Verkering

Vandaag beluisterde ik een gesprek van een moeder en haar dochter.

De dochter, laten we haar in dit verhaal Eva noemen, heeft lange tijd niet veel willen weten van het andere geslacht, en al helemaal niet aan een relatie daarmee.
Het was onvoorstelbaar, totdat Gerald ten tonele verscheen waarna de wereld van Eva alleen nog maar uit één naam bestaat: Gerald!
Alle daarvóór bedachte plannen zijn op de tweede plek komen te staan omdat Eva’s gedachten enkel en alleen nog maar rond Gerald draaien.
Het heeft Eva in een zoete zuurstokrozekleurige staat van volkomen verstandsverbijstering gebracht.
Kortom Eva is verliefd.
Iedere gelegenheid wordt aangegrepen om samen te zijn wat, doordat het verliefde stel nogal ver uit elkaar woont niet eenvoudig is.
De gesprekken via Whatsapp beeldtelefoon duren daarom vaak tot in het ochtendgloren van een nieuwe dag.

Eva vertelde dat ze gisteravond op de kinderen van hun buren pastte en al uren watertandend droomde over een lekkere Pizza.
Op een gegeven moment belde Gerald en vroeg haar waar ze zin in had: ‘een pizza natuurlijk,’ flaptte Eva eruit.
Tien minuten later: “tring tring” en ja hoor, de pizza koerier stond aan de deur met een door Gerald voor zijn meisje bestelde pizza.

Bij het luisteren naar dit kostelijke relaas begon als vanzelf mijn denkbeeldige pen een verhaal te schrijven.

Het gesprek tussen Eva en haar moeder werd ondertussen nog leuker, waardoor de schrijverspen van mijn eigen fantasie nog meer geïnspireerd werd

Eva zei dat ze vandaag waarschijnlijk nog wel met Gerald, haar vriendje, zou beeld-bellen, waarop haar moeder zei; ‘dan ben je toch nog even bij elkaar’
Hahaha, je had de uitdrukking op het gezicht van Eva moeten zien!
Het sprak boekdelen, waarvan bladzijde na bladzijde een dikke pen het papier zowat doorkliefde, zo venijnig waren de letters op het papier gekwakt.

Het was voor Eva overduidelijk, moeder begreep er totaal niets van!
‘Nou, dat is toch echt niet hetzelfde als in het echt bij hem zijn hoor’ bracht ze diep verontwaardigd uit.

Geweldig!
Hoe lijkt het verhaal van een verliefd stelletje dat van alles bedenkt om maar bij elkaar te zijn, op dat waar Vader God zo naar verlangt; omgang met mensen.
Het verhaal over de God van hemel en aarde die blij wordt van grote dromen dromen, omdat zijn eigen droom voor ons elke fantasie te boven gaat.
Het verhaal over zijn zoon, Jezus
die net zoals het vriendje van Eva, elke gelegenheid aangrijpt om te laten merken hoe hij van zondaren houdt.
Kortom, God zoekt een meisje voor zijn Zoon.
Verkering met een meisje dat zich koesteren wil in Zijn liefde.
Een meisje om Zijn naam aan te verbinden, waarvoor zonder dat ze zelf een bruidschat in hoeft te brengen, de schatkamers van de hemel al lang tevoren wijd open zijn gezet.
Een meisje dat zich niet schaamt bij Hem te horen maar overal trots haar vriendje voorsteld; ‘Kijk, dit is Hem, mijn Jezus!’
Een meisje dat koste wat het kost dicht bij Hem wil zijn en zich door niets en niemand daarvan weerhouden laat.
Een meisje dat geen genoegen neemt met verhalen óver Hem, maar haar eigen verhaal mét Hem beleven wil.

Zo’n verkering wil toch iedereen?
Pas met Hem aan je zij loop je echt met je hoofd in de wolken.
Ik denk dat Hij daarom die wolken gemaakt heeft…

Feest op de ingestorte muren.

