Niemand mag ze hin’dren

Wat snakte ik als kind naar dat stukje brood dat Jezus me aanbood waarna de volwassenen het mij weigerden.
Met begerige ogen zag ik aan hoe dominee het van te voren in reepjes gesneden bood brak en de brokjes in de spiegelend zilveren schaal legde, wachtend om leeg gegrist te worden.
Mijn kinderhart hunkerde naar de zoete smaak van die witte lekkernij ver weg op de tafel voorin de kerk; het brood dat het gebroken lichaam van een verzoenend God symboliseerde.
Zo onbereikbaar als de maaltijd des Heren voor een klein meisje als ik was, versperd door regeltjes van de “grote mensen”, zo onbereikbaar werd me Zijn heil ook voorgesteld.
Terwijl alles in me schreeuwde naar deel te zijn van Hem;Jezus, verstomde mijn roepen en werd mijn hartje gevuld met wanhoop en angst.
Wat dorstte ik naar dat slokje dieprode wijn, de warme gloed in mijn lijfje, die de kou van de leugen verdrijven zou, zijn greep op mijn denken verbreken en de knoop van verwarring ontrafelen zou.
Glinsterend zag ik het door dominee als vloeibare Robijnen klokkend vanuit de karaf in de beker gegoten worden; het bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonden.
Want dat was ik, een zondaar.
Iedere gelegenheid werd aangegrepen om mij te verzekeren van mijn verdorven hartje.
Waarom werd me het bloed van Jezus dan toch onthouden?
Waarom bleef de beker onaangeroerd staan terwijl ik zo’n dorst had?

Zou het kunnen dat de niet gestilde honger en leegheid van mijn kindschap me later in de armen van een man dreven, die mijn kinderlijk verlangen naar vervulling misbruikte voor zijn eigen plezier?
Ook hem was vroeger onthouden wie hij het meest nodig had;Jezus.
Was ík voor hem datgene wat alleen brood en wijn aangeboden door de doorboorde handen van het Lam konden geven?

Had het brood me kunnen behoeden voor latere misstappen, die ik alleen maar deed omdat een macht groter dan mezelf me gevangen hield?
Een macht die al aan het kruis verbroken was in de verbrijzeling van het lichaam van Jezus, degene die van zichzelf zegt:” Ik ben het brood des Levens”
Had wijn, voorstellend het reinigend bloed van Het Offerlam, maar me als klein meisje onthouden, me later kunnen behoeden voor zonden, begaan omdat ik nu eenmaal toch al een zondaar was?

Ondanks dat alles, de wanhoop en eenzaamheid, de eindeloze stroom van vragen waarop maar geen antwoord kwam is Jezus altijd het antwoord geweest.
Diep van binnen sprak zijn Geest in mij zijn troostend woord over het Vaderhart van God.
Onder de bedelaars vodden en lompen van de halve waarheden over Degene waar ik zo graag bij wilde horen, had Hij mij al in moeders schoot de mantel van gerechtigheid omgehangen.

Was het daarom dat het lied:

‘Volle verzeek’ring, Jezus is mijn
Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed
In Hem zal ‘k zalig, zalig steeds zijn
wedergeboren door Jezus’ bloed’

me de eerste keer dat ik het hoorde zo raakte?
‘Volle verzekering!’
Het bevestigde wat verborgen op de bodem van mijn hart borrelde;
Ik ben van Hem!
Altijd al…

Hoe mooi zou het geweest zijn wanneer me dat als kind niet onthouden was!
Hoe kostbaar is het wanneer we dat nu onze kinderen ruimhartig doorgeven.

Klankschaal.

Onlangs heb ik op Marktplaats een paar laarsjes gekocht.
Splinternieuwe cowboy Sendra’s, waar ik heel blij mee ben, omdat mijn andere zwarte laarsjes lek zijn.
Ik bof maar weer, dure laarsjes voor een heel klein prijsje.

Maar daar gaat het in dit verhaal helemaal niet om, ” Lets now talk about Jesus”
Ik complimenteerde de jonge vrouw die de laarsjes verkocht met haar leuke huisje, waarop ze vertelde dat ze verhuizen moest omdat ze door een ziekte niet meer trap kon lopen en binnenkort invalide zou zijn.

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar mijn bloed begint dan te koken.
Nou is dat niet zo verwonderlijk want ik ben een kind van de Allerhoogste, en heb daarom heilig bloed door mijn aderen stromen.
Dat bloed getuigt van Jezus wiens striemen ons genezing zijn geworden.
Dat wil zeggen dat Hij in zijn lijden en sterven alle ziekte in zich opgenomen heeft, en daardoor onze genezing is!

Een paar weken na zijn dood en opstanding gaf Hij vlak voor zijn Hemelvaart, zijn volgelingen een geweldige belofte:

‘Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.’
‭‭Marcus‬ ‭16:17-18‬ ‭NBG51‬‬

Al eerder lezen we nadat Jezus zijn volgelingen uitzend:

‘En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.’
‭‭Marcus‬ ‭6:12-13‬ ‭NBG51‬‬

Aan elke opdracht van Jezus kleeft tegelijk een belofte; ” ga, en in mijn naam zal het gebeuren”

Daarom, omdat wij zijn volgelingen zijn, en omdat Hij het zegt, en zijn Geest mijn bloed laat koken van heilige verontwaardiging, vroeg ik aan de jonge vrouw; ‘zal ik voor je bidden?’
Ja, dat mocht…
Na de vraag of ik haar aan mocht raken, gewoon in haar piepkleine halletje, legde ik mijn handen op haar en bad voor genezing.
Zomaar met iemand die je niet kent, beleef je dan een kostbaar en heilig moment.
De jonge vrouw was erg geraakt en ik fietste zingend weer naar huis, blij met mijn laarsjes, blij met mijn Heer.
Want ik hoef verder niets, genezing is niet van mij afhankelijk, ik mocht alleen maar doen wat Hij van mij vraagt.
Jezus is dus in zekere zin van mijn gehoorzaamheid afhankelijk…

Wanneer ik dit soort verhalen als bemoediging of aanmoediging wel eens aan andere broers en zussen vertel, is de reactie veelal:
‘ ja, maar ja, niet iedereen heeft dat zomaar in zich, daar moet je ook het type voor zijn’
‘dan moet je op dat moment ook wel duidelijk weten of je dat moet doen.’
‘En niet iedereen wil dat ook…’
En de situatie moet er ook wel een beetje toe zijn’

Toch durf ik te zeggen dat we als kind van God dit allemaal in ons hebben, als Jezus in je woont ben je precies het juiste type!
Iemand verteld je van ziekte, dus het moment is ook altijd de juiste tijd!
De situatie is dat iemand in nood is, dus je bent op de goede tijd op de goede plek!
En wanneer iemand niet voor zich gebeden wil hebben, ook prima!

De discipelen van Jezus waren ook allemaal verschillend, Petrus en Johannes gingen gewoon op pad, net als de anderen.
Jezus zei niet:” jij kunt dat wel, en jij niet”
Hij zond ze uit en ze gingen, om daarna met prachtige getuigenissen verder de wereld in te gaan.

De schatkamers van onze Koning staan wagenwijd open, alles heeft Hij ons door zijn Geest ter beschikking gesteld.
Dat houden we toch niet achter, dan delen we toch rijkelijk van zijn schatten?
Trots op de goedheid van onze Heer, is het een eer om als zijn volgeling te doen wat Hij ons voordeed, en waar Hij ons zelf de macht voor gegeven heeft.
Leg daarom alle schijterigheid aan de kant, en je zal zien dat je het juiste type bent!
Je lijkt namelijk op Hem…

Om mijn laarsjes te kunnen kopen had ik eerst zelf mijn klankschaal verkocht.
Weliswaar met pijn in mijn hart, maar wanneer ik mijn voeten in de laarsjes gestoken op plekken zet, om daar de goede boodschap te brengen, galmt de klank van Jezus goedheid iedere dag echoënd na!

Door genade zijn we zelf een klankschaal, die maar even aangeraakt hoeft te worden, en het prachtige geluid doet de atmosfeer trillen!

‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.’
‭‭Jesaja‬ ‭52:7‬ ‭NBG51‬‬

Het is niet mijn Schuld…

Mijn huisje is mijn veilige plek, de plek waar ik na een zeer pijnlijke tijd in mijn geschiedenis, mijn leven weer op wil pakken.
Niemand kent mij hier, en dat is maar goed ook!
Wanneer men wist waar ik voor op de loop ben, zou men, zoals na de oorlog de NSB meisjes kaal geschoren en met pek overgoten werden, mij lynchen.
Ze zouden me op een kar door de stad voeren, en me bekogelen met rotte eieren en tomaten.
Ze zouden me met verse mest overgieten, en joelend de meest vreselijke leuzen roepen.
Politie en recherche zouden geen vinger uitsteken, maar spottend, de meute aanmoedigend, aan de zijlijn staan.
Geen enkele dominee zou voor me op de bres gaan staan, omdat wat ik gedaan heb té erg is.
Ik heb het allemaal verdiend, alles wat ze zouden bedenken om me te vernederen heb ik verdiend.
Mijn schuld is hemelhoog, mijn misdaad niet in woorden uit te drukken.

Dag en nacht klaagt mijn geweten mij aan, want wat ik ook aan goede werken doe, hoeveel vrijwilligers taken ik ook op me neem, hoe vaak ik de wc’s in de kerk ook poets, mijn schuld was ik er niet mee weg.

