All I want for Christmas is You!

Als klein meisje kon ik ontzettend uitzien naar mijn verjaardag.
Eer het zover was werden de nog te slapen nachtjes ongeduldig afgeteld en weggestreept tot het eindelijk 13 mei was: mijn dag!
‘Dat je maar gauw een grote meid mag worden,’ zei men vaak.
Nu ben ik groot en nog net als vroeger geniet ik van mijn verjaardag, maar toch anders; ik ben niet meer het onbevangen kind van toen maar zo wel zo blij als het kind van toen.

Precies zo zag ik als klein meisje uit naar de viering van Jezus’ geboortedag, het Kerstfeest.
Wat was het nog heerlijk onbezorgd, Moeder haalde de ballen en lichtjes van zolder, Vader zorgde voor een boom, en wij kinderen mochten hem volhangen met wat men nu vintage versiering noemt.
Vooral de vogeltjes op het knijpertje en het zilverkleurig klokje met een echt klepeltje hadden een enorme bekoring.
Af en toe mocht ik het klokje zijn betoverend klingeltje laten rinkelen, wat in mijn oren als de uitnodiging van de zondagse kerkklokken klonk.
‘Welkom, welkom, welkom.’
Naarmate de boom langer in ons door de kolenkachel verwarmd huis stond, werden de takken steeds kaler wanneer mijn klokje zijn welkom klingelde.
Dat was ook de reden dat zodra het 27 december was Moeder de boom weer opruimde en Vader deze aan de waslijn hing om pyromaantje te spelen.
De vlammen vlogen soms boven het dak uit…wat hadden we een pret.

Kerst, het feest van Jezus’ geboorte…
Denkbeeldig zat ik op mijn knietjes voor de kribbe en bewonderde het kindje Jezus dat me vriendelijk toelachte.
Net zoals de in doeken gewikkelde baby, zo was ook de volle betekenis van zijn komst in nevelen gehuld.
Het was genoeg dat het kind gekomen was, ook voor mij.

Naarmate ik ouder werd, groeide Jezus met me mee in de onthulling van het geheimenis van lijden, smadelijke dood aan het kruis en glorieuze opstanding uit het graf.
Alhoewel ik geloof over een eeuwigheid nog slechts een fractie van de noodzakelijkheid van Zijn komst te bevatten, in het kleine beetje weten van nu groeit een steeds groter en dieper ontzag voor Jezus Christus de Zoon van God, de Redder van de wereld; mijn Heiland.

Kerst, het feest van de geboorte van het Christuskind…
Ik wilde wel dat het nog net zo onschuldig en eenvoudig was als vroeger.
Eerste Kerstdag 2 keer naar de kerk, tweede Kerstdag het Kerstfeest van de Zondag-school.
We aten peertjes of witlof, koevlees of rollade, we maakten hangop met perzik uit blik en kregen ter ere van Kerstfeest een met melk aangelengd advocaatje met slagroom.
We zaten rond de tafel en ik liet me betoveren door de door kaarsvlammetjes ronddraaiende engeltjes.
Stille nacht, heilige nacht
Ere zij God, in mensen een welbehagen.

Wat kan ik een heimwee hebben naar Kerstfeest, zonder al die toeters en bellen van nu.
Zonder Hohoho en kerstmannen met dikke buiken, geen Jinglebel Jinglebel en lange rijen voor de kassa’s in de overvolle winkels, maar gewoon een familiefeest om de geboortedag van een bijzonder broertje.
Een verjaardagsfeestje waar Hij gekroond op de stoel mag staan en we Hiep Hiep Hoera Hoera schreeuwen en juichen, zo hard dat Vader het ook horen kan.
Een fuif waar niet de kalkoen maar het Lam in het middelpunt staat, Hij, mijn grote broer Jezus:
Waar we dansen op het lied;
‘All I want for Christmas is Him!’ en meezingen met het engelenkoor: ‘Heilig heilig heilig, is de Heer God Almachtig.’

Ik zie uit naar de dag, die grote dag waarop de bazuinen zullen schallen en het alleen nog maar om Hem zal gaan, Jezus Overwinnaar.
De dag waarop Hij alles in allen zal zijn…

Kerst, het geheim in doeken.
Hier, kijk dan, hier ligt Hij, de Zoon van God…
Luister dan, hier klopt het Vaderhart, hier tussen die doeken…
Hoor je het in de hamerslagen op Golgotha?
‘De schuld betaald, de schuld betaald…’
Kom naar het open graf.
Zie je de uit de doeken gewikkelde dwaasheid van het kruis?
Hoor je het bloed roepen?
‘Ik hou van je, Ik hou van je!’
Kijk dan, Hij is opgestaan,
Hij is niet dood
Hij leeft!!