Vanaf dat ik over Jezus hoorde ben ik hem stilletjes gevolgd en zag ik hoe hij blinden de ogen opende, melaatsen de handen oplegde, ja zelf doden opwekte.
Na de opwekking van Lazarus gonsde het door heel het land Israel, en ver daarbuiten, maar bovenal in mij.
Ik voel me ook zo dood, zo levenloos.
Als in een donkere kerker opgesloten, zo zwart en donker is het in mijn ziel.
Oh, hoe dikwijls heb ik mij al afgevraagd of dat wat zo dor en dood is in mij ook door Jezus levend gemaakt zou kunnen worden?

Schuld en schaamte hangen als dikke wolken boven mijn leven en beletten mij me te koesteren in de warmte van de zon.
De muren om mijn hart, bedoeld om me te beschermen tegen inkijk, belemmeren vooral mijn eigen zicht.
De plek waar eens het water van de doop werd gesprengd, schrijnt als is met een gloeiend hangijzer
het stempel ‘waardeloos’ in mijn voorhoofd gebrand.
Mijn schuld is te groot, ik heb het allang verknald bij God!

En toch, waarom volgde ik die Jezus dan?
Niet openlijk maar heimelijk en steeds op veilige afstand was ik meestal daar waar hij ook was.
Wat is het in die man wat me zo aantrekt?

Ach, het heeft ook geen zin meer me dat af te vragen, hij is buiten de stad gekruisigd.
Als het gebod van Mozes om datgene wat het lichaam vervuilt buiten het kamp te begraven, zo hangt Jezus als oud vuil buiten de muren van de heilige stad ten toon.
Zijn gehavend en kapot geslagen lichaam is als een bloedend en met schuld beladen lam door de Hogepriester de poort uitgejaagd.
Boven zijn hoofd hangt een bordje; ‘Koning der Joden’ maar in zijn aanblik is werkelijk niets waardigs te ontdekken.
Waar de dorens van de door de soldaten gevlochten kroon zijn schedel priemden, plakken nu vieze en donkere korsten.
Zijn botten, blootgelegd door de geseling, geven me rillingen van afschuw en afgrijzen.
Hij oogt als een van de hele aarde bij elkaar geveegde berg stinkend vuil, dat wanneer het niet bijeen werd gehouden door dikke in het hout getimmerde spijkers, uit elkaar zou vallen.
Het zou als een leeg geschudde vuilniszak de heuvel Golgotha vervuilen, waarna de rondcirkelende roofvogels zich tegoed konden doen aan zijn vlees.

Ontgoocheling en wanhoop maken de muren om mijn hart nog dikker en ontoegangkelijker.
Als een nachtkaars dooft ook het laatste sprankje hoop op een beetje liefde.
Niemand kan mij nog redden uit deze moedeloosheid die als een verstikkende deken het leven uit mij perst.

Net wanneer ik dit schouwspel op Golgotha de rug toedraaien wil klinkt vanaf het kruis een krachtige roep; ‘het is volbracht’
Als aan de grond genageld blijf ik staan, dit is niet de stem van een gebroken man!
Vol van majesteit en macht is het alsof iemand adem blaast in een luid schallende bazuin, waarop de hemel zich met donderend geraas opent.
In ontzag voor zijn Schepper breekt ook de aarde open en geeft het zijn doden levend weer aan de stervende Jezus.
Zijn hoofd buigend blaast hij zijn geest terug naar God, en vindt zijn eens vrijwillig verlaten Thuis terug aan het warm kloppend Vaderhart.

Opkijkend naar de kapot geslagen man aan het kruis val ik op mijn knieien, en kan niet anders meer dan deze Jezus aanbidden.
Is dit wat Mozes bedoelde toen hij zijn volk smeekte hun ogen op de slang op de opgeheven stok te houden, zodat de in het stof bijtende slangen krachteloos werden?

Zijn gebroken blik kruist de mijne, en doen de muren rond mijn hart ineen storten als de muren rond Jericho.
Wat kan ik hem anders nog bieden dan mijn tranen?
Zoals het volk Israel de schatten uit de gevallen stad in de tabernakel van God bracht, zo geef ik hem mijn pijn, mijn schuld en mijn schaamte en bied het hem vol ontzag aan.

De eerder blinde ogen van mijn hart zien de hemel geopend waar engelen juichend feest vieren om mij, een zondaar die zich bekeerde.
Als de meest kostbare schatten wordt al mijn vuil in ontvangst genomen, waarna ik me lichter dan ooit opgenomen weet in een zee van liefde en zuiver licht.

Vrij gesproken van elke schuld ren ik jubelend en juichend de heuvel Golgotha af om binnen de muren van de open stad Jeruzalem de tafel te dekken voor het Pesachmaal.
Het aloude feest van een geslacht lam en ongezuurd brood.
Grinnikend neem ik me voor er voortaan een fles rode wijn bij te drinken;
proostend op het nieuwe Leven…

Dood aan die ‘koning’

‘Kruisig hem, kruisig hem,’ schreeuw ik uit volle borst mee met de menigte.
Mijn eigen stem is de stem van de honderden mensen rondom mij, als komt die schreeuw uit één keel.
Woedend ben ik, zo verschrikkelijk teleurgesteld en ontgoocheld.
Daar staat hij, die bedrieger,die oproerkraaier, die…die Jezus…
Pilatus, de Romeinse Stadhouder zal recht spreken!
Hij moet de doodstraf krijgen, niks minder!
Al zou ik hier alleen staan dan nog zou ik schreeuwen; ‘kruisig hem, kruisig hem!’

Bah, wat heb ik me beet laten nemen door die timmerman uit Nazareth.
Nog niet zo lang geleden liet hij zich, als een pas gekroond vorst op de rug van een ezelin de stad binnen rijden.
Uit volle borst jubelde ik mee; ‘Hosanna, hosanna, hij die komt in de naam des Heren!’
Even vlamde in mij de hoop, dat de God van onze voorvaderen Abraham, Isaak en Jacob eindelijk korte metten zou maken met onze vijand, en ons als heilige natie herstellen zou.
Voor een moment dacht ik nog; ‘Hij is het, de beloofde Messias, die ons verlossen zal van de onderdrukker, en ons weer heer en meester van ons eigen koninkrijk maken zal.’
Opgewonden zwaaide ik met palmtakken, en hoopte maar dat hij goed kon zien hoe ik me voor hem uitsloofde, en het míjn met goud doorstikte mantel was waarover hij Jeruzalem binnen reed.
Nu heb ik de mantel buiten de stad gegooid, zodat niets me nog kan herinneren aan mijn hopeloze dwaasheid te geloven in deze “redder”
Hij moet dood, en vooral worden vergeten!
Hij die zich vergelijkt met onze heilige Tempel, door te zeggen dat die net als hij afgebroken en in drie dagen weer herbouwd zal zijn, hij moet voor altijd uitgewist worden.

Deze godslasteraar heeft niet anders dan schuld op schuld op zich geladen, en daar staat de doodstraf op!

Gelukkig, Pilatus heeft naar het volk geluisterd, er is recht geschied, Jezus van Nazareth hangt aan het kruis.
Buiten de muren van Jeruzalem natuurlijk, zodat onze heilige stad niet verontreinigd wordt.
Alsof het mijn persoonlijke overwinning is, míjn wraak voor zijn bedriegerij, zo triomfantelijk voel ik mij wanneer ik naar hem kijk.
Eigenlijk wil ik hem helemaal niet zien, zo afzichtelijk is hij.
Alsof ik een mug, die zich net heeft volgezogen met mijn bloed, plat gemept heb, zo vies is zijn aanblik.
Ik walg van hem, ik gruw van zijn afschuwelijk lichaam.
Bah, bah…
Daar hangt geen mens, daar hangt iets zwarts, iets vreselijk zondigs.
Verstoten door de aarde, niet gewenst in de hemel!
Af en toe roept hij wat, naar Elia, onze vroegere profeet bv.
Alsof die hem helpen kan!
Laat hij zichzelf redden…
Hij had toch zoveel kunstjes?

Plotseling wordt het donker, midden op de dag.
Een duisternis die als vanuit een enorme boosheid en afschuw de aarde bedekt.
Alsof een macht groter dan wie ook met zijn hand scheiding maakt tussen licht en duisternis om datgene, wat daar aan het vloekhout hangt, die bedrieger die zegt God te zijn, in het niets daartussen te laten verdwijnen.
Het te verwijderen en weg te doen uit ieders zicht.

Opeens lijkt het wel alsof in mijn binnenste zelf, mijn ik, een kaarsje aangestoken wordt, waarvan het vlammetje flakkerend een zacht licht laat schijnen op plekken waar omheen ik zelf dikke muren heb gebouwd.
Ik begin mij aarzelend af te vragen of dat kruis mij afschermd omdat ik anders zelf tot as verbrandt in het vuur van een alles verzengende woede?
Ja, ik begin te beseffen dat ik onder de last van mijn schuld vermorzeld zou worden…
Ik zou op de grens van het eeuwig licht en de altijd durende duisternis niet kunnen bestaan en verdrinken in een zee zouter dan de Dode Zee.
Dit weten verscheurt mij waardoor in mijn hart, op een plek die ik altijd verborgen heb gehouden, een andere stem begint te schreeuwen.
Bitter en rauw, vol wroeging, pijn en zelfhaat roept het; ‘Kruisig mij, kruisig mij!’
Maar eer mijn mond deze woorden uiten kan worden ze al gesmoord in een zee van oneindige liefde en mededogen.
Plotseling besef ik dat deze duisternis mijn schild is, mijn bescherming tegen het zelf openlijk te schande staan voor mijn torenhoge schuld, omdat het mijn zonde is die met een heilige hand aan dat hout is vast gespijkerd.
Het is míjn arrogante zelfrechtvaardiging, die als de doeken van een ongestelde vrouw ten toon gespreid wordt.
Míjn zondige ik hangt aan dat kruis, en toch sterft iemand anders in mijn plaats de eeuwige dood…

Terwijl de poorten van de hel zich sluiten achter Jezus van Nazareth ontstaat een nieuwe werkelijkheid en voor mijn ogen opent het naar boven wijzend kruis een deur naar een ruimte waar nooit het woord ‘schuld’ meer in de mond genomen wordt.

‘Kruisig hem, kruisig hem’ zodat niet ik, maar hij de schuld krijgt.
Ja, het is recht dat niet ik, maar hij bezwijkt!
Het is recht dat niet hij, maar ík leef!
Zó moet het zijn, hoor maar, hij roept:

‘Het is volbracht’

Leaving Neverland.

Na het zien van de documentaire ‘Leaving Neverland’ is de wereld in twee groepen verdeeld.
In het AD van vanmorgen staat te lezen dat de reacties op de ‘pedodocu’ ook in Nederland zeer divers zijn.
Vol ongeloof het afschuwelijk onbegrijpbare toch moeten geloven, of vol ongeloof het afschuwelijk onbegrijpbare ontkennen.
Beide reacties zijn te verklaren.

De reacties van slachtoffers van sexueel misbruik zijn niet meer of minder heftig dan die van degene die het misbruik door the King of Pop ontkennen.
Tussen beide groepen zijn verschillende overeenkomsten,allereerst het roepen om aandacht.

Schuld en schaamte over ‘Het geheimpje’ heeft slachtoffers de mond gesnoerd, totdat het niet meer anders kan dan vol schroom dat wat vanbinnen kapot vreet naar buiten te brengen.
Vervolgens wordt hun de mond gesnoerd door het andere kamp, degene die zich geroepen voelen the King of Pop, Michael Jackson, (of welke andere dader ook)te verdedigen.

In één van de ontkennende reacties staat: ‘knap dat je dat allemaal nog precies weet, ik herinner me bijna niets meer van toen ik zeven was.’
Geloof me, misbruik is tot op detail te herinneren.
Het is als een tot op de komma nauwkeurig in de ziel opgetekend verhaal.

De Bijbel geeft het antwoord op de vraag waarom seksuele zonde zo diep ingrijpt, en daarom van een heel andere orde is, sexuele zonde is een zonde tegen het eigen vlees.
Het is een aantasting van het eigen ik, daarom is sexueel misbruik zo vernietigend en desastreus.
Het is een geweldsmisdaad die het eigen ik van het slachtoffer kapot maakt.

Daarmee is iets van de verwarring en heftigheid te verklaren aan beide kanten.
Voor de slachtoffers, omdat zij in hun diepste ‘zijn’ zijn aangetast, voor de ontkenners omdat iemand die dit zelf niet heeft meegemaakt nog niet een millimeter bevatten kan wat de ander voelt.

Voor beide is het net zo schokkend te geloven wat er gebeurt is.
Van slachtoffers is het daarom te begrijpen dat men het zelf ook eerst jaren lang ontkent.
Het is té erg, dat wat er gebeurt is.
Omdat het té erg is, wordt het in veruit de meeste gevallen door de omgeving met ongeloof ontvangen.
Zelfs weg gehoond en bespot.
Omdat de omgeving liever de andere kant op kijkt, blijven slachtoffers niet zelden geïsoleerd achter.
Ook daar zit dus een overeenkomst, het slachtoffer heeft zich jarenlang van zich zelf afgewend, vervolgens wendt de hoorder zich af, wanneer het slachtoffer niet anders meer kan dan voor de waarheid van zijn/haar geschiedenis aandacht vragen.

Een andere schokkende overeenkomst is: in beide groepen zitten zowel slachtoffers als daders.
Wat nog erger is, slachtoffers worden vaak zelf dader en maken op hun beurt weer nieuwe slachtoffers.
Een algemeen bekende uitspraak is:’ Hurt people, hurt people.’
( bezeerde mensen bezeren mensen’)
Ten diepste scharen de hoorders die zich afwenden zich bij de daders, omdat niemand ingrijpt om verder misbruik van de oorspronkelijke dader te voorkomen.

De eerder genoemde overeenkomsten komen beide voort uit schuld en schaamte.
Het antwoord van de omgeving is meestal: ‘ ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.’
Daarmee wassen we onze handen in onschuld, waarmee we in feite de schuld bij de ander leggen, die vervolgens ook zijn handen weer in onschuld wast, waardoor de kring rond is.

De waarheid is dat we allemaal zowel dader als slachtoffer zijn van wat we wel of juist niet hebben gedaan en daarom ieder persoonlijk gevangen zitten in een macht waartegen we niet zelf opgewassen zijn.
Beide,zowel het slachtoffer als de ontkenner of dader kunnen er niets aan doen.
Elkeen zit gevangen in een macht groter dan zichzelf waarin de confrontatie met eigen schuld en schaamte zeer pijnlijk is.
Omdat we niet in de gaten hebben dat we gevangen zitten, houdt de gevangenisbewaarder, Satan, dat wat we liever vermijden in stand.
Omdat we zelf onmachtig zijn de cirkel van schuld en schaamte te doorbreken, zal deze zich steeds meer en meer sluiten.

Het geniepige van Satans’ tactiek is ons voortdurend op onze eigen verantwoordelijkheid te wijzen, door ons iedere keer onze schuld voor te houden.
Daarna biedt hij ons een waskommetje waarin we onze schuldige handen in onschuld wassen kunnen.
Even voelen we ons weer wat beter, eventjes maar.
Daarna begint het ritueel weer overnieuw.
Een ritueel waarvan Satan nooit moe zal worden maar ons volledig uitput.

Wat is het antwoord op de vraag: ‘hoe dan wel?’
Dat is een Persoon, Jezus!
Hij keek niet weg maar ging de confrontatie aan met de macht achter onze schuld en schaamte.
Hij keek het monster achter deze vloek, die ontkenning en isolatie teweeg brengt in de bek, en werd daardoor zelf ontkend, geïsoleerd en verslonden.

Het kostte Jezus, de Zoon van God, alles om Satan zijn miezerige waskommetje uit handen te slaan, om ons in het badwater van geloof volledig rein te wassen.
Helemaal!
Niet maar voor even, maar voorgoed.
Hij was ook de enige die dit kon, omdat Zijn macht die van Satan oneindig ver overstijgt.

Op Golgotha droeg Jezus elke schuld, Hij stierf er zelfs aan.
Ogenschijnlijk ging Hij ten onder aan deze vloek, maar het omgekeerde is waar.
Het Evangelie van Jezus Christus is een geschiedenis met een nieuw begin!
In Zijn dood werd de dood zijn macht ontnomen, in Zijn opstanding begon een nieuw leven.
In Zijn Neverland wordt never en nooit meer gepraat over schuld en schaamte.
Eigen verantwoordelijkheid betekent daar nog maar één ding:
‘aanvaard je dat Jezus ook voor jou schuld en schaamte betaald heeft of draag je het liever zelf mee?’

Voor wie de verantwoordelijk aan Jezus geeft begint een nieuwe overeenkomst:
‘Jezus droeg mijn schuld’
‘Jezus droeg mijn schaamte’
Alleen Hij kan écht helen, wat voor schuld je nu ook meedraagt, welke schaamte je nu nog neerdrukt!
Er is door Zijn offer namelijk geen schuld meer, de prijs is betaald.
Alleen wanneer we ons, slachtoffer én dader, buigen aan de voeten van Jezus, kunnen we als geheelde mensen anderen helen.

Welk een vriend is onze Jezus,
The King of Freedom…

The Sycaminetree

Wanneer Jezus het thema van de onderlinge vergeving aan snijdt, zegt Hij zeven maal zeven maal te vergeven.
Als reactie antwoorden de apostelen; ‘geef ons geloof’
Met andere woorden: zonder geloof is het onmogelijk zeven maal zeven maal te vergeven.
Ze stellen het voor alsof voor het vergeven van dat wat een ander je heeft aangedaan, vast een groot geloof nodig is.
Vandaar de vraag; ‘geef ons geloof om zó te vergeven zoals u het ons opdraagt.’
Zeven maal zeven maal…ik geef het je te doen.

Krenking kan enorm veel pijn doen.
Alles is ons roept om vergelding en wraak.
Omgaan met pijn ons aangedaan is vaak zo confronterend, dat we om de pijn maar niet te voelen een dikke muur om die pijn heen bouwen.
In plaats van ermee omgaan worden we boos en bitter.
Voor ons gevoel is boosheid, wrok en bitterheid gemakkelijker te hanteren dan pijn, en vaak vinden we dat we recht hebben op die bitterheid.
Het gevolg is desastreus, omdat de bitterheid ons het zicht verblind.
Zonder het te beseffen, houdt de ander en dat wat de ander ons heeft aangedaan gegijzeld.
Of liever gezegd, de macht die achter de krenking zit houdt ons gevangen.
We koesteren, vaak onbewust, onze pijn die daardoor uitgroeit in wrok en bitterheid.
En dat is nou juist de bedoeling van de macht die ons gevangen houdt, Satan.
Zijn doel is dat we voortdurend in beslag genomen worden met dat wat ons is aangedaan, waardoor we uiteindelijk verzuren en verbitteren.
Deze bitterheid gaat vervolgens anderen om ons heen pijn doen.
Bezeerde mensen bezeren op hun beurt andere mensen.

Dan kan het zomaar gebeuren dat in de gemeente tien bezeerde mensen zelf weer tien mensen bezeren, die op hun beurt ook weer tien mensen bezeren.
Totdat we een gemeenschap zijn waar we de liefde van Jezus wel hoog in het vaandel hebben, maar het een holle frase is geworden.
We belijden ons geloof in Jezus als de Zoon van God, maar leven dat geloof niet.
Onmachtig zelf deze muren te doorbreken kunnen we ons gebrek aan geloof zelfs aanwenden als een excuus voor onvergevingsgezindheid.
Wanneer we ervan uitgaan een groot geloof nodig te zijn om zeven maal zeven maal te vergeven, zouden we ons met een zeker recht achter dit excuus verschuilen kunnen.
‘ Heer, U vraagt dat nu wel van mij, maar U begrijpt toch wel dat ik dat niet opbrengen kan?
Weet U wel wat me is aangedaan en hoe diep dat zeer zit?’

Het antwoord van Jezus laat zien dat Hij, juist Híj, exact weet hoe diep de pijn zit!
Hij begrijpt het volkomen.
Hij weet dat we ons onmogelijk zelf bevrijden kunnen uit de gijzeling van pijn en zeer.

Luister maar naar wat Hij zegt:
‘Wanneer je het geloof van een mosterdzaadje hebt, zeg je tot de Moerbeiboom; ‘wordt ontworteld en werp u in de zee’ en hij zou u gehoorzamen!’

Nu wordt de moerbeiboom meerdere malen in beeldspraak genoemd in de Bijbel.
In de KingJames vertaling wordt in dit gedeelte gesproken over de Sycaminetree.
Om niet in een bomenuitleg over de uitgebreide familie moerbeibomen te belanden, veroorloof ik me de vrijheid deze Sycaminetree te vertalen als ‘de Ziekmaakboom.’
Jezus heeft het hier namelijk over een boom die ogenschijnlijk een Vijgenboom lijkt, maar waarvan de vruchten bitter zijn, en alleen gegeten worden door arme mensen.
De wortels van deze Ziekmaakboom hebben van alle bomen één van de diepste wortelstelsels.
Het hout van de Ziekmaakboom werd vooral gebruikt voor het maken van doodskisten…!
Wat de Ziekmaakboom verder onderscheidt is; hij wordt niet zoals alle andere vruchtbomen in de wereld bevrucht door de bijen maar door de angel van de wesp…!

We begrijpen nu des te meer waarom Jezus als antwoord op de vraag; ‘geef ons meer geloof, want het is zo verschrikkelijk moeilijk om te vergeven’ zegt; ‘het geloof van een mosterdzaadje is genoeg de Ziekmaakboom te gebieden te ontwortelen en zich in zee te werpen.

De wortels van deze boom vreten zich steeds dieper in ons leven in en houden ons gevangen in een binding met datgene wat ons zo gekwetst heeft.
De bittere vruchten van deze boom maken ons ziek en houden ons geestelijk arm wanneer we daar van blijven eten.
De bitterheid maakt zo ziek dat het ons ‘sixfeet under’ brengt omdat het ons leven vergald en verkort.
Iedere keer wanneer we het erover hebben of het in gedachten brengen verstoord het onze rust en jaagt het ons, als door een wesp gestoken op.
Onze emoties schieten heen en weer, de adem stokt ons in de keel en doet onze hartslag versnellen.

Maar Halleluja Amen, Jezus geeft ons het antwoord op deze vergiftiging.
Hij zegt dat geloof zo klein als een mosterdzaadje al genoeg is om te kunnen vergeven.
Oorspronkelijk staat er ‘loslaten’
De pijn loslaten.
‘ Let it Go’
Dat maakt dat de binding met de pijn verbroken wordt, de muren van bitterheid die ons hart doen verstenen vallen neer.
We kunnen helen van de pijn ons aangedaan.

Daar is dus geen groot geloof voor nodig, maar geloof zo klein als het mosterdzaadje is genoeg, omdat Jezus daar kracht aan verleend.

Heb je moeite met deze Ziekmaakboom?
De oplossing vind je in een andere boom, de boom op Golgotha.
Zie hoe de Zoon van God hangend aan het hout van deze boom Zijn leven gaf en elke bitterheid meenam in het graf.
Ook jou bitterheid.
Ook mijn bitterheid.
Op de derde dag stond Hij op uit de dood en nam ons met zich mee in die opstanding.
Hij zoekt jou en mijn hand om al wandelend het graf achter te laten en in de Olijfhof de rijke volle vruchten van de boom des Levens te eten.

Wanneer we ons met Zijn helende olie laten zalven, worden we zelf een bron van vreugde die anderen in Zijn naam helen kunnen.
Zo gemeente te zijn, wat een kracht gaat daar vanuit!

Het begint door in (mosterdzaadjes) geloof te gaan spreken tegen de Ziekmaakboom…

‘Ziet toe op uzelf! Indien uw broeder zondigt, bestraf hem, en indien hij berouw heeft, vergeef hem. En zelfs indien hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, zult gij het hem vergeven. En de apostelen zeiden tot de Here: Geef ons meer geloof. De Here zeide: Indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.’
‭‭Lucas‬ ‭17:3-6‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/luk.17.3-6.nbg51

‘And the Lord said, If ye had faith as a grain of mustard seed, ye might say unto this sycamine tree, Be thou plucked up by the root, and be thou planted in the sea; and it should obey you.’
‭‭Luke‬ ‭17:6‬ ‭KJV‬‬
https://www.bible.com/1/luk.17.6.kjv

Niemand mag ze hin’dren

Wat snakte ik als kind naar dat stukje brood dat Jezus me aanbood waarna de volwassenen het mij weigerden.
Met begerige ogen zag ik aan hoe dominee het van te voren in reepjes gesneden bood brak en de brokjes in de spiegelend zilveren schaal legde, wachtend om leeg gegrist te worden.
Mijn kinderhart hunkerde naar de zoete smaak van die witte lekkernij ver weg op de tafel voorin de kerk; het brood dat het gebroken lichaam van een verzoenend God symboliseerde.
Zo onbereikbaar als de maaltijd des Heren voor een klein meisje als ik was, versperd door regeltjes van de “grote mensen”, zo onbereikbaar werd me Zijn heil ook voorgesteld.
Terwijl alles in me schreeuwde naar deel te zijn van Hem;Jezus, verstomde mijn roepen en werd mijn hartje gevuld met wanhoop en angst.
Wat dorstte ik naar dat slokje dieprode wijn, de warme gloed in mijn lijfje, die de kou van de leugen verdrijven zou, zijn greep op mijn denken verbreken en de knoop van verwarring ontrafelen zou.
Glinsterend zag ik het door dominee als vloeibare Robijnen klokkend vanuit de karaf in de beker gegoten worden; het bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonden.
Want dat was ik, een zondaar.
Iedere gelegenheid werd aangegrepen om mij te verzekeren van mijn verdorven hartje.
Waarom werd me het bloed van Jezus dan toch onthouden?
Waarom bleef de beker onaangeroerd staan terwijl ik zo’n dorst had?

Zou het kunnen dat de niet gestilde honger en leegheid van mijn kindschap me later in de armen van een man dreven, die mijn kinderlijk verlangen naar vervulling misbruikte voor zijn eigen plezier?
Ook hem was vroeger onthouden wie hij het meest nodig had;Jezus.
Was ík voor hem datgene wat alleen brood en wijn aangeboden door de doorboorde handen van het Lam konden geven?

Had het brood me kunnen behoeden voor latere misstappen, die ik alleen maar deed omdat een macht groter dan mezelf me gevangen hield?
Een macht die al aan het kruis verbroken was in de verbrijzeling van het lichaam van Jezus, degene die van zichzelf zegt:” Ik ben het brood des Levens”
Had wijn, voorstellend het reinigend bloed van Het Offerlam, maar me als klein meisje onthouden, me later kunnen behoeden voor zonden, begaan omdat ik nu eenmaal toch al een zondaar was?

Ondanks dat alles, de wanhoop en eenzaamheid, de eindeloze stroom van vragen waarop maar geen antwoord kwam is Jezus altijd het antwoord geweest.
Diep van binnen sprak zijn Geest in mij zijn troostend woord over het Vaderhart van God.
Onder de bedelaars vodden en lompen van de halve waarheden over Degene waar ik zo graag bij wilde horen, had Hij mij al in moeders schoot de mantel van gerechtigheid omgehangen.

Was het daarom dat het lied:

‘Volle verzeek’ring, Jezus is mijn
Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed
In Hem zal ‘k zalig, zalig steeds zijn
wedergeboren door Jezus’ bloed’

me de eerste keer dat ik het hoorde zo raakte?
‘Volle verzekering!’
Het bevestigde wat verborgen op de bodem van mijn hart borrelde;
Ik ben van Hem!
Altijd al…

Hoe mooi zou het geweest zijn wanneer me dat als kind niet onthouden was!
Hoe kostbaar is het wanneer we dat nu onze kinderen ruimhartig doorgeven.

Happy

Happy met zijn schoenen
Als een kind zo blij
Kleurig als een bellenblaas
De dominee is vrij

Dansend om de heilige dis
In kleur en fleur gehuld
Proclamerend heil en vree
Het goede nieuws onthuld

Jezus die het voordeed
Een heilig God werd kind
Zodat ik aan Zijn voeten
De regenboog weer vind