Ja, ik heb straf verdiend, dat zal ik niet ontkennen, mijn schuld is groot, de dingen die ik in het duister deed, te vreselijk om te vertellen.
Maar hoe zou ik ooit voor wat ik misdaan heb genoeg gestraft zijn.
Wat ik ook aan straf zal volbrengen, het zal nimmer recht doen aan mijn misdaad.
Al zou ik al het geld van de wereld betalen, dan nog zal er geen genoegdoening zijn voor mijn enorme schud.

Alhoewel de zon mijn huisje verwarmt, bibber ik van kille angst voor ontdekking van mijn schuld.
Luisterend naar de schitterende klanken van een mooi Celloconcert probeer ik mijn geest tot rust te brengen.
Maar mijn geweten knaagt mijn botten kaal, wat ik ook aan ontspanningsoefeningen uit probeer.

Net wanneer ik denk mijn vermoeide benen op de bank te leggen, knalt met veel geweld mijn deur open, en staan vijf marechaussees voor me, die me hardhandig beetpakken en in de boeien slaan.
Voor ik goed en wel besef wat me overkomt lig ik vastgeketend op de bodem van een arrestanten bus, die met loeiende sirenes en blauw zwaailicht me in sneltrein vaart bij het Hof in den Haag aflevert.
Geboeid aan handen en voeten, waarbij de ketenen van mijn schuld me rammelend volgen, wordt ik ruw en zonder mededogen voortgedreven, tot ik in een grote rechtszaal recht voor de Koning sta.
Links van hem staat, grimmig lachend, zijn handen wrijvend, de aanklager, popelend mij tot vermaak van de toeschouwers op te knopen
Wanneer hij de meterslange lijst van aanklachten voorleest, verspreidt zijn tandeloze mond een ondraaglijke stank, alsof speciaal voor dit moment het kerkhof alle graven geopend heeft.
Op de tribune is de hele stad vertegenwoordigd, de plek waar ik vanmorgen nog dacht anoniem te zijn.
Bij iedere genoemde schuld krimp ik steeds verder in elkaar, en wilde wel dat de aarde zich opende om mij te verzwelgen.

Wanneer na uren opsomming van mijn schuld, de Koning zich tot mij wendt met de vraag wat ik daarop te zeggen heb, kan ik niet anders dan met een van angst dichtgeknepen keel “ schuldig” uitbrengen.

“ U heeft de doodstraf verdiend” klinkt het uit de mond van de Koning…
Zijn handen heffen de enorme hamer, om mijn lot met krachtige slag te kunnen bezegelen.

Maar dan…
Iedereen houdt de adem in, terwijl de Zoon van de Koning, die tot nog toe zwijgend aan de rechterkant van zijn Vader plaats had, op staat.
Alsof gezamenlijk het Koninklijk Luchtmacht Orkest en de Johan Friso Kapel, de Radetzky Mars spelend, de zaal binnenkomt, klinkt fier zijn stem:
“ Onschuldig Vader, Ik heb al betaald”
Ten overstaan van iedereen in de rechtszaal doopt hij zijn vinger in een gouden offerschaal waarin het bloed van een pasgeslacht lam is opgevangen.
Zijn houding is die van overtuiging en autoriteit, wanneer hij een boekrol uitrolt en met zijn vinger het papier beschrijft:
” Voldaan” om daarna het perkament aan de Koning te tonen.

De Koning glimlacht liefdevol naar zijn Zoon, en gebiedt de aanklager mij te ontdoen van mijn ketenen.
Zijn mond gesnoerd kan hij niet anders doen dan gehoorzamen, hij heeft verloren!
Stilletjes, kruipend door het stof om zich zich zo klein mogelijk te maken, verlaat hij de rechtszaal, terwijl ik verbijsterd van opluchting en dankbaarheid voor de Koning neer kniel.
Zijn hand richt me op, waarna zijn armen zich wijd openen om me liefdevol te verbergen onder zijn Hermelijnen mantel.
“ Je bent thuis mijn kind” fluistert hij in mijn oor, “ we gaan feest vieren”

De Zoon van de Koning pakt me liefdevol bij de hand en tilt me in een gouden badkuip vol zacht geurend schuim.
Wanneer ik schoongewassen en heerlijk geurend, omhuld met een koningsblauwe mantel de door hem versierde feestzaal binnen kom, reikt hij mij een beker vol zoete wijn.
In een flits zie ik de littekens in zijn handen en in een honderdste van een seconde verschijnt een beeld van een opgericht kruis.
“ Kom” zegt hij, “eet en drink, alles is gereed


( geschreven naar aanleiding van de preek van vanmiddag.
18-11-2018
Rechtvaardig door geloof alleen)

‘Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.’

‭‭2 Korinthiërs‬ ‭5:21‬ ‭NBG51‬‬

http://bible.com/328/2co.5.21.nbg51

Gezien!