Kerst, invasie uit de Hemel…

Veilig in Jezus armen.

Er zijn van die momenten waarop machteloze woede om aanhoudend onrecht me plotseling kan overvallen.
Niet maar zo opeens natuurlijk, de oorzaak is vaak een stapeling van duwtjes en prikjes, het druilerige weer en gek genoeg net zo goed een heel mooie reden, zoals bijv. een vriendelijk gebaar of het teken van Gods trouw aan het firmament..

‘Laat het achter je’ is dan zo vreselijk goedkoop, want hoe kun je iets achter je laten als je dat maar blijft achtervolgen?
Het klinkt in mijn oren als: ‘wanneer je hier maar over blijft zeuren laat ik jou achter me.’
Daarom is het goed met David de harp te pakken en mee te brullen naar God.
Waar anders is mijn woede om wat was en nog steeds is, veiliger dan bij mijn God en Vader?

‘Voor de leider van het koor.

Een prachtig lied van David, op de wijs van: ‘Dood mij niet.’
Koningen en heersers, zijn jullie wel rechtvaardig?
Spreken jullie inderdaad recht? Nee! Jullie zijn juist kwaad van plan.
Jullie doen allerlei slechte dingen. Mensen die zich niets van God aantrekken, zijn al vanaf hun geboorte ontrouw aan God.
Ze liegen vanaf de dag dat ze zijn geboren.
Hun slechtheid is als slangengif.
Ze zijn zo doof [ voor God ] als een slang die niet wil luisteren naar de slangenbezweerder, al speelt deze nog zo goed op zijn fluit.
Ze zijn zo gevaarlijk als leeuwen. God, maak hen machteloos!
Zorg dat ze niets meer kunnen doen met hun klauwen en hun tanden! Laat hen helemaal verdwijnen, zoals water dat wegzakt in de grond.
En als ze op me willen schieten, breek dan hun pijlen in stukken.
Laat hen verdwijnen, als een slak waar je zout op strooit.
Laat hen sterven, als een te vroeg geboren kind.
Hij blaast hen weg, zoals doorntakken onder een pot worden weggeblazen door de wind.
Hij blaast ze weg, zowel de groene als de dorre takken, vóórdat de pot op het vuur de hitte heeft kunnen voelen.
De mensen die leven zoals U het wil, zullen blij zijn als ze zien hoe U de slechte mensen straft: ze zullen door het bloed kunnen waden!
Ze zullen zeggen: “Er is dus tóch een beloning voor de mensen die leven zoals God het wil. Er is dus tóch een rechtvaardige God!”’
‭‭PSALMEN‬ ‭58:1-12‬ ‭BB‬‬
https://www.bible.com/1276/psa.58.1-12.bb

Vanmorgen luisterde ik een preek over Micha 7:7.
Bemoedigend, omdat het over de trouw van mijn God en Vader gaat en tegelijk zeer pijnlijk omdat het verlangen naar recht zo herkenbaar zeer doet.

‘Maar ik zal uitzien naar de Here, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.’
‭‭Micha‬ ‭7:7‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/mic.7.7.nbg51

Met Habakuk zing ik de woorden van zijn hoopvolle lofzang mee:

‘Zelfs als de vijgenbomen niet zullen bloeien, en er geen één druif in de wijngaarden te vinden zal zijn,
en we geen enkele olijf van de olijfbomen zullen kunnen oogsten, en er niets meer op de akkers zal groeien,
en alle schapen uit de stallen zullen worden geroofd,
en alle koeien verdwenen zullen zijn,
zelfs dan (!) zal ik tóch nog juichen over de Heer, blij jubelen over de God die voor mij zorgt.
Want de Heer is mijn kracht.
Dankzij Hem zal ik rondspringen als een hert. Hij zal ervoor zorgen dat ik stevig blijf staan.”’
‭‭HABAKUK‬ ‭3:17-19‬ ‭BB‬‬
https://www.bible.com/1276/hab.3.17-19.bb

Evenzo zing ik met David de woorden van psalm 23:

‘Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen.’
‭‭Psalmen‬ ‭23:6‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/psa.23.6.nbg51

Over stalken gesproken!
Zijn goedheid en genade (achter) volgen mij dag aan dag.

Gelukkig mag het allemaal naast elkaar staan, woede, roep om recht, roep om wraak, verdriet, pijn, verlangen en vertrouwen.
Bij Hem ben ik veilig.

‘Hij heeft mij verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie ik de verlossing heb, de vergeving der zonden.’
‭‭Kolossenzen‬ ‭1:13-14‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/col.1.13-14.nbg51

‘God is goed!
Altijd!’

Ik ga me nog weer een keer laten bemoedigen door de preek.
Luister je mee?

https://kerkdienstgemist.nl/stations/363/events/recording/157700520000363

Fladderende vogeltjes.

Vandaag is het 24 november, de verjaardag van mijn oudste dochter en tweede zoon.
Twee heel verschillende baby’s toen ze geboren werden, Joke, klein, blank en rossig, Jelle-Dirk, een spek-rug, en donker.
Het liefst vierde ik samen met mijn kinderen hun verjaardag en ik weet wel zeker dat ook zij die wens hebben, maar het is anders gelopen.
Om niet te verdrinken in de put van eenzaamheid, verdriet, schuld en schaamte ben ik naar LaPlace gegaan om een gebakje te eten en zo de verjaardag van mijn kinderen te vieren.

Om het tafeltje waaraan ik mijn feestje vier staan 4 stoelen waardoor het alleen zijn extra benadrukt wordt.
Terwijl allerlei herinneringen en beelden van toen om aandacht vragen, kijk ik om me heen naar al die mensen die samen zijn en soms komen vragen of ze bij een stoeltekort één van mijn stoelen weg mogen pakken.
Er bevangt me een soort van ‘ik gun het jullie, maar ook mezelf zo hevig’ jaloezie tot mijn blik de pas inhoudt bij het tafeltje tegenover me.
Aan de ring om de vinger van het, naar ik schat iets oudere echtpaar dan ik, is te zien dat ze niet alleen zijn, ze horen bij elkaar, ze zijn samen.
Gebiologeerd staar ik naar de spiegeling van de prachtige sfeerverlichting in de bolling van het gouden verbondsteken van deze twee mensen.

Verdrietig bedenk ik me dat ik ook een paar keer zo’n kostbaar glimmend teken van het huwelijksverbond omgeschoven heb gekregen.
‘Ja, dat beloof ik,’ klonk daaraan vooraf.
Nog voor de film van vroeger op repeat staat, kruist mijn blik die van de vrouw en zie in één oogopslag dat het enige wat dit echtpaar aan het tafeltje tegenover me nog bindt, dat gouden bandje om hun ringvinger is.
Aan de oorverdovende stilte hoor ik dat ze elkaar niets (meer) te zeggen hebben.
Ik sla mijn blik beschaamd neer, alsof ik iets gezien heb waar ik eigenlijk niet kijken mocht.

Omdat ik me zo herken in deze vrouw, bomvol binnengehouden woorden toestemming smekend gezegd en gehoord te worden, begint er toch een film te draaien en ik laat het maar gewoon toe.
Ik kijk in een hart vol liefde, gedachten en verlangens naar de ander, jarenlang opgesloten en gevangengehouden door de wrede vuist van de hand die dezelfde ring draagt als de hare.
Woorden die recht hebben van spreken, maar door het verbod om te zeggen wat vanbinnen leeft het zwijgen zijn opgelegd.
In de ineengedoken houding van de vrouw herken ik een uitgedoofd kaarsje dat eens met haar flikkering nog hoopte het leven van de ander iets meer warmte en kleur te geven.
De handen in haar schoot vertellen het verhaal van een ongelijke strijd, waardoor ze de handdoek maar in de ring heeft gegooid.
Er waren geen oren om te horen wat ze te vertellen had dus deed ze er het zwijgen maar toe.

Ach, wat heb ik een medelijden met deze vrouw, eens een dartelend jong vogeltje dat haar vleugels in de wijde wereld uitsloeg, fluitend en zingend, vervult van blijde hoop en verwachting.
In de vaste overtuiging dat de man tegenover haar dezelfde hoop en verwachting koesterde, liet ze zich verlokken op zijn mooie stokje neer te strijken en daar te blijven.
Ze was thuis, dacht ze en liet zich ringen.
In de euforie van het ‘samen voor altijd’ uit vrije wil verbonden, bemerkte ze al snel dat om het houten stokje een kooitje werd gesmeed
Of zat het er altijd al en had ze door de roze bril van verliefd zijn het doel, haar aan handen en voeten te binden over het hoofd gezien?

Wanneer haar ogen de mijne nogmaals kruisen zie ik een walmend vlaswiekje, nog niet helemaal gedoofd.
Ik vraag me af of zij soms ook jaloers is op mij?
Zou zij denken: ‘wat heerlijk dat die vrouw aan het tafeltje tegenover me met niemand rekening hoeft te houden.
Wat benijd ik het dat je zomaar alleen een gebakje kan gaan eten.
Zou die vrouw aan het vierpersoons-tafeltje wel genoeg beseffen hoe fijn het is alleen te zijn?
Niet geringd en gekortwiekt?
Je niet af te hoeven vragen of dat wat je wilt zeggen wel gehoord wordt?’

In mijn hart is een stil gebed voor de kinderen uit mij geboren en voor deze vrouw:
‘Vader, lok deze bange fladderende vogeltjes naar het houtje op Golgotha en mag ik degene zijn die Uw kruis omhoog houd?’

Mijn mooiste ketting.

In mijn brein liggen gebeurtenissen en ervaringen opgeslagen waarvan ik de meest waardevolle als kostbare kralen aan een herinneringsketting rijg.
Iedere kraal heeft zijn eigen vorm en kleur, de een mooi rond, de andere wat ongelijker of hoekiger van vorm, maar elk even schitterend en uniek.
Het kan zo maar zijn dat een bepaalde geur, een geluid, muziekstuk of klein gebaar me de kralen als een rozenkrans door de vingers doen glijden.
Tastend naar de vorm roept iedere kraal zijn eigen gevoelens en emoties boven, waarbij het memoriseren niet automatisch een glimlach op mijn gezicht tevoorschijn hoeft te roepen.
Het gebeurt al te vaak dat een bepaalde herinnering mijn ziel als een scherpsnijdend zwaard doorklieft.
Gaat het dan om een herinnering die trauma heeft nagelaten?
Geenszins, het zijn juist de meest kostbare kralen, kralen die zó waardevol zijn, dat ze me door het gemis en heimwee naar die persoon of situatie de adem benemen.
Dit heimwee en gemis doen deze kralen des te meer het alleen zijn als een soms ondraaglijk zeer ervaren.
Ze onderstrepen de eenzaamheid als brengt het mijn klok van slag waardoor ik als het ware even stil moet gaan staan bij toen…

Wanneer ik bij het door de vingers gaan van deze kralen mijn kussen nat huil, is daar steevast iemand anders die onder míjn streep een andere streep trekt.
Terwijl ik mijn van pijn gekromde ziel ophef om te zien wie deze dubbele streep heeft gezet, zie ik niemand anders dan Jezus alleen die mij uitnodigt met zíjn ogen te kijken naar mijn eenzaamheid en gemis.
Hij laat me vervolgens zien en beseffen dat de kraal aan mijn ketting juist daarom zeer doet omdat deze kraal iets zeer kostbaars en waardevols in zich bergt.
Niet om daarmee het zeer te verhullen, maar veelmeer om beide emoties te laten bestaan; pijn en dankbaarheid, vreugde en gemis.
Jezus verbindt zich aan mijn pijn en aan mijn vreugde, mijn blijdschap en mijn verdriet.

Vol liefde en mededogen houdt hij vervolgens zijn doorboorde handen op en wacht tot ik mijn ketting erin leg.
Het maakt hem niet uit dat de kralen glibberen van mijn snot en zoute tranen, mijn ketting is hem des te meer waardevol.
Uit één van zijn doosjes haalt hij een kraal, rood als bloed, en vraagt me of hij deze aan mijn ketting rijgen mag.
Zijn vingers strelen mijn natgehuilde wangen, waarna hij zonder er ook maar eentje over te slaan al mijn tranen in een flesje giet.
Ik volg met belangstelling zijn voorzichtige beweging waarmee hij mijn ketting om de hals van zijn flesje hangt en zie in zijn ogen opeens dezelfde heimwee als die mij zo pijn doet.
‘Kijk nog eens goed mijn lief,’ zegt hij teder.
Ik kijk in zijn gezicht vol ontfermend mededogen en doe een verbijsterende ontdekking.
De pijn van gemis naar dat wat was blijkt door zijn ogen een heimwee naar het nog niet maar in hem absoluut zeker en vast.
Hij glimlacht om mijn verbazing en vraagt me: ‘Je wist het toch al wel dat ik net zo naar jou verlang als jij dat naar mij doet?’
Natuurlijk weet hij dat ik het soms even kwijt ben, maar wat is hij lief dat hij het niet tegen me houdt.
Ik kan alleen nog maar zeggen: ‘ja Heer, ik weet het toch altijd al!’

‘Kom’ zegt hij, ‘we gaan naar de juwelier.
Daar mag je een mooie nieuwe kraal uitzoeken…’

Porseleinen Kopje

Als klompje klei lig ik al een tijdje te wachten op de warme handen van de pottenbakker.
Ik zie hem de meest prachtige kommen en schalen formeren, groot en klein, in allerlei vormen.
Wanneer hij de kast opent voor weer een nieuw klompje klei hoop ik zó dat hij mij in zijn handen neemt, maar tot nog toe slaat hij mij iedere keer weer over.
Zou hij mij wel gezien hebben?
Mijn klompje is kleiner dan die van de andere, maar de pottenbakker heeft me hier zelf een tijdje geleden neergelegd, dus waarom hij mij nu elke keer over het hoofd ziet…

Eindelijk, de pottenbakker neemt me in zijn tot een kommetje gevormde handen en begint me langzaam van de ene naar de andere kant te rollen.
Hij brengt me dicht bij zijn gezicht en fluistert plagend: ‘was je bang dat ik je vergeten had?
Weet je, ik heb een speciaal plan met jou, wacht maar.’
Van mij mag hij nog uren doorgaan, zo lekker warm word ik van het heen en weer rollen in de handen van de pottenbakker.
Langzamerhand ben ik een mooi rond balletje geworden waar ik best wel tevreden over ben.
Maar dan, plotseling is het niet leuk meer, de pottenbakker duwt allebei zijn sterke duimen in me waardoor hij mijn mooie vorm in één klap ruïneert.
Alle tien zijn vingers beginnen me te kneden en de ruwe stukjes uit me te plukken waarbij het wel lijkt dat de pottenbakker er nog plezier in heeft ook!
Is hij nou helemaal gek geworden?
Ik wilde wel dat ik nog op de plank lag!

Help, help, de pottenbakker is opeens een nare man geworden, een bruut, die het leuk vindt me zeer te doen.
Hij brengt me weer naar zijn gezicht en ik verwacht een flinke uitbrander te krijgen.
Waarom zou hij anders zo ruw met me doen?
Maar dan merk ik dat zijn ogen nog steeds net zo liefdevol glanzen als toen hij me net in zijn stoere knuisten nam.
Zijn stem klinkt nog even teer wanneer hij zegt: ‘het lijkt dat ik niet van je houd, maar ik moet je even pijn doen.
Het kan niet anders, voor mijn plan met jou moeten alle korreltje en luchtbelletjes verwijderd zijn.’
Zijn ogen en stem overtuigen me waardoor ik hem maar gewoon zijn gang laat gaan.
Na een tijdje ben ik zo gekneed en uitgepulkt dat het net lijkt alsof ik een zachte klont boter ben.
De pottenbakker legt me op zijn draaischijf waarna hij me als in een draaimolen rondjes laat draaien.
Het is dat zijn boetserende vingers me vasthouden anders lag ik vast al lang op de grond.
Ik word er duizelig van, maar de pottenbakker stelt me vriendelijk gerust.
Verbeeld ik me het of is het echt zo dat hij af en toe een traantje van ontroering weg pinkt?

Ik ben zo benieuwd wat de pottenbakker van mijn klompje gemaakt heeft, maar ik mag het nog niet zien
‘Het wordt straks nog mooier, eerst uitharden en in de oven, en dan…verder verklap ik nog niks.’
Mooi is dat, me zo in onzekerheid achter te laten!

Nog voorzichtiger dan eerst zet de pottenbakker me na een paar dagen in de oven.
Het wordt al heter en heter, ik gil het uit.
‘Au, Au.Wat doet u allemaal met mij, haal me hier uit, ik verbrand…’ maar de pottenbakker trekt er zich niks van aan.
Hij zet me daarna voor zich neer en bekijkt me van alle kanten.
Zo te zien is hij erg blij met me, dus nu mag ik mezelf ook vast wel zien, maar nee, ik ben nog niet af, zegt hij.
Hij begint met een scherp papiertje over me heen te wrijven, wat ook helemaal niet fijn voelt.
‘Ik schuur net zo lang tot je zo glad als een bel bent,’ zegt de pottenbakker, ‘maar ik moet heel voorzichtig zijn want ik wil niet dat je uit elkaar barst.’
Ik wilde dat hij mijn omgevormd klompje maar gewoon links had laten liggen want ik vind de handen van de pottenbakker helemaal niet lief meer…
Ondertussen blaast hij glimlachend het stof van me af en gaat er eens goed voor zitten.
Naast me staan een paar potjes met verf waarin de pottenbakker keer op keer een klein kwastje doopt om me te beschilderen.
Het kietelt en kriebelt, ik kan amper stil blijven staan.
De pottenbakker lijkt zeer tevreden over zijn werk, zijn voorhoofd glimt van trots.
Nu mag ik mezelf vast ook bekijken, maar oh nee, hij zet me weer in de oven.
Het wordt nog heter dan de vorige keer, maar het schijnt de pottenbakker niet te deren.
Met zijn hoofd voor het glas wacht hij nieuwsgierig af wat er met mij gebeurt.
Eindelijk tilt hij me weer in het kommetje van zijn handen en bekijkt me van alle kanten.
‘Wat ben je mooi geworden’ zegt hij, ‘precies zo als ik het me voorgesteld had.’
Springend en zingend doet hij een rondedansje door zijn atelier, zo blij is hij.

‘Kom, ik ga je aan jezelf laten zien,’ zegt hij en haalt het antieke spiegeltje van de muur.
Hij zet me voorzichtig op tafel met het spiegeltje tussen ons in.
Opgewonden wacht hij mijn reactie af…
Waar ik naar kijk is haast niet te bevatten, zo mooi heeft de pottenbakker me gemaakt.
Ik kan niet geloven dat ik dat ben, zo prachtig; heeft de pottenbakker dat echt uit mijn eerder onooglijk grijze klompje klei gemaakt?
In de spiegel zie ik een betoverend mooie kop en schotel, maar kijk toch stiekem even naast me of er soms nog een ander kop en schoteltje staat.
Boven de spiegel zie ik de pottenbakker glimlachen, ‘je bent het echt hoor, precies zo als ik het bedoeld had.’
Als hij het zegt moet ik het dus wel geloven!
Mijn mooie ronde vorm is zo dun en fragiel geboetseerd en zo mooi zachtgeel glanzend paarlemoer geëmailleerd dat het wel lijkt alsof ik transparant ben.
Sierlijk gevormde krulletjes vormen twee oortjes waarmee ik kan worden vastgepakt.
Op het zuiverwit aan de binnenkant zijn prachtige bloemetjes geschilderd, zo teer dat het haast lijkt alsof de blaadjes door de wind bewogen worden.

Nu begrijp ik ineens dat de pottenbakker me eerst goed kneden moest voor hij me zo mooi maken kon.
Ik begin me een beetje te schamen voor dat ik zo tegenstribbelde en zoveel kabaal gemaakt heb maar zie meteen dat het paarlemoer daardoor doffer wordt.
De pottenbakker zegt dat hij nooit boos op me worden kan en alleen maar ongelooflijk trots op me is, dus hoef ik me nergens schuldig over te voelen.
Ik kijk nog eens goed en opeens zie ik het gezicht van de pottenbakker in het paarlemoer weerspiegelen.
Zijn ogen houden me gevangen in een cirkel van liefde en mededogen, ik kan niet meer anders dan prompt en fier glanzend voor hem te staan.
Voorzichtig neemt hij mijn oortjes tussen duim en wijsvinger en brengt me aan zijn mond.
‘Ik ben zó blij met je’ fluistert hij zacht, ‘zo eentje als als jij heb ik nou altijd al gewild.’

Maar Heer, U bent onze Vader. U heeft ons gemaakt zoals een pottenbakker iets maakt van de klei. Wij zijn de klei en U heeft ons met uw eigen handen gemaakt.
JESAJA‬ ‭64:8‬ ‭BB‬
https://www.bible.com/1276/isa.64.8.bb

Wifi en breien.

Mijn kleindochtertje Yinthe is deze week te logeren, en wat hebben we het gezellig!
Waar ik zo blij van ben is vooral dat Yinthe zelf het zo leuk vindt, omdat ik eerst nog wel wat zorgen had of ze zich niet na twee of drie dagen zou gaan vervelen.

Thuis heeft ze al aan Mama gevraagd of ik wel Wifi heb, wat natuurlijk meteen na aankomst ingesteld wordt zodat ze via bluetooth onbeperkt YouTube luisteren kan.
Ik bedenk me dat de wereld erg verandert is en me zelf vroeger niet voor kon stellen dat we nu allemaal in een schermpje gevangen zitten.
Wifi en bluetooth?
Ook ik kan niet meer zonder!
Maar gelukkig, Yinthe is toch ook wel benieuwd naar het kneuterige van mijn ‘vroeger’ en vraagt:
‘Bessien hoe noem je dat dat je iets maakt op van van die stokjes, breien toch?’
‘Ja liefie dat is breien.’
Of ik haar dat leren wil?
Ze kan me geen groter plezier doen want wat is er nou leuker voor een Bessien dan haar kleindochter het genot van handwerken bij te brengen.
Bolletjes wol genoeg en meteen maar op de modernere manier, de rondbreinaald.
En warempel, ze heeft er slag van; insteken, omslaan, doorhalen, af laten gaan…zo trots al een pauw zit ze in mijn bank te breien en vraagt af en toe of ik de eerste steek weer even brei.
Ze tikt met de naalden een melodietje en vraagt zich af of ze later ook zo snel kan breien als Bessies’ dat doen.
Ondertussen groeit haar sjaal gestaag en trots verteld ze me dat ze volgende week aan haar klas laat zien dat ze breien kan.
Ik bedenk me: zonder Wifi of met WiFi, het toneel blijft hetzelfde, alleen de spelers veranderen.

Qua fantasie en beelddenken herken ik veel van mezelf in haar, het is soms net alsof ik naar mijn eigen kleine meisjes-ik zit te kijken
Precies eender als ik denkt ze ook in plaatjes en wil niets liever dan al die plaatjes met me delen.
Ze staat (ook) altijd aan!

Al breiende doet ze een geweldige ontdekking die ze natuurlijk niet vóór zich houden kan, dat moet onmiddellijk aan mij verteld worden…
‘Bessien, weet je waar het op lijkt?’ zegt ze.
‘Nou, vertel,’
‘Het is net alsof de steken een wedstrijdje houden om van het ene breistokje op het andere te komen.’
Hahaha, ik hoor mezelf praten; ‘ het is net alsof…’ waarna als vanzelf het filmpje in woorden wordt uitgebeeld.

Toen ze afgelopen zaterdag gebracht werd vertelde ze me alvast dat we iedere avond onder het knuffeldekentje tegen elkaar aan gingen zitten om een filmpje te kijken; ‘Toch Bessien?’
En zo gebeurt het ook.
Wanneer ik nog aan tafel zit wat huiswerk te doen roept ze dat het tijd is voor de film, waarna ze vast thee zet en het dekentje aan de stekker legt.
‘Kom je Bessien, het kleedje is al lekker warm.’
Daarna kijken we een film die ze zelf al een keer gezien heeft, maar waarvan ze het ze leuk vindt om die mij ook te laten zien.
Bij spannende of hilarische momenten zegt ze: ‘let op hoor Bessien, dit moet je zien!’
Ondertussen hoopt ze dat de dag geen einde heeft, zo gezellig is het!
Toch komt er een moment waarop ik zeg dat het bedjestijd is, en ze haar tanden poetsen moet.
Eerst pruilt ze nog wat maar wanneer ik haar beloof dat ik zo meteen uit de Bijbel kom voorlezen ligt ze binnen no time onder de wol.
Ik kom naast haar zitten en lees over Jozef en zijn avontuur met de Heer en vertel haar dat die God ook zo veel van haar houdt.

Ze drinkt de woorden in en verwondert vraag ik me af hoe het toch komt dat de oude verhalen nooit aan kracht verliezen.
Zou het kunnen zijn dat God al op de eerste scheppingsdag Wifi, bluetooth en het rondzingend melodietje op de tikkende breinaalden heeft bedacht?

De Vrolijke Ruil.

In verschillende kerken belegt men op 31 oktober een Hervormings’ of Reformatiedienst, een kerkdienst die in het teken staat van Maarten Luther, die op deze dag in 1517 zijn 95 proteststellingen t.a.v. de Katholieke Kerk op de deur van de Slotkapel van Wittenberg spijkerde.
Als kind ging ik al met mijn ouders mee naar deze dienst, maar begreep er werkelijk niets van!
Ik vroeg me namelijk af wat de zin van zo’n dag was wanneer we evengoed nog aan allerlei regeltjes van de kerk moesten voldoen.
Ik ging naar een Protestantse kerk en school, (er was zelfs geen R.K. school in mijn geboortedorp) en luisterde naar de verhalen over die goddeloze Roomsen, die dachten dat ze met aflaten kopen de hemel konden verdienen.
Mij werd verteld dat Maarten Luther de 95 stellingen schreef omdat hij tegen dat afkopen van zonde, waardoor de kerk schatrijk en de mensen zelf straatarm werden, in opstand kwam.

Wat ik maar niet begreep was waarom het handjevol mensen dat hevig snikkend aan de Heilig Avondmaalstafel zat dan zo besmuikt, maar in mijn kinderlijke ogen toch erg opzichtig, geld onder een geheim kleedje frummelde.
Dat was volgens mij toch precies hetzelfde als de Roomsen deden?
in mijn verstand liep het behoorlijk vast dat me een andere God dan die van de R.K kerk voorgesteld werd die vervolgens wel betaald moest worden voor dat stukje brood en slokje wijn.
Ik kwam weer wat tot rust bij het zingen van het hervorminslied: “Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen.”
Daar had ik meteen een klik mee, de tranen stonden me dikwijls al bij die eerste zinnen
in de ogen.(en ook nu nog)

Pas later, jaren na mijn ‘bekering’ leerde ik op een bijbelschool wat ‘Rechtvaardiging door Geloof’ betekent, dat wat Maarten Luther ‘De vrolijke ruil’ noemde.
Daarmee duidt hij de kracht en de betekenis van Christus lijden en sterven aan, de Zoon van God die in Zijn weg van vernedering en dood een ruilende Zaligmaker is.

Het sloeg in als een bom!
De donderende inslag die dit veroorzaakte, blies in één klap de dikke laag stof, waaronder deze waarheid op de bodem van mijn hart verborgen had gelegen weg.
In een ondeelbaar moment was ik opeens een ander mens geworden, zo voelde het.
Ik wist meteen dat ik nu pas echt vrij was.
Een vrijheid waarvan ik altijd al wist dat het de bedoeling van Christen zijn betekende, maar bedekt bleef onder het stof van schuld en oordeel.

En oh, wat was ik boos!
Want waarom had nooit eerder iemand me dit verteld?
Ik was wel tot geloof gekomen, kwam mijn leven lang al in de kerk, ging naar zondagsschool, catechisatie, allerlei verenigingen en conferenties, en toch wist ik ten diepste niet wat Rechtvaardiging door Geloof betekende.
Altijd was er nog dat knagende schuldgevoel, het eindeloze falen tegenover een heilig God, het nooit goed genoeg zijn en de eeuwige schaamte over wat ik alweer verkeerd had gedaan.
Ik rende rondjes in een ratrace van schuld, schaamte, zonde en schuld belijden tot ik weer terug was bij af waar de volgende schuld zich al weer aandiende.

In aanloop naar Reformatiedag ben ik om eerlijk te zijn nog steeds boos, maar dan anders.
Het is een heilige verontwaardiging over de leugen die veel christenen ook vandaag in de greep houdt van de cirkel schuld, schaamte en oordeel.
En daar, in dat staartje zit nou net het venijn van deze leugen, je voelt je door schuld en zelfoordeel weer eventjes goed en begint vol goede moed de strijd tegen de volgende zonde, maar beleeft nooit echte vrede.
Het valse daarin is dat het geweten gesust wordt met: “ach ja, we blijven nou eenmaal zondaars…” waarmee bedoelt wordt dat we er nu eenmaal niets aan doen kunnen, en dat God dat heus wel begrijpt.
Maar eerlijk, het is toch precies hetzelfde als het afkopen van zonde d.m.v. een aflaat?
De aflaat bestaat dan uit het vrome belijden dat we nu eenmaal zondige mensen zijn, wat niet anders is dan een zonde van eigengerechtigheid.
Alsof door het maar benoemen dat we zondaars zijn en daarom schuldig voor God staan, God wel tot vergeving bewegen zal.
In wezen neem je het niet zo nauw met de zonde, waardoor het steeds benoemen van schuld tot een vroom kunstje nederigheid verwordt, maar in feite hoogmoed en arrogantie is tegenover een heilig God, die de zonde zo serieus nam dat Hij Zijn eigen Zoon als straf daarvoor aan het kruis spijkerde.

Zeg nou zelf, aan het rennen in die ratrace is totaal geen eer te behalen, het put je enorm uit en maakt je geestelijk straatarm.
Moegestreden tegen de zonde en murw geslagen door schuldgevoelens geef je het uiteindelijk op want er lijkt geen ontsnappen aan.
Maar dat is precies de leugen van de bedenker van de ratrace, Satan.
Deze vroom lijkende leugen te geloven betekent dat Jezus voor niets een vreselijke dood gestorven is.
We zeggen het natuurlijk niet hardop, maar leven alsof Jezus’ offer niet genoeg is geweest en Hij speciaal voor mij nog een keer sterven moet.

Is het mogelijk deze eindeloze cirkel te doorbreken?
Het is inderdaad waar, we hebben zelf tégen God en vóór Satan gekozen, maar kunnen er in feite niets aan doen dat we veroordeeld zijn tot de ratrace waaruit op eigen kracht ontsnappen onmogelijk is.
Maar juist deze onmacht is een bevrijdende boodschap, omdat we daarom iemand anders nodig hebben om ons te verlossen, iemand die machtiger is dan de bedenker van de rattenval.
Iemand zonder zonde, Jezus de Zoon van God zelf.
In Zijn vrijwillige kruisdood nam Hij alle schuld op zich, ook die van eigen werken en hoogmoedige eigengerechtigheid.
In Zijn opstanding liet Hij de straf op de zonde, de dood, achter in het graf en stond als Overwinnaar op in een nieuw leven.

Dat is de ‘Vrolijke Ruil waar Maarten Luther het over heeft; mijn schuld op Hem, Zijn gerechtigheid op mij.
Waarachtig belijden wordt dan gelovend uitspreken:’ Heer ik kan het niet zelf, maar Hallelujah Amen, U doet het in mij!
Uw Borgtochtelijk (wat een wonderschoon woord) lijden en sterven heeft me vrijgekocht uit de macht van de zonde waarom ik niet meer hoef te zondigen want ik ben een nieuw schepping!’

Romeinen 8:1 zegt dat er geen schuld meer is, hoe mooi wil je het hebben;
Geen schuld!
Lekker hè; de Vrolijke Ruil…

Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!

Geen aardse macht begeren wij,
die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij,
dien God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar van de troon:
de zeeg is ons beschoren!