het meer, zeer plotseling een verschrikkelijke storm opstak, die tevens net zo abrupt weer
stopte.
Het was alsof een duistere macht met een enorme garde in het water van het meer roerde, zoals je roert in een pan hete tomatensoep.
Doordat je veel te wild bent met de garde is je keukentje al gauw één grote rode tomaten puree spetter bedoening.
Verdorie, had je juist vorige week de muren wit gestuct, nu lijkt het wel alsof je verzwolgen wordt door een rood met witte stippen paddenstoel.
( ja,niet echt natuurlijk, maar omdat ik een rijke fantasie heb probeer ik op deze manier je duidelijk te maken hoe vreemd het was met die storm…sorry hoor, maar ik denk nu eenmaal in plaatjes!)

Nou goed,zo snel als het kwam, zo snel was het ook weer voorbij met die wit met rode stippen, uhh, rood met witte stippen paddenstoelen soep.
En dat was ook weer zo vreemd en onwerkelijk maar toch de werkelijkheid.
Luister, ik bedenk weer een plaatje…
De storm ging liggen alsof er een andere hand was, die de hand met de garde, je weet wel, die in de tomatensoep roerde waardoor…enfin, ik hoef het niet te herhalen toch?
Die onzichtbare hand strekte zich uit alsof het de hand van Mozes was.
Kun je je dat verhaal nog herinneren van zondagsschool over Mozes die met zijn staf op de Rode Zee sloeg,waarna er een pad door de zee kwam?
Alsof hij ook een enorm grote verdovingsprik had en de ballon van ver overschatte macht van Farao lek prikte, wat overbleef was een slap lapje rubber.
“Is hem dat nou?” zeg je dan verbaasd.
Ik zal hier niet te veel over uitweiden, want als het te lang wordt heb je straks geen zin meer het verhaal uit te lezen.

De storm ging dus meteen liggen, zodat mijn wandeling niet in de soep viel.
Door de onmiddellijke stilte na de storm raakte de atmosfeer bezwangert van een zoete aangename geur vol verwachting en uitzien naar iets groters.
Dat zal vast wel zweverig klinken uit de mond van een nuchtere Hollander zeker?
Ik roep nl. overal rond dat ik alleen geloof wat ik zie…

Waar ik wel van schrok is het ijselijke gegil dat vanuit de rotsen weerkaatste op het meer.
( hou je bek toch dicht man, oh sorry, maar ik genoot zo van de stilte )
Omdat het meer in een kom ligt, echode het gekrijs uren door voor mijn gevoel.
Ik ben bang dat ik dat van die dorpsgek, toch wat onderschat heb, laat ik dat maar eerlijk toegeven.

Vanmorgen op het nieuws hoorde ik trouwens dat er in die korte hevige storm een groepje mannen vermist wordt.
Dat is natuurlijk erg dramatisch.
Ze voeren met een viskottertje net onder de radar van de NASA satelliet,die op zoek is naar vissers die hun quota overschrijden.
Zo zie je maar weer, boontje komt om zijn loontje!

(Gelukkig weten ze hier niet zo veel van mijn privé omstandigheden af, ik ben ook zo’n lieverdje niet hoor…
En trouwens, ik lust best zo’n illegaal visje)

Na het heerlijke Joodse ontbijt, volgens de regels van de Thora bereidt, ga ik me snel omkleden, om bij dag een mooie bergwandeling te maken.
Misschien kom ik die gek ook nog te zien.
Maar ach, hij zal ook wel bek-af te zijn na dat gegil en gekrijs vannacht.

Al wandelend ben hem nu nog niet tegengekomen in ieder geval.
Wat ik wel tegemoet loop, is een kudde zwijnen…bah, ik hou niet van zwijnen.
Het woord alleen al; “zwijnen”
Brrr, ik krijg een onaangename griezel over mijn rug…zwijnen.
Dat doet me denken aan beesten uit een horrorfilm…

Wacht, beneden me zie ik in het haventje van het meer een viskottertje aankomen.
Verduld…dat is vast het vermeend vermiste scheepje!
Aangemeerd stapt de bemanning op de kade, zo’n 10 mannen, als ik het tenminste goed zie.
Ik pak mijn kleine zak verrekijker en tel 13 personen.

Mijn hemel, ik val haast in een rotskloof van pure opwinding…die man is er ook bij.
Die man met zijn prachtige mantel!
Opeens wordt het me een beetje duidelijk.
Dat van die pan tomatensoep en een wit met rode stippen paddestoel, en Mozes met zijn injectiestaf, dat heeft waarschijnlijk alles te maken met deze mysterieuze man in zijn mooie mantel!

Waar hij verschijnt begint het spektakel!
Val ik toch maar weer mooi met mijn neus in de boter.
Dit gaat leuk worden…

Het lijkt wel alsof hij mij volgt, vind je ook niet?

( Wordt vervolgt )

Geef mij heden een droog crackertje

Cruise met crackertjes

Mevr. Benepen is met vakantie.
Jarenlang heeft ze elk dubbeltje opzij gezet om een cruise te maken.
Daar droomde ze al vanaf haar jeugd van, en nu eindelijk, Mevr. Benepen is zojuist aan boord van het prachtige “ SS SOZO “ gestapt.
Een steward wijst haar de weg naar de hut, die ze maanden geleden voor zichzelf gereserveerd heeft.

Wat een weelde aan boord van dit schip!
De prachtige wenteltrappen naar de verschillende dekken benemen haar de adem wanneer ze haar voeten in het zachte tapijt zet.
Rijk gedecoreerd glas in lood, filteren het zonlicht in alle kleuren van de regenboog.
De majestueuze met zuivere diamanten bezette kroonluchters weerkaatsen fonkelend hun glans op de gezichten van passagiers en bemanning.
Om eerlijk te zijn vindt ze deze overdaad ook wel erg overdreven.

Het valt haar op, dat er geen verschil is gemaakt in rangen en standen, iedereen heeft eenzelfde comfortabele hut.
Mevr. Benepen vraagt zich ondertussen af, waarom de andere passagiers, die ze op de prachtige tussendekken ontmoet zo weelderig gekleed zijn.
Zelf is ze eenvoudig en zonder opsmuk, “ doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” is haar motto.
Daardoor ergert ze zich ook wel een beetje aan de andere dames, die met hun prachtige met veren en bloemen versierde hoeden over de dekken flaneren.
Wanneer de Kapitein van het schip zijn ronde doet en met iedereen een praatje maakt, verschuilt ze zich achter één van de dikke pilaren.
Zó belangrijk is ze nou ook weer niet, stel je voor!
Oma zei vroeger al: “ als je voor een dubbeltje geboren bent wordt je nooit een kwartje”
Dat zouden de andere passagiers zich ook eens in de oren moeten knopen, vindt ze…
Het lijkt wel alsof die zich zelf een rijksdaalder vinden!

Wanneer de bel klinkt voor het diner, gaat Mevr. Benepen naar haar hut om de door haar zelf meegebrachte crackertjes en droge beschuitjes te eten.
De reis zou anders te kostbaar zijn geweest, vandaar dat ze deze oplossing een lumineuze vondst vindt.

Hoe het toch mogelijk is dat al de andere passagiers zich in weer een andere garderobe steken, en de weelderig gedekte tafels aan zitten?

Maar goed, bij elke bel die ontbijt, lunch of diner aankondigt eet Mevr. Benepen haar droogvoer.
Soms loopt ze watertandend langs de buffetten, toch wel eens willen wetend wat er aan overdaad verorbert wordt.
Ze kan het niet helpen het ook dat een punt van ergernis wordt.
Hoe kan het bestaan dat alle anderen zich zo te buiten gaan aan deze overdaad!
Het is haar een raadsel waarom niemand haar voorbeeld volgt maar in plaats daarvan zonder gêne meedoet aan deze verspilling.
Ze moesten zich schamen, vindt ze eigenlijk zelf.
Nee, Mevr. Benepen weet zich tenminste fatsoenlijk in te houden, daar kunnen anderen nog een voorbeeld aan nemen.

Zo, met zichzelf ingenomen wandelt Mevr. Benepen dagelijks over de verschillende dekken langs de verkoelende terrassen.
Meewarig, haar ogen verborgen achter het zwarte glas van haar zonnebril, beschouwt en weegt ze de andere vakantiegangers.

S’avonds, tijdens de verschillende dansavonden op het schip zit Mevr. Benepen ook het liefst tevreden in haar hoekje op het dek.
Soms wordt ze boos om al het feestgedruis, het houdt haar zelf zo verschrikkelijk uit haar slaap.
Had ze nou maar haar oordoppen mee genomen, dan kon ze zich tenminste helemaal afsluiten voor de rest van de toch best wel goddeloze mensen.
Ze begrijpt de Kapitein al evenmin, hoe haalt hij het in zijn hoofd zich te mengen en te bemoeien met die afgedwaalde kudde uitgelatenheid?

Wanneer de cruise ten einde is loopt Mevr. Benepen met haar leeggegeten proviand mand en kleine kledingkoffer naar de loopbrug van het schip, waar de Kapitein van iedereen persoonlijk afscheid neemt.

“Kijk, daar hebben we Mevr. Benepen!” zegt de Kapitein, en biedt haar zijn wit gehandschoende hand.
“Ik heb u zelden gezien,Mevr. Benepen, zelfs niet aan de tafels in de eetzaal”
Mevr. Benepen zegt gedecideerd dat ze haar hut mooi genoeg vond om haar crackertjes te eten.
“Maar Mevrouw! U had een All-inclusieve ticket!
Wat ontzettend jammer dat u daar geen gebruik van gemaakt heeft”

Mevr. Benepen zegt dat ze een prachtige reis heeft gehad, en blij is dat ze zich niet zo te buiten is gegaan als de anderen.

De Kapitein wordt er blijkbaar erg verdrietig van want de tranen schieten hem in de ogen.
Hij knijpt haar nog maar eens liefdevol in de wangen, waarbij hij haar blik in diep medelijden gevangen houdt.

Mevr. Benepen loopt snel, zich in de handen knijpend over haar eigen eenvoudigheid de loopbrug af.
Om nou tussen al die losbandige anderen te lopen, daar vindt ze zich zelf te goed voor.

Voorbijgaand aan hoe ze de Kapitein beledigd heeft, door niet te genieten waarover hij zich zo had verheugd het haar te geven, komt ze in haar huisje aan.
Op haar blote knieën dankt ze God nederig niet te zijn als hún…
God zal wel erg blij met haar zijn!