Sinds ik met mijn meesteres en haar man meegekomen ben uit Ur der Chaldeeën, wonen we nu al weer een tijdje bij de Eikenbossen van Mamre.
Tenminste, ik zeg wel wonen, maar mijn heer Abram heeft hier zijn tenten opgeslagen…
De plek waar ik s’morgens wakker wordt, kan maar zo een andere zijn als daar, waar ik s’avonds mijn hoofd te rusten leg.

Sarai, mijn meesteres, is niet de meest vriendelijke vrouw, al doe ik nog zo mijn best ze snauwt me vaak af.
Ik denk dat het erg moeilijk voor Saraï is, steeds ouder te worden zonder ooit voor Abram een zoon gebaard te hebben, daarom neem ik haar gemor naar voor lief.
Aan haar uiterlijk is trouwens niet te zien dat ze al op leeftijd is, want Sarï is een bijzonder knappe vrouw, mooier dan elk andere vrouw die ik ken.

De laatste paar dagen voel ik als Egyptische slavin iets in de lucht hangen, iets geheimzinnigs tussen Abram en Saraï.
Ik word veel vriendelijker bejegend door mijn meesteres, en vraag me verbaasd af wat me in Gods naam, de God van mijn heer Abram, voor wie hij een altaar gebouwd toen we hier aankwamen, overkomt.
Rond Sarai en haar man Abram hangt een soort verwachtingsvolle spanning, die vreemd genoeg, met mij te maken lijkt te hebben…


◦ Hoe vreemd kan het leven lopen?In zeer korte tijd is mijn leven één groot drama geworden…Ik ben gevlucht uit de tent van Saraï, ik kon niet meer anders. Wat haat ik dat mens! Dodelijk vermoeid zit ik nu hier aan de put van Sur, me geen raad wetend met dat wat in me groeit, dat waarom mijn buik al een kleine bolling vertoond. Ik ben zwanger! Ik krijg een kind van Abram, de man van mijn meesteres. Na alle geheimzinnigheid kwam ik er namelijk al snel achter dat Saraï me als draagmoeder verkoren had. Ik wist niet of ik me vernederd ofwel verhoogd moest voelen, toen ik s’avonds naar een tent gebracht werd, speciaal voor dit doel opgezet. Een tent waarin ik, de Egyptische slavin, met Abram, als man en vrouw de nachten door moest brengen. Niet omdat hij me lief heeft, niet om mij als persoon, het meisje dat de naam Hagar draagt, maar alleen omdat mijn baarmoeder nog jong is. Mijn eigen ik is niet meer dan mijn vruchtbaarheidsorgaan geworden…Mijn waarde ligt in mijn binnenste, daar waar nu het kind groeit…In de optelsom van de berekende Saraï ben ik een nul geworden waar alleen nog maar het resultaat telt…het kind in mij uit Abram’s zaad, maar niet van mij, het kind is voor Saraï…”Ik zal die heks krijgen” dacht ik, en fantaseerde erover dat háar tent de mijne was. Ondertussen dééd ik ook gewoon alsof dat zo was. Mijn bollend buikje vooruit gestoken, speelde ik mijn eigen droom, en deed alsof ík de meesteres en Saraï mijn slavin was. Wanneer Saraï mijn recht met haar voeten treed zal ik het zelf moeten pakken toch? Dat Abram het niet voor mij, maar voor zijn onvruchtbare echtgenoot opnam, steekt me nog het meest. Maar, hoe moet het nu verder met mij en mijn kindje? Wie ziet mijn eenzaamheid? Wie kan ik nog vertrouwen? Op wiens schouder kan ik mijn hoofd leggen? Waar is de hand waarin ik míjn hand leggen kan? Waar is de schoot waarin ik me, als mijn ongeboren kind veilig weten mag? Wie kent mijn naam?”Mijn eenzaamheid is niet meer te dragen…

Opeens weet ik dat ik niet alleen ben, Iemand is op zoek naar mij…
Ik hoor mijn naam noemen” Hagar” als uitgesproken in een liefdesgedicht, zo lieflijk en teer is de klank in het noemen van mijn naam.
Er is Iemand die mij kent!
Iemand die mijn naam als een bonbon, langzaam smeltend, zo lang mogelijk genietend van de delicate smaak daarvan, in de mond heeft genomen, om daarna in een zoete fluistering, maar duidelijk en zonder oordeel mijn naam te noemen ;” Hagar, slavin van Saraï, waar kom je vandaan en waar ga je naar toe?”
In het stellen van de vraag is een diep besef van weten, ik voel het en ervaar het.
De vraag stellen, terwijl het antwoord al bekend is, doet me beven van diep ontzag voor degene die me tegemoet komt en oprecht wil weten wie ik ben.
Waarom ik ben.
En waarom hier?

Dit moet de God van Hemel en Aarde zijn, degene die is en was.
Mijn hart heeft geen uitleg meer nodig, deze God kent en doorziet mij, mijn zitten en mijn staan is bij Hem bekend, mijn vroegste begin heeft Hij als klei in de hand van de pottenbakker gevormd, Hij zag mij in de tent van Abram, Hij zag mij toen mijn voeten zich haasten op mijn vlucht voor Saraï, mijn meesteres.
Nochtans heeft hij mij lief…


De Here droeg mij op terug te gaan, nadat Hij me rijke beloftes heeft gedaan.
Beloftes voor de zoon die in mij groeit, zegeningen die mijn moederhart week maakten, omdat mijn kind, mijn teerste bezit, onzichtbaar nog voor de buitenwereld, net als ik al bij naam genoemd is door de God die mij zag en ziet, en mij zal blijven zien, ondanks dat ik Hem niet gezien heb of naar Hem zocht.

Uitgeput, moedeloos en boos zat ik bij de waterput zonder zelf te drinken uit de bron van waaruit ik gekomen ben.
De Heer van hemel en aarde noemde mijn naam, Hagar, noemde de naam van mijn zoon, Ismaël, en ik, staande gezet onder een zuiver klaterende waterval, noemde zijn naam; “Lachaï Roï”, de God waar ik niet naar omzag, Hij zag naar mij om!

Hoe anders raken nu mijn voeten de grond, waarover ik eerder nog stampvoetend vluchtte.
Deze zelfde weg terug te gaan en te weten dat ik gezien wordt, maakt mijn loop lichter, alsof ik gedragen, niet míjn afdruk achterlaat, maar de voetprint van een veel groter Iemand dan ik.
De Ene die mij ziet…

‘En de Engel des Heren trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur. En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai. En de Engel des Heren zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand. En de Engel des Heren zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. Voorts zeide de Engel des Heren tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismaël noemen, want de Here heeft naar uw ellende gehoord. Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen. Toen noemde zij de naam des Heren, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet? Daarom noemt men die put: de put Lachai-Roï; zie, hij is tussen Kades en Bered.’
‭‭Genesis‬ ‭16:7-14‬ ‭NBG51‬‬
http://bible.com/328/gen.16.7-14.nbg51

Geschreven n.a.v. het Gebedspatoraat tijdens het retraitre-weekend van “In Christus Heel”

http://gebedspastoraat.nl/

Aan de jacht ontkomen.

Vroeger, op maandagmorgen begon de week op school met het ritueel; psalmversje.
Dat betekende dat ik tijdens het weekend één van de psalmen uit mijn hoofd leerde, en dat, net als alle andere kinderen in de klas, voorin op mocht zeggen.
In mijn kindertijd leerde ik dat vanuit de oude berijming, waardoor ik tegenwoordig vaak niet, zoals vroeger, uit volle borst mee zingen kan, omdat we vandaag de dag gewend zijn vanuit de nieuwe berijming te zingen.
Net als veel leeftijdgenoten, vind ik dat jammer.
Mijn hart springt op van zielevreugd en jeugdsentiment, wanneer ik ergens ben waar ik zoals vroeger de psalmen mee kan galmen in de oude berijming.


Nu viel mij iets op.
Vanmorgen was ik op een bijeenkomst van vrouwen, waar gesproken werd over het hertje uit psalm 42.
In diepe nood schreeuwt het arme diertje naar de beek, waar water niet alleen zijn lijf verfrist, maar vooral naar een plek waar zijn onrustige binnenkant tot rust mag komen bij God.

In mijn hoofd zong psalm 42 zoals ik dat vroeger geleerd heb,
‘ t’Hijgend het der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar t’genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja mijn ziel dorst naar de Heer,
God des levens ach wanneer,
Zal ik na’dren voor uw ogen,
In uw huis uw naam verhogen.

Als de pen in de hand van het schoolmeisje dat bij meester Jezus in de klas zit, begon mijn hart over de eerste woorden van deze psalm een nieuw lied te schrijven.
t’ Hijgend hert der jacht ontkomen….”

Thuis gekomen heb ik de bijbel gepakt en verschillende versies van psalm 42 gelezen, Engels en Nederlands, en kwam tot een verassende ontdekking!
Tot mijn verbazing lees je namelijk in de oorspronkelijke bijbeltekst van deze psalm, nergens van een hertje dat dorst naar water, Nadat het aan de jacht ontkomen is.
Ik moest er om glimlachen, omdat ik in de kerk van vroeger, en op de School met de Bijbel, vaak in verhitte discussies verzeild raakte over De Oude en de Nieuwe Vertaling van de Bijbel, daaraan automatisch de koppeling naar oude en nieuwe berijming van de Psalmen.
De Nieuwe Vertaling aanhangers werd daarbij veelal de mond geprobeerd te snoeren met de tekst uit Openbaring 22

‘En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.’
‭‭Openbaring‬ ‭22:19‬ ‭SV1750‬‬
http://bible.com/165/rev.22.19.sv1750

In de gesprekken van destijds, werd niet alleen “afdoen” als heiligschennis gezien, het zelf erbij bedenken van woorden die niet in de tekst stonden, stond automatisch gelijk aan dat “afdoen”
Onwetend en zoekend zoals ik was, praatte ik ook maar na wat me geleerd was.
In mijn wanhopig en zoekend hart had ik tenminste een soort van houvast in de woorden uit de Oude Vertaling en Oude Berijming.
Hongerig naar de Levensboom en bang mijn deel afgenomen te zien worden, wat dat deel dan ook maar betekende, klampte ik me in dit soort discussies vast aan het religieus denken van die tijd.
Tenminste, dat is hoe ik nu denk over deze gesprekken, en probeer me er daarom ver van af te houden, omdat het niets te maken heeft met het vanaf mijn geboorte schreeuwend hart, dat als het hertje uit Psalm 42 hunkerde naar het Levende Water.

Vandaar mijn glimlach over de ontdekking van vanmorgen; in geen enkele vertaling van Psalm 42 is er een verwijzing naar een hert, dat ontkomen aan de jacht, dorst naar een beekje waar het water drinken kan.
Hoe komisch is het dan, dat deze zin alleen voorkomt in de oude berijming van deze psalm, en dus door de heren berijmers, “ erbij is bedacht”

Ik dank ervoor!
Het is vast gedicht door iemand die in het berijmen van deze psalm niet alleen zijn hoofd, maar vooral zijn hart liet spreken, en daardoor profetische woorden schreef.
Daarin ontdek ik (weer) dat we een God vol humor hebben.
Een God die je doet lachen van plezier en mij in ieder geval laat glimlachen om de in de oude berijming uitgesproken profetie, en mijn voorhoofd doet fronsen om het religieus gepraat, dat niets met relatie te maken heeft.
Relatie met een levende God, de schepper van hemel en aarde, die als het hertje in Psalm 42, snakt naar omgang met mij!
Ik, die van nature zondig ben, en daarom niet anders heb verdiend dan Zijn toorn, zoals het in Efeze 2 staat.

Daarom is de zin ” t’Hijgend hert der jacht ontkomen” , zoals in de Oude Berijming op noten is gezet, zó passend in het Nieuwe Testament, het nieuwe verbond dat spreekt en getuigt van verlossing en redding door Genade alleen.
Waarom?
Omdat ik, degene die eerder nog opgejaagd door satans voortdurende aanklacht van niet goed genoeg zijn, zelfveroordeling, schuld en schaamte, nu meer dan goed ben door Jezus Christus,de Zoon van God, het opgejaagde en geslachte Offerlam.
Hij nam mijn plaats in, waardoor mijn zonde Zíjn dood werd!
Hij is niet aan de jager ontkomen, daardoor kan ik nu zingen over het zelf aan de jacht ontkomen zijn!
Hij riep aan het kruis;” mij dorst” en kreeg zure wijn te drinken, waardoor ik nu het Levend Water mag drinken aan Zijn beek van gerechtigheid, vrede, vergeving, ontferming, genade, barmhartigheid en liefde.
Kortom ik mag leven in de schuldvrije ruimte, waar ik , niet meer opgejaagd, vrij drinken mag van Hem, de gekruisigde en opgestane Heer.

Zing je met me mee?

t’Hijgend hert der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar t’genot,
Van de frisse water stromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God,
Ja mijn ziel dorst naar de Heer,
Die mij telkens keer op keer,
Met een hart vol met mededogen,
Brengt waar ik Hem wil verhogen!

Koninklijk vervoer.

Mijn aankomst op het weekend van “In Christus Heel ” was nogal spectaculair.
Tenminste, dat plakkertje vind ik zelf passend, misschien dat iemand anders het minder theatraal labelt.
Deze gebeurtenis is me later in het Pastoraat erg goed van pas gekomen, of liever gezegd, de Heer zelf heeft me daarin iets duidelijk gemaakt.

Mijn goede buur, Henk, wilde mij wel graag naar Den Haag brengen, volgens Maps een ritje van 22 minuten.
Maar een aanrijding Motor/Personenbusje gooide mijn schema in de war, zodat ik een sms uit zond, omdat ik wellicht veel later dan gepland aan zou komen.
Erg jammer, want nu miste ik het voorstelrondje van zowel het team als de deelnemers.

Maar, Hahaha, mijn entree was er een als van geen ander.
Wat gebeurde?
Omdat we niet me de auto voor het Wilibrordushuis parkeren konden moest ik een behoorlijk stukje lopen naar de Oude Molsstraat.
Omdat ik, als gevolg van een operatie, nog aan het revalideren ben, net iets te ver.
Maar gelukkig, Henk liep mee en droeg opgewekt mijn bagage, alhoewel deze opgewektheid steeds verder daalde, daar het toch wat verder lopen was als voorzien.

Volgens Maps kwam ik op een gegeven moment bij het parkje achter Paleis Noordeinde, waar ik dwars doorheen moest.
Tot mijn en Henk’s grote schrik werd precies op dat moment het park door de wachtlopende Koninklijke Marechaussee afgesloten!
De moed zonk me in de schoenen bij het advies weer helemaal terug te lopen om vanaf de andere kant in de Oude Molsstraat aan te komen.

Een jonge vrouwelijke Marechaussee toonde weinig genade:” terug, u ziet maar hoe u daar komt”
Weer werd maar eens bevestigd( zonder overigens te generaliseren) dat vrouwen, wanneer de mogelijkheid zich aanbiedt, onder elkaar niet de meest vriendelijke kunnen zijn.
Terwijl ik met mezelf stond te overleggen wat ik nu doen moest, beseffend dat ik geen andere keus leek te hebben dan retour beginpunt te gaan, kwam een ander mannelijk lid van de Koninklijke Marechaussee vragen wat er aan de hand was.
Ook hij had daarna het advies de weg terug te lopen, waarna ik moedeloos, de pijn in mijn pas geopereerde heup proberend te negeren, mijn terugweg in wou zetten.

Maar hallelujah voor de cliché bevestigende jonge man, hij kwam mij, de vrouw, redden!
” Wacht maar even mevrouw, we gaan u brengen!”
Hij trommelde zijn maat op en reed mijn taxi, een heuse auto van de Koninklijke Marechaussee, voor.
Trots op hun reddende rol, hield hij de deur aan passagierskant voor me open, terwijl zijn collega mijn bagage inlaadde, en zelf op de achterbank plaats moest nemen.
De Marechaussee die aan het stuur zat zei nog dat hij het bovendien bijzonder leuk vond dat zijn collega nu zelf eens achterin mocht zitten, op de plek waar meestal een ander soort passagiers vervoerd wordt.

En daar gingen we, door straatjes waar het voor ” gewone” auto’s verboden is, werd ik dwars door het centrum van Den Haag, vlak voor de deur van het Wilibrordushuis afgezet.
Hoffelijk als mijn twee begeleiders waren, belden ze voor me aan, hielpen me galant de auto uit, en plaatsten mijn bagage op de stoep van het klooster.
Pas toen ze zeker wisten dat ik binnen werd gelaten, namen ze afscheid, met de grappige opmerking:” mevrouw, dit was gewoon een taxi van uw eigen belastingcenten hoor”

Daarna werd me natuurlijk verschillende malen gevraagd hoe dat nou gegaan was?
Was ik degene die door de Koninklijke Marechaussee gebracht was?
Hoe kwam dat dan…?
Nou, zoals ik verteld heb.

In de daarop volgende dagen werd me steeds duidelijker dat Vader deze taxirit voor mij gearrangeerd heeft!
Waarom?
De laatste tijd heb ik er nogal moeite mee steeds mijn hand op te moeten houden, omdat mijn financiële situatie me daartoe dwingt.
Het” dankjewel” ging me de keel uit hangen, alsof het een soort doem of vloek was waarvoor ik me steeds meer schaamde.
Oordeel en schulddenken nam het over van de dankbaarheid over de zorg van mijn God en Vader van Jezus, de gekruisigde en opgestane Heer.
Ja, ik was boos, erg boos om het niet zelf kunnen betalen van dit of dat, en boos om het feit dat ik alwéér ” dankjewel” moest zeggen.

Totdat in het Gebedspastoraat Vader me zonder verwijt zei dat Hij erg verdrietig werd van mijn “mokkend kleine meisjes zelluf doen” gedrag.
Omdat ik Hem de vreugde van het geven ontnam…!
Ik moest huilen om Zijn liefdevolle terechtwijzing!
Toen vertelde Hij mij dat ik Hem zoveel waard ben dat ik bij Hem voorin mag zitten op de plek van Zijn Zoon.
De beste plek naast Vader!
Ik schaamde mij alweer, maar nu om mijn gemok als van een ongeduldig kind, dat in plaats van me te laten koesteren, zijn schoot vol blauwe plekken trappelde.

Wat een God is Hij dat ik steeds weer, in de door Hem geschapen schuldvrije ruimte, op mijn plek wordt gezet.
Want in Hem, leef en beweeg ik en word ik gruwelijk verwend!

DankUwel Pappie…

http://gebedspastoraat.nl/

In Christus Heel

Blowing in the wind.

Afgelopen weekend was ik op een retraite weekend van de stichting “In Christus Heel”
http://gebedspastoraat.nl/

Een geweldig mooi weekend, waarin ik, opgenomen in een groep andere Godskinderen, me onder mocht dompelen in een zee van loving kindness…
In mijn hart zong vanaf begin tot eind een psalm: “ hoe lieflijk hoe vol heil-genot, oh Heer der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen.”
Of, in de meer modernere versie:” hoe lief heb ik Uw huis,, Heer van de hemelse legers.”

Want dat is waar ik wil zijn, in Zijn huis!
Samen met andere kinderen van God, mijn broers en zussen, dáár te zijn waar Hij, Jezus, in het centrum van ons denken staat, het onderwerp van gesprek is, de motivatie om zo’n weekend te beleven, het doel van mijn bestaan.
Dus ook het doel van dit weekend, Jezus, de gekruisigde en opgestane Christus.

Ontroerend hoe uren eer wij, als “ pastoranten ” aankwamen, het team van In Christus Heel, ons op de weg er naar toe biddend begeleidde.
Hoe welkom kun je zijn!
Allerlei meest onbekende mensen, die je ongezien voor de troon brengen van degene wiens oog sluimert nog slaapt, Abba Vader!
Vol verlangen om datgene wat ze zelf van de Heer ontvingen, door te geven aan ons, aan mij!
Zelf in vuur en vlam voor Jezus, het vuurtje brandend te houden in de ander.
Of, wanneer het vlammetje walmt en dreigt te doven, de adem van Jezus te blazen, zodat het vuur weer opvlamt.

Het is mooi om in de andere deelnemers dezelfde soort spanning en verwachting te zien.
Vooral wanneer je de eerste keer komt, en dus totaal onwetend bent over wat je verwachten kunt, is het best dapper dat je die stap doet.
Wellicht is het bij de meesten zo dat hun dit weekend aangeraden is door iemand die al eens eerder is geweest, of zoals in mijn geval een teamlid en persoonlijk vriend.

Wat ben ik blij dat ik geweest ben!
Het meeste moet nog bezinken, dus misschien ga ik er nog meer over schrijven, maar voor nu heb ik de “ pen” even nodig in het toevertrouwen aan het “ papier” van zoveel goeds ontvangen te hebben.

Het was soms een badkuip vol heerlijk schuimend sop.
Een bubbeling van zachte belletjes die elk hun eigen geur hadden.
De geur van liefde, goedertierenheid, genade, ontferming, redding, heling, genezing, voorziening, tederheid, erbarmen en liefde.
Niet zomaar liefde, een liefde waarbij vluchtig en snel alleen het moment telt, nee een lange termijn liefde.
Bedoelt om tot in alle eeuwigheid lief te hebben.
Achterover liggend in het warme bad, vlogen de geurige sop-bellen in grote dotten door de badkamer, als pluizen van de paardebloem, die ik als kind van hun steeltje de wijde wereld in blies.

Een andere keer was het een Wedstrijdbad waar ik bibberend als een rietje op de hoge duikplank stond, te bang om zelf de diepte te bespringen.
Aangemoedigd door mijn voorgangers, soms onhandig en klunzig waagde ik toch de buiteling door de lucht, waarna ik als een bommetje in het heldere water plonsde, en door de snelheid van het “ boven naar beneden,” aangetrokken door de aantrekkingskracht van de aarde, de bodem van het zwembad raakte, en toch gewoon weer boven kwam, waar ik opgewacht werd door een applaudisserende Jezus.

Omdat Hij niet anders verwachtte, nl. dat ik gewoon weer boven kwam, zat Hij met Zijn voeten in het water bungelend op de rand van het bad, waar Hij brood en wijn had klaargezet.

Wat een Heer is Hij,
Vol goedheid en genade, mercy and grace, brak Hij met Zijn doorboorde handen het brood, mij te binnen brengend hoe Hij zelf aan het kruis, als het Ware Brood verbroken werd, voor mij!
Daarna schonk Hij de rode wijn in een prachtig zilveren beker, en reikte me die aan, zodat ik als eerste drinken mocht.
Na mijn teug zoete heerlijkheid, die mijn hart verwarmde, gaf ik Hem de beker, waarna Hij precies daar de beker naar Zijn mond bracht, waar de afdruk van mijn lippen zichtbaar was.

Me kussend in de wijn zat ik naast Hem, 4 benen bungelend in het warme water.
Zijn armen om me heen fluisterde Hij liefkozende woordjes en zong een minneliedje voor mij.

Zo’n warm bad gun ik iedereen, omdat Jezus van het delen niet minder wordt, maar juist meer en meer!
Zoals de vijf broden en de 2 vissen gebroken meer dan 5000 mensen voedde, waarna er nog 12 manden over waren, zo vermeerdert Hij in de harten van degene die verlangen naar Zijn Brood en Wijn.
Net als de pluisjes van de paardebloem overal waar ze landen een nieuwe gele kleurenpracht geven, waarna ook die pluisjes de grond om hen heen veroveren, zo bid ik voor de harten van degene om me heen, waar ik als Zijn dierbaar kind Zijn goedheid verder blazen mag.