Bellenblazen in het Vondelpark.

Vanmorgen werd ik wakker met een
plan:” ik ga naar het Vondelpark!”
Terwijl ik mijn ochtendritueel afdraai zingt in mijn hart een lied van David:”doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen want ik vertrouw op U…”
Vrolijkheid alom, vrijheid, blijheid, vandaag moet niks, terwijl alles mag, pompidompidom….
( “Als het maar leuk is” zou oma Fladder zeggen)

Vlakbij mijn huisje stap ik op de tram die mij in het park van mijn geliefde stad, Amsterdam brengt.
De zon doet haar best elke herinnering aan wind en kou van de afgelopen dagen te verdrijven en tot mijn plezier zie ik dat het park gezellig druk is.

De zoete geur van wiet vermengt zich met de nu al her en der in het groene gras rokende barbeque’s.
Af en toe komen jonge hippe gozers op skeelers voorbij razen, handig de ding-dong bellende fietsers en flanerende toeristen omzeilend.
Oma’s en Opa’s wandelen met hun vrolijk kwetterende oppas-kleinkindjes langs de grote vijver, en jonge verliefde stelletjes nestelen zich op de bankjes onder de rijk bloeiend overhangende takken van de weelderige gouden regen.

Rond het prachtige standbeeld van Joost van den Vondel worden bontgekleurde kleedjes neergelegd,waarop zich allerlei groepjes voorzien van koffie, broodjes en andere lekkernijen neervlijen.
De ijscoman doet goede zaken deze warme dag, evenals de rondrijdende frisdrank verkopers.
Surveilerende politie agenten rijdend op hun stoere motor of mountainbike geven me een gevoel van veiligheid en rust.

Amsterdam, the Place to be!

Glimlachend zie ik het allemaal aan, totdat opeens, zonder enige waarschuwing vooraf de pijn van verlies mijn hart doorklieft.
Hè bah, waarom nu weer al die herinneringen en het brandend heimwee en verlangen naar wie ik achterliet…
Hoe ze ook probeert met haar zonnestralen de wolk van duisternis die me plotseling overvalt te verdrijven, de zon verliest haar glans.
Ik wil naar huis, mijn eigen plekje waar ik de deur op slot kan doen en met de verduisteringsgordijnen het licht buiten sluiten kan.

Terwijl ik me resoluut omdraai sta ik tegenover een joviaal geklede man zittend op één van de bankjes.
Alsof hij zich totaal niet bewust is van de omgeving en daardoor ook niet van mij, blaast hij bellen uit zo’n potje bellenblaas waarmee ik vroeger tijdens een feestje de kinderen verraste.
Tegelijk met een soort van vertedering over de kinderlijk naïeve tederheid in het tafereeltje bekruipt me ergernis over een volwassen man met zijn kinderachtig speelgoed.
Terwijl ik gefascineerd toekijk word ik ook steeds bozer.
“Nou zeg, word volwassen” zou ik tegen hem willen zeggen, ” kijk om je heen, steek liever je handen uit de mouwen en maak je nuttig”

Ondertussen omringt de zwijgende man zich met de meest prachtige zeepbellen.
Kleurig glanzend dwarrelen ze om hem heen waardoor de man nog meer gelukzalig glimlacht.
Ik vergeet dat ik eigenlijk naar huis wilde gaan en blijf gebiologeerd toekijken.
Onverstoord blaast de man zijn zeepbellen die door het zacht fluisteren van de wind mijn kant op zweven.
Mijn hoofd geeft commando’s aan mijn handen ze weg te slaan, maar mijn armen weigeren dienst en hangen als slappe poppen langs mijn lijf.
Terwijl ook mijn voeten als aan de grond genageld geen enkele stap meer verzetten, blijft de man zijn bellen blazen.
Alsof de zon lachend van plezier kleurige tranen huilt spatten ze, mijn wangen natmakend, één voor één als mini motregentjes uiteen.

Mijn verlangens en dromen breken de weerstand en irritatie en in mijn fantasie word ik opgenomen in een reusachtige zeepbel
Zwevend op de wind wordt vroeger en de werkelijkheid van het heden opgelost in een toekomst zonder pijn.
Een toekomst waarin de tranen over “toen en eens” gehuild mogen worden in een schoot van eeuwige ontferming.
Gewiegd door een Vader wiens liefdevolle hand elke traan als kostbaar parfum opvangt om ze in een prachtig kristal karafje te verzamelen.
Daar waar de onmogelijkheid van “je moet het achter je laten” eindelijk zijn betekenis krijgt in de volmaaktheid van het nu, dat tot in eeuwigheid heden zal zijn.

Oh, hoe brandt in mij het verlangen en heimwee naar die toekomst, glanzend als de weerspiegeling van de zon in de zeepbellen van die man op het bankje in het Vondelpark.
Transparant, kleurig en ongrijpbaar te zijn zoals de om mij heen dansende bolletjes vol regenbogen.
Zwevend op de wind, gedragen door Zijn Geest, daar te zijn waar Hij is, Jezus Christus…
Opeens weet ik niet meer of het de uiteenspattende zeepbellen zijn of mijn eigen tranen die mijn wangen nat maken, maar het geeft niet…
Gevangen in de betovering van zon en glanzende regenbogen neem ik het in mij langgeleden het zwijgen opgelegde kind bij de hand en til het op het bankje naast de man.
Ik tuit mijn lippen en doe haar voor hoe het moet, eerst het stokje in het flesje zeepwater dopen en dan blazen.
Mijn kleine meisje en ik gaan zo op in het spel dat ik niet in de gaten heb nog met zijn tweeën alleen te zijn.
Aan mijn voeten me staat een picknick mand vol fruit, broodjes en flesjes bellenblaas, achtergelaten door de wonderlijke man.
Naast de mand ligt bovenop een rood geruit kleedje, een smetteloos witte roos met daaraan een klein roze envelopje waarop mijn naam geschreven staat.
Alsof ik hen bevrijd zwermen bij het openen daarvan, honderden vlinders om mij heen, vrolijk klapwiekend met hun frêle vleugeltjes.

Ik vouw een handgeschreven briefje uit en lees ontroerd het meest mooie gedicht ooit geschreven;
“wil je samen met mij
bellen blazen?”

“Ja Heer, ik wil” fluistert mijn stem…

Klingelende Sneeuwklokjes

Na, lijkt het wel, eindeloze dagen waarop de lucht grijs bleef en de wolken dikke tranen huilde, dagen waarop het maar geen dag werd, dagen waarop ik het liefst onder de dekens wilde blijven liggen, schijnt vanmorgen opeens de zon.
Ik zie het meteen als ik wakker word aan de streep licht die onder en boven het gordijn door piept.
De beginnende dag is helderder van kleur dan de vorige sombere morgens.
Het verwarmt meteen de kou in mijn gebroken hart, alsof iemand met een lijmpistool een liefdespijl afschiet in een poging de twee helften weer samen te smeden.

Oh, hoe schrijnt de pijn van dat wat eens was en nooit meer terug komt.
Het is het omgekeerde gevoel van in vuur en vlam staan voor iemand waarbij het vuur samensmeltend als vreugdevuur beantwoord wordt.
De pijn van verlatenheid is het smeulen van een vanbinnen opgesloten vuur dat schroeiende brandblaren nalaat, blaren die mijn lijf doen rillen van kou en eenzaamheid.

Met het ontwaken van een nieuwe dag in de vroege zonnestralen, wordt tegelijkertijd een ander gevoel in mij wakker, hoop en verwachting naar een nieuw seizoen.
Voorzichtig als het binnenpiepen van het Lentezonnetje, begint in mijn hart een ander vlammetje te flakkeren, aarzelend als een walmend vlaswiekje.

Woorden uit een oude profetie komen als in een melodietje aan een feestslinger van verschillende notenbalken voorbij zweven;”de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen”
Zoiets ja, zo voelt het ontwaken op deze dag, een ontwaken van een nieuwe morgen.
“Hè wat klinkt dat dramatisch” vermaan ik mezelf…

Voorzichtig zet ik mijn blote voeten op de koude vloer, waarbij ik me gewaar word van een verfrissende sensatie die ik lange tijd niet gevoeld heb.
Gisteren nog kneep de kilte van mijn slaapkamer mijn keel dicht en was het alsof dat wat op slot zat zich nog dieper verschool achter de grendels van mijn hart, maar vandaag zet het de deur voorzichtig op een kier.
Ik hoor een Winterkoninkje zingen en kan het niet laten om het slaapkamerraam wijd open te gooien om te genieten van zijn prachtig lied.
“ wat zing je mooi, lief vogeltje” fluister ik hem toe, de heldere klank uit zijn keeltje in mij opnemend.
Zie ik dat nou goed, hij knipoogt naar me…
“ ik ben zo blij dat mijn zang je bekoort, omdat ik al een paar weken zo mijn best doe in het oefenen van mijn lied speciaal voor jou” antwoordt het Winterkoninkje.
Nou ja, het moet niet gekker worden, ben ik nou echt in gesprek met een vogeltje?
En heb ik al die weken niets vernomen van zijn prachtig fluiten onder mijn eigen raam?
“ Het geeft niets hoor” zegt hij ,” ik beloof je dat ik er morgen ook weer ben om mijn lied voor jou te fluiten”

Vol goede moed overlaat ik me daarna met sinaasappel geurend schuim en laat me door het warme water uit de sproeier van mijn douche masseren.
In tijden heb ik niet zo genoten van deze weldaad, terwijl die toch iedere dag voorhanden is.
Na mijn lievelingsontbijt van amandelmelk en havermout, en een paar koppen gemberthee, besluit ik naar buiten te gaan.
Tot voor kort nog de grote boze wereld, de wereld waar ik iedere steeg en binnenweg ken, om wanneer ik het boodschappen doen niet meer uit kon stellen, onzichtbaar en bang mijn weg te zoeken.

Met mijn wandelschoenen aan de voeten trek ik hoopvol de deur achter me dicht om in een wereld vol beginnend voorjaar me te laten koesteren door de zon.
Wanneer ik door het vele jaren geleden aangelegde park wandel ben ik gelukkig nog alleen.
Ik voel me een jong vogeltje dat eer de pasgevallen smetteloos witte sneeuw door modder en zand besmeurd een vieze bruine brij wordt, met zijn tere pootjes afdrukjes achterlaat in deze verstilde wereld.

Toch hoor ik overal om me heen allerlei zachte geluidjes, fluisterende stemmetjes als het zachte ritselen van door de wind omslaande bladzijden van een opengeslagen boek.
Ik vraag me verbaasd af waar het vandaan komt, totdat ik me realiseer dat het vanaf beneden komt, daar waar mijn in de bergschoenen gestoken voeten staan.
Ik buk me om mijn met ogen al speurend de oorzaak van die stemmetjes en geluiden te zoeken, waarop een zacht giechelen te horen is.
Verwonderd begrijp ik er nog steeds niets van, tot opeens een helder stemmetje me vraag me op mijn knieën te laten zakken.
Een beetje verlegen doe ik wat me gevraagd wordt, en beland midden in een kakofonie van geluiden.
Sneeuwklokjes die verheugd als de vroege kerkklokken in Oostenrijk klingelen dat het een lieve lust is.
Krokussen die met hun paars,wit en roze gekleurde blaadjes uitbundig applaudisseren, terwijl de blauwe druifjes met zachte knalletjes hun violet van boven naar beneden aan hun tere groene steeltjes laten ontploppen.
Nieuwsgierig steekt een veldmuisje zijn spitse neus boven de blaadjes en sprietjes uit, en giert het uit van dolle pret om mijn verbazing over haar wereld.
Bovenin één van de majestueuze eiken klinkt het indrukwekkende “oehoe” van een bosuil, alsof hij wil zeggen:” ik hoor er ook bij hoor”
Kwetterend komt een familie musjes dichterbij, zich verlustigend in de kleurenpracht van de voorjaarsbloemen.
De prachtige kleurschakering in hun, naar ik dacht, grijze veren-manteltje, valt me pas op, nu ze zich van zo dichtbij laten bewonderen.
Wanneer ik moet niezen van de overweldigend heerlijke geuren van de hyacinten breekt een luid gelach uit, waarna ik zelf ook omval van het schateren.
Boven me buitelt en koert een paartje witte duifjes, gelukkig met de simpelheid van hun bestaan, terwijl een ekster trots zijn regenboog versierde veren showt onder het zwart en wit van zijn bovenjasje.

Temidden van alles wat hier geurt, bloeit en zingt voel ik mij omarmt door een zee van liefde, en besef ik ineens dat dit het doel van het bestaan is.
Te zijn, meer niet…
Zoals de mussen zich geen zorgen maken over morgen, de bloemen na de winter gewoon hun kopjes weer boven de zwarte aarde uit laten steken, zo mag ik ook bloeien en groeien voor mijn Schepper.
Hoe zwart ook het donker van de nacht, daarin schuilt nieuw leven, geur en kleur.

“Ik blijf hier gewoon nog even liggen, mag dat” vraag ik aan de sneeuwklokjes.
Als antwoord luiden ze hun klokjes nog vrolijker dan ooit, me welkom hetend in de kapel waar de naam van de Heer hun God lof gezongen wordt.

De Stratenmaker op zee

In de kelder van mijn hart staat een grote kist.
Zo één als je in sprookjes boeken ziet afgebeeld, met koper beslag op de hoeken en om het sleutelgat.
Aan een haak, bovenaan het keldertrapje hangt een ketting met daaraan een zware sleutel, die precies in dat sleutelgat past.
Hij werkt ook alleen maar in mijn hand en niet in die van een ander.

Af en toe daal ik af in mijn kelder.
Voorzichtig open ik de toegang naar beneden, til de sleutel van de haak, en hang de ketting om mijn nek, waarna ik de deur sluit en de tien treden naar beneden ga.
Soms blijf ik even op de bovenste treden van het trapje zitten, en kijk door het smalle kiertje licht onder de deur naar de voetstappen van de voorbijgangers.
Dan ben ik bang dat iemand halt houdt, de deur opent en me nieuwsgierig vraagt waarom ik zo geheimzinnig doe.
Gelukkig is mijn geheim nog nooit ontdekt, dat zou een ramp zijn.

Het lijkt net een schatkist, maar het is de kist van mijn schuld en schaamte.
Wanneer ik naar de kist in mijn kelder ga draag ik in In mijn handen een stoffer en blik vol met scherven van de kristallen glazen waaruit ik gedronken heb.
Grote en kleine glazen van hoop en verwachting, die toch weer elke keer kapot vielen op de harde vloeren van het bestaan.
Sierlijk stonden ze te pronken, maar eenmaal leeg gedronken werden ze uit mijn handen geslagen om aan mijn voeten als scherven uiteen te spatten.
De splinters deden mijn vingers bloeden wanneer ik haastig en beschaamd de boel bijeen wilde rapen, bang dat iemand de brokken zag.

Ook vandaag zit ik met een blik vol scherven op mijn keldertrapje en bekijk de voeten van de voorbijgangers door de smalle lichtbundel onderaan de deur.
Bebloed houden mijn krampachtige handen mijn schuld en schaamte bij elkaar.
Angstig en radeloos hoop ik deze keer dat het rinkelen van het verzamelde glas iemand stil doet staan om mijn pijnlijke vingers te verbinden.
Maar het lijkt ijdele hoop te zijn en ik wil me omdraaien om ook deze keer alleen naar mijn kist te gaan.
De kist, waarin ik mijn scherven bewaar die niemand mag zien.

Totdat ik een onbekend rinkelen opvang, teer als zilveren belletjes, een tinkeling zuiverder dan elk ander geluid.
Al mijn zintuigen staan op scherp en nieuwschierig blijf ik zitten om te wachten op het voorbijgaan van de voeten horend bij dit zoete geluid.
Dan…mijn adem stokt in mijn keel; vlak voor mijn turende ogen blijven de voeten staan.
Omringd door een met glanzende belletjes versierde zoom van een lange mantel staan de voeten stil bij de kelderdeur waarbij het lijkt dat dit ook het doel was van de wandeling.
Alsof ze hun eigen melodietje spelen, rinkelen en tinkelen de belletjes een vrolijk en lieflijk lied.

Ik hoor de klink van de deur naar beneden gaan en bevend krimp ik ineen.
Mijn heimelijk verlangen door iemand gezien te worden, en mijn angst voor ontdekking van de kist in mijn kelder strijden om voorrang.
Ik durf amper adem halen en wacht bang en vol schaamte op wat komen gaat.
Het stoffer en blik valt kletterend uit mijn trillende handen, en doet de laatste scherven in kleine scherpe splinters uiteen spatten.
Ik verwacht een flinke uitbrander, maar twee warme handen strelen mijn neergebogen schouders waarna ze mijn hoofd voorzichtig oprichten.
Wanneer ik opkiijk zie ik mezelf weerspiegelt in de de meest liefdevolle ogen ter wereld, ogen die niet voorbijkijken, maar mij zíen en me bij mijn naam noemen.
Warm en vol mededogen klinkt zijn stem:” zal ik met je meegaan naar je kist?”
Verward begrijp ik dat hij mijn geheim weet, en dat ik deze stem behorend bij de belletjes omringde voeten die stil stonden voor mij, geen weerstand bieden kan…
Snel probeer ik eerst de splinters van de vloer te vegen en zie beschaamd dat het opspattend glas zijn voeten doen bloeden.
Met lieflijke dwang neemt hij het stoffer en blik en veegt met mijn schuld de vloer aan, waarna hij me vraagt de kist te openen.
Hij legt zijn hand op de kapotte handen van mij, waardoor het bloeden stopt en alles in mij niet meer anders wil dan hem te volgen, waar hij ook gaat.

Samen tillen we het zware deksel omhoog waarna hij de nieuwe scherven bovenop de berg andere veegt.
Het is niet meer donker in de kelder nu hij er is, een helder licht heeft de duisternis verdreven.
Ik zie iets wat ik nooit eerder zag…
de scherven in mijn kist glinsteren als diamanten en dansen hun kleurig weerschijn in duizenden regenbogen op het grauwe grijs van de muren en het plafond van het gewelf.
De ogen van de man tranen van oneindig erbarmen bij het zien van al mijn kapot kristal.
” Jou scherven zijn kostbaar in mijn ogen mijn lieveling,” zegt hij.
” Ik kom ze ophalen”
Alsof hij nimmer een zo mooi cadeau gekregen heeft, zo blij is hij met mijn kist vol gebrokenheid.
“Wat gaat u er dan mee doen?” vraag ik, niets begrijpend van zijn vreugde over mijn kist vol scherven ongeluk.

“Ik zal je een geheim verklappen” zegt hij samenzweerderig, glimlachend om mijn verbazing.
” In mijn koninkrijk ontwerp ik een stad waarin de gouden straten als van een glazen zee zijn, helder als kristal.
Daar heb ik jou scherven voor nodig, zodat ik voor jou huis in die stad ook een mooie toegangsweg kan aanleggen.”
Ik word er stil van en kan niets meer uitbrengen, zó ontroerd ben ik.
Door zijn aanwezigheid schaam ik mij als vanzelf niet meer voor de chaos van mijn bestaan, verstopt in de kist.
” Jou scherven brengen geluk, lieveling” fluistert hij in mij oor.
Als vanzelf kniel ik voor hem neer en ontdek ineens dat de belletjes onder aan zijn mantel ronde kralen kristal zijn, sierlijk vastgeregen in de golvende zoom van zijn mantel.
Bij iedere beweging tikken ze glinsterend tegen elkaar als de opgeheven glazen champagne in de handen van een jonggehuwd stel.
“Ik beloof je dat ik terug kom, dan neem ik je mee mijn liefste, en zal je voeten laten dansen op de glazen zee, speciaal voor jou aangelegd.
Stil maar, wacht maar, want alles wordt nieuw”

Wanneer hij weg is, nadat hij mijn kist met scherven als zijn eigendom op zijn sterke schouders tilde, voel ik mij zo licht als een veertje.
Het tere rinkelen van de zoom van zijn mantel echoot na in mijn ziel, waardoor ik voortaan mijn scherven zal zien zoals hij ze ziet; glinsterend goud in de handen van de stratenmaker van de glazen zee…


‘En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk.
‭‭Openbaring‬ ‭4:6‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/rev.4.6.nbg51

Schilderij :. “Oog in oog met de zoom van zijn mantel”
Kunstenares : Monique Touwen

http://kunst-van-monique.tumblr.com


Niemand mag ze hin’dren

Wat snakte ik als kind naar dat stukje brood dat Jezus me aanbood waarna de volwassenen het mij weigerden.
Met begerige ogen zag ik aan hoe dominee het van te voren in reepjes gesneden bood brak en de brokjes in de spiegelend zilveren schaal legde, wachtend om leeg gegrist te worden.
Mijn kinderhart hunkerde naar de zoete smaak van die witte lekkernij ver weg op de tafel voorin de kerk; het brood dat het gebroken lichaam van een verzoenend God symboliseerde.
Zo onbereikbaar als de maaltijd des Heren voor een klein meisje als ik was, versperd door regeltjes van de “grote mensen”, zo onbereikbaar werd me Zijn heil ook voorgesteld.
Terwijl alles in me schreeuwde naar deel te zijn van Hem;Jezus, verstomde mijn roepen en werd mijn hartje gevuld met wanhoop en angst.
Wat dorstte ik naar dat slokje dieprode wijn, de warme gloed in mijn lijfje, die de kou van de leugen verdrijven zou, zijn greep op mijn denken verbreken en de knoop van verwarring ontrafelen zou.
Glinsterend zag ik het door dominee als vloeibare Robijnen klokkend vanuit de karaf in de beker gegoten worden; het bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonden.
Want dat was ik, een zondaar.
Iedere gelegenheid werd aangegrepen om mij te verzekeren van mijn verdorven hartje.
Waarom werd me het bloed van Jezus dan toch onthouden?
Waarom bleef de beker onaangeroerd staan terwijl ik zo’n dorst had?

Zou het kunnen dat de niet gestilde honger en leegheid van mijn kindschap me later in de armen van een man dreven, die mijn kinderlijk verlangen naar vervulling misbruikte voor zijn eigen plezier?
Ook hem was vroeger onthouden wie hij het meest nodig had;Jezus.
Was ík voor hem datgene wat alleen brood en wijn aangeboden door de doorboorde handen van het Lam konden geven?

Had het brood me kunnen behoeden voor latere misstappen, die ik alleen maar deed omdat een macht groter dan mezelf me gevangen hield?
Een macht die al aan het kruis verbroken was in de verbrijzeling van het lichaam van Jezus, degene die van zichzelf zegt:” Ik ben het brood des Levens”
Had wijn, voorstellend het reinigend bloed van Het Offerlam, maar me als klein meisje onthouden, me later kunnen behoeden voor zonden, begaan omdat ik nu eenmaal toch al een zondaar was?

Ondanks dat alles, de wanhoop en eenzaamheid, de eindeloze stroom van vragen waarop maar geen antwoord kwam is Jezus altijd het antwoord geweest.
Diep van binnen sprak zijn Geest in mij zijn troostend woord over het Vaderhart van God.
Onder de bedelaars vodden en lompen van de halve waarheden over Degene waar ik zo graag bij wilde horen, had Hij mij al in moeders schoot de mantel van gerechtigheid omgehangen.

Was het daarom dat het lied:

‘Volle verzeek’ring, Jezus is mijn
Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed
In Hem zal ‘k zalig, zalig steeds zijn
wedergeboren door Jezus’ bloed’

me de eerste keer dat ik het hoorde zo raakte?
‘Volle verzekering!’
Het bevestigde wat verborgen op de bodem van mijn hart borrelde;
Ik ben van Hem!
Altijd al…

Hoe mooi zou het geweest zijn wanneer me dat als kind niet onthouden was!
Hoe kostbaar is het wanneer we dat nu onze kinderen ruimhartig doorgeven.

Kinderen aan het Avondmaal.

Vanmorgen in de dienst sprak onze dominee over kinderen aan het avondmaal.

Ik moest denken aan mijn eigen kind zijn en hoe ik verlangde bij Jezus te horen.
In de kerk van toen ging maar een handje vol mensen aan tafel, en ik begreep daar niet zo veel van.
Hoe kon je nou blijven zitten, terwijl Jezus, de Zoon van God je nodigde om bij Hem te komen?
Over de vele tranen die ondertussen geplengd werden verwonderde ik me om eerlijk te zijn zeer, en vroeg mij af waarom je bij zoveel verdriet om je zonden dan toch bleef zitten?
Ik begreep maar niet dat het niet een ” wie het eerst bij de tafel is” gebeuren was.
Want ik hoorde in dominees woorden dat Jezus zelf de gastheer was van de heilige dis, waar genoeg gebroken brood en ruim voldoende uitgeschonken wijn klaar stond.
Toch bleef het voor het overgrote deel onaangeroerd op tafel staan, hoe Jezus ook door de woorden van dominee smeekte om te komen eten en drinken.
Ik nam het keer op keer verbijsterd in me op, en wilde zelf zó graag zo’n stukje brood en slokje wijn van Jezus ontvangen.
Per slot van rekening was er genoeg…

Ik vroeg me ondertussen ook af wat er na afloop met het overbodige brood gebeurde.
Want als het het lichaam van Christus was, dan kon het toch niet zo zijn dat het in de afvalemmer gedeponeerd werd?
In mijn hoofd klopte er niets van dat dat eventueel gebeuren kon, net zo min dat het brood na afloop dan als ” “gewoon” brood wél door iedereen gegeten kon worden omdat het zonde was weg te gooien…
Het moest het één of het ander zijn, en elk van deze opties liet mij met onbeantwoorde vragen achter.
Ergens voelde ik, zonder dat ik het als kind uit kon leggen, dat ik ook met geen enkel religieus argument te overtuigen was.
De Heilige Geest sprak nu eenmaal andere dingen in mijn hart.
Het getuigde van het reddend bloed van Jezus, de gekruisigde en opgestane Heer.

Vandaar dat ik zo blij ben met de preek van vanmorgen, en het pleidooi om kinderen, die er door de doop al bij horen niet uit te sluiten van het vervolg daarvan, het Heilig Avondmaal.
Wanneer we Genade daarin voorop laten lopen is het toch niet meer anders dan in Geloof te volgen?

Wat me zo bemoedigd is dat Jezus ons oproept te worden als een kind, en ik graag als het kind van toen wil blijven denken en doen.

Happy

Happy met zijn schoenen
Als een kind zo blij
Kleurig als een bellenblaas
De dominee is vrij

Dansend om de heilige dis
In kleur en fleur gehuld
Proclamerend heil en vree
Het goede nieuws onthuld

Jezus die het voordeed
Een heilig God werd kind
Zodat ik aan Zijn voeten
De regenboog weer vind