Verkering

Vandaag beluisterde ik een gesprek van een moeder en haar dochter.

De dochter, laten we haar in dit verhaal Eva noemen, heeft lange tijd niet veel willen weten van het andere geslacht, en al helemaal niet aan een relatie daarmee.
Het was onvoorstelbaar, totdat Gerald ten tonele verscheen waarna de wereld van Eva alleen nog maar uit één naam bestaat: Gerald!
Alle daarvóór bedachte plannen zijn op de tweede plek komen te staan omdat Eva’s gedachten enkel en alleen nog maar rond Gerald draaien.
Het heeft Eva in een zoete zuurstokrozekleurige staat van volkomen verstandsverbijstering gebracht.
Kortom Eva is verliefd.
Iedere gelegenheid wordt aangegrepen om samen te zijn wat, doordat het verliefde stel nogal ver uit elkaar woont niet eenvoudig is.
De gesprekken via Whatsapp beeldtelefoon duren daarom vaak tot in het ochtendgloren van een nieuwe dag.

Eva vertelde dat ze gisteravond op de kinderen van hun buren pastte en al uren watertandend droomde over een lekkere Pizza.
Op een gegeven moment belde Gerald en vroeg haar waar ze zin in had: ‘een pizza natuurlijk,’ flaptte Eva eruit.
Tien minuten later: “tring tring” en ja hoor, de pizza koerier stond aan de deur met een door Gerald voor zijn meisje bestelde pizza.

Bij het luisteren naar dit kostelijke relaas begon als vanzelf mijn denkbeeldige pen een verhaal te schrijven.

Het gesprek tussen Eva en haar moeder werd ondertussen nog leuker, waardoor de schrijverspen van mijn eigen fantasie nog meer geïnspireerd werd

Eva zei dat ze vandaag waarschijnlijk nog wel met Gerald, haar vriendje, zou beeld-bellen, waarop haar moeder zei; ‘dan ben je toch nog even bij elkaar’
Hahaha, je had de uitdrukking op het gezicht van Eva moeten zien!
Het sprak boekdelen, waarvan bladzijde na bladzijde een dikke pen het papier zowat doorkliefde, zo venijnig waren de letters op het papier gekwakt.

Het was voor Eva overduidelijk, moeder begreep er totaal niets van!
‘Nou, dat is toch echt niet hetzelfde als in het echt bij hem zijn hoor’ bracht ze diep verontwaardigd uit.

Geweldig!
Hoe lijkt het verhaal van een verliefd stelletje dat van alles bedenkt om maar bij elkaar te zijn, op dat waar Vader God zo naar verlangt; omgang met mensen.
Het verhaal over de God van hemel en aarde die blij wordt van grote dromen dromen, omdat zijn eigen droom voor ons elke fantasie te boven gaat.
Het verhaal over zijn zoon, Jezus
die net zoals het vriendje van Eva, elke gelegenheid aangrijpt om te laten merken hoe hij van zondaren houdt.
Kortom, God zoekt een meisje voor zijn Zoon.
Verkering met een meisje dat zich koesteren wil in Zijn liefde.
Een meisje om Zijn naam aan te verbinden, waarvoor zonder dat ze zelf een bruidschat in hoeft te brengen, de schatkamers van de hemel al lang tevoren wijd open zijn gezet.
Een meisje dat zich niet schaamt bij Hem te horen maar overal trots haar vriendje voorsteld; ‘Kijk, dit is Hem, mijn Jezus!’
Een meisje dat koste wat het kost dicht bij Hem wil zijn en zich door niets en niemand daarvan weerhouden laat.
Een meisje dat geen genoegen neemt met verhalen óver Hem, maar haar eigen verhaal mét Hem beleven wil.

Zo’n verkering wil toch iedereen?
Pas met Hem aan je zij loop je echt met je hoofd in de wolken.
Ik denk dat Hij daarom die wolken gemaakt heeft…

Feest op de ingestorte muren.

Vanaf dat ik over Jezus hoorde ben ik hem stilletjes gevolgd en zag ik hoe hij blinden de ogen opende, melaatsen de handen oplegde, ja zelf doden opwekte.
Na de opwekking van Lazarus gonsde het door heel het land Israel, en ver daarbuiten, maar bovenal in mij.
Ik voel me ook zo dood, zo levenloos.
Als in een donkere kerker opgesloten, zo zwart en donker is het in mijn ziel.
Oh, hoe dikwijls heb ik mij al afgevraagd of dat wat zo dor en dood is in mij ook door Jezus levend gemaakt zou kunnen worden?

Schuld en schaamte hangen als dikke wolken boven mijn leven en beletten mij me te koesteren in de warmte van de zon.
De muren om mijn hart, bedoeld om me te beschermen tegen inkijk, belemmeren vooral mijn eigen zicht.
De plek waar eens het water van de doop werd gesprengd, schrijnt als is met een gloeiend hangijzer
het stempel ‘waardeloos’ in mijn voorhoofd gebrand.
Mijn schuld is te groot, ik heb het allang verknald bij God!

En toch, waarom volgde ik die Jezus dan?
Niet openlijk maar heimelijk en steeds op veilige afstand was ik meestal daar waar hij ook was.
Wat is het in die man wat me zo aantrekt?

Ach, het heeft ook geen zin meer me dat af te vragen, hij is buiten de stad gekruisigd.
Als het gebod van Mozes om datgene wat het lichaam vervuilt buiten het kamp te begraven, zo hangt Jezus als oud vuil buiten de muren van de heilige stad ten toon.
Zijn gehavend en kapot geslagen lichaam is als een bloedend en met schuld beladen lam door de Hogepriester de poort uitgejaagd.
Boven zijn hoofd hangt een bordje; ‘Koning der Joden’ maar in zijn aanblik is werkelijk niets waardigs te ontdekken.
Waar de dorens van de door de soldaten gevlochten kroon zijn schedel priemden, plakken nu vieze en donkere korsten.
Zijn botten, blootgelegd door de geseling, geven me rillingen van afschuw en afgrijzen.
Hij oogt als een van de hele aarde bij elkaar geveegde berg stinkend vuil, dat wanneer het niet bijeen werd gehouden door dikke in het hout getimmerde spijkers, uit elkaar zou vallen.
Het zou als een leeg geschudde vuilniszak de heuvel Golgotha vervuilen, waarna de rondcirkelende roofvogels zich tegoed konden doen aan zijn vlees.

Ontgoocheling en wanhoop maken de muren om mijn hart nog dikker en ontoegangkelijker.
Als een nachtkaars dooft ook het laatste sprankje hoop op een beetje liefde.
Niemand kan mij nog redden uit deze moedeloosheid die als een verstikkende deken het leven uit mij perst.

Net wanneer ik dit schouwspel op Golgotha de rug toedraaien wil klinkt vanaf het kruis een krachtige roep; ‘het is volbracht’
Als aan de grond genageld blijf ik staan, dit is niet de stem van een gebroken man!
Vol van majesteit en macht is het alsof iemand adem blaast in een luid schallende bazuin, waarop de hemel zich met donderend geraas opent.
In ontzag voor zijn Schepper breekt ook de aarde open en geeft het zijn doden levend weer aan de stervende Jezus.
Zijn hoofd buigend blaast hij zijn geest terug naar God, en vindt zijn eens vrijwillig verlaten Thuis terug aan het warm kloppend Vaderhart.

Opkijkend naar de kapot geslagen man aan het kruis val ik op mijn knieien, en kan niet anders meer dan deze Jezus aanbidden.
Is dit wat Mozes bedoelde toen hij zijn volk smeekte hun ogen op de slang op de opgeheven stok te houden, zodat de in het stof bijtende slangen krachteloos werden?

Zijn gebroken blik kruist de mijne, en doen de muren rond mijn hart ineen storten als de muren rond Jericho.
Wat kan ik hem anders nog bieden dan mijn tranen?
Zoals het volk Israel de schatten uit de gevallen stad in de tabernakel van God bracht, zo geef ik hem mijn pijn, mijn schuld en mijn schaamte en bied het hem vol ontzag aan.

De eerder blinde ogen van mijn hart zien de hemel geopend waar engelen juichend feest vieren om mij, een zondaar die zich bekeerde.
Als de meest kostbare schatten wordt al mijn vuil in ontvangst genomen, waarna ik me lichter dan ooit opgenomen weet in een zee van liefde en zuiver licht.

Vrij gesproken van elke schuld ren ik jubelend en juichend de heuvel Golgotha af om binnen de muren van de open stad Jeruzalem de tafel te dekken voor het Pesachmaal.
Het aloude feest van een geslacht lam en ongezuurd brood.
Grinnikend neem ik me voor er voortaan een fles rode wijn bij te drinken;
proostend op het nieuwe Leven…

Dood aan die ‘koning’

‘Kruisig hem, kruisig hem,’ schreeuw ik uit volle borst mee met de menigte.
Mijn eigen stem is de stem van de honderden mensen rondom mij, als komt die schreeuw uit één keel.
Woedend ben ik, zo verschrikkelijk teleurgesteld en ontgoocheld.
Daar staat hij, die bedrieger,die oproerkraaier, die…die Jezus…
Pilatus, de Romeinse Stadhouder zal recht spreken!
Hij moet de doodstraf krijgen, niks minder!
Al zou ik hier alleen staan dan nog zou ik schreeuwen; ‘kruisig hem, kruisig hem!’

Bah, wat heb ik me beet laten nemen door die timmerman uit Nazareth.
Nog niet zo lang geleden liet hij zich, als een pas gekroond vorst op de rug van een ezelin de stad binnen rijden.
Uit volle borst jubelde ik mee; ‘Hosanna, hosanna, hij die komt in de naam des Heren!’
Even vlamde in mij de hoop, dat de God van onze voorvaderen Abraham, Isaak en Jacob eindelijk korte metten zou maken met onze vijand, en ons als heilige natie herstellen zou.
Voor een moment dacht ik nog; ‘Hij is het, de beloofde Messias, die ons verlossen zal van de onderdrukker, en ons weer heer en meester van ons eigen koninkrijk maken zal.’
Opgewonden zwaaide ik met palmtakken, en hoopte maar dat hij goed kon zien hoe ik me voor hem uitsloofde, en het míjn met goud doorstikte mantel was waarover hij Jeruzalem binnen reed.
Nu heb ik de mantel buiten de stad gegooid, zodat niets me nog kan herinneren aan mijn hopeloze dwaasheid te geloven in deze “redder”
Hij moet dood, en vooral worden vergeten!
Hij die zich vergelijkt met onze heilige Tempel, door te zeggen dat die net als hij afgebroken en in drie dagen weer herbouwd zal zijn, hij moet voor altijd uitgewist worden.

Deze godslasteraar heeft niet anders dan schuld op schuld op zich geladen, en daar staat de doodstraf op!

Gelukkig, Pilatus heeft naar het volk geluisterd, er is recht geschied, Jezus van Nazareth hangt aan het kruis.
Buiten de muren van Jeruzalem natuurlijk, zodat onze heilige stad niet verontreinigd wordt.
Alsof het mijn persoonlijke overwinning is, míjn wraak voor zijn bedriegerij, zo triomfantelijk voel ik mij wanneer ik naar hem kijk.
Eigenlijk wil ik hem helemaal niet zien, zo afzichtelijk is hij.
Alsof ik een mug, die zich net heeft volgezogen met mijn bloed, plat gemept heb, zo vies is zijn aanblik.
Ik walg van hem, ik gruw van zijn afschuwelijk lichaam.
Bah, bah…
Daar hangt geen mens, daar hangt iets zwarts, iets vreselijk zondigs.
Verstoten door de aarde, niet gewenst in de hemel!
Af en toe roept hij wat, naar Elia, onze vroegere profeet bv.
Alsof die hem helpen kan!
Laat hij zichzelf redden…
Hij had toch zoveel kunstjes?

Plotseling wordt het donker, midden op de dag.
Een duisternis die als vanuit een enorme boosheid en afschuw de aarde bedekt.
Alsof een macht groter dan wie ook met zijn hand scheiding maakt tussen licht en duisternis om datgene, wat daar aan het vloekhout hangt, die bedrieger die zegt God te zijn, in het niets daartussen te laten verdwijnen.
Het te verwijderen en weg te doen uit ieders zicht.

Opeens lijkt het wel alsof in mijn binnenste zelf, mijn ik, een kaarsje aangestoken wordt, waarvan het vlammetje flakkerend een zacht licht laat schijnen op plekken waar omheen ik zelf dikke muren heb gebouwd.
Ik begin mij aarzelend af te vragen of dat kruis mij afschermd omdat ik anders zelf tot as verbrandt in het vuur van een alles verzengende woede?
Ja, ik begin te beseffen dat ik onder de last van mijn schuld vermorzeld zou worden…
Ik zou op de grens van het eeuwig licht en de altijd durende duisternis niet kunnen bestaan en verdrinken in een zee zouter dan de Dode Zee.
Dit weten verscheurt mij waardoor in mijn hart, op een plek die ik altijd verborgen heb gehouden, een andere stem begint te schreeuwen.
Bitter en rauw, vol wroeging, pijn en zelfhaat roept het; ‘Kruisig mij, kruisig mij!’
Maar eer mijn mond deze woorden uiten kan worden ze al gesmoord in een zee van oneindige liefde en mededogen.
Plotseling besef ik dat deze duisternis mijn schild is, mijn bescherming tegen het zelf openlijk te schande staan voor mijn torenhoge schuld, omdat het mijn zonde is die met een heilige hand aan dat hout is vast gespijkerd.
Het is míjn arrogante zelfrechtvaardiging, die als de doeken van een ongestelde vrouw ten toon gespreid wordt.
Míjn zondige ik hangt aan dat kruis, en toch sterft iemand anders in mijn plaats de eeuwige dood…

Terwijl de poorten van de hel zich sluiten achter Jezus van Nazareth ontstaat een nieuwe werkelijkheid en voor mijn ogen opent het naar boven wijzend kruis een deur naar een ruimte waar nooit het woord ‘schuld’ meer in de mond genomen wordt.

‘Kruisig hem, kruisig hem’ zodat niet ik, maar hij de schuld krijgt.
Ja, het is recht dat niet ik, maar hij bezwijkt!
Het is recht dat niet hij, maar ík leef!
Zó moet het zijn, hoor maar, hij roept:

‘Het is volbracht’

Kostbare Parel

Ik ben een parel.
Niet zomaar parel, ik ben een kóstbare parel.
Daarom lig ik op een bloedrood kussentje te pronken en heeft de koopman een zachtschijnend spotje boven me gehangen, waardoor mijn paarlemoeren glans nog meer opvalt.
Gefascineerd door mijn betoverende bolling draait en danst de regenboog rondjes in mijn melkwitte spiegeling.
Ieder die binnenkomt wordt meteen als een magneet naar me toegetrokken om zich te verwonderen over mijn zuivere schoonheid.
De koopman glimt van trots over mij, en aan ieder die het horen wil roemt hij de perfectie van mijn vorm en glans.

Eer ik door hem gekocht en betaald ben, was ik diep ongelukkig, en zwierf van de een naar de ander.
Lang geleden reeg men mij nog aan een ketting maar belandde ik toch weer in sieradenlaatje van vergetelheid.
De draad waaraan ik gedragen werd sleet, waardoor bij de minste aanraking de ketting brak en ik kletterend over de grond rolde.
Niet genoeg op waarde geschat lag ik jarenlang in een hoekje van de kamer ongezien te verstoffen en ging me steeds waardelozer voelen.
Ik was waarschijnlijk niet de moeite waard opgeraapt te worden.
Mijn glans werd doffer en doffer, waardoor ik zelfs vergat dat ik eens, binnen in de bescherming van de schelp van de oester perfect gevormd ben.
Bij een verhuizing merkte men mij weer op en kreeg ik voorzichtig hoop, maar ik werd in een bak temidden van allerlei andere kralen en prullaria bij de kringloopwinkel gedeponeerd.

Af en toe graaide er een hand door de bak maar niemand nam mij mee.
Ik begon te denken dat ik er niet meer toe deed, waardoor ik bijna mijn droom opgaf met mijn glans iemand te mogen betoveren en veroveren.
Bijna…
Want diep vanbinnen bleef mijn vlammetje als een rokend vlaswiekje smeulen, verlangend gezien, opgeraapt en gekoesterd te worden.
De andere kralen botsten tegen me aan, en lachten me uit wanneer ik voorzichtig mijn hoop uitsprak.
Ze verweten me hoogmoed en arrogantie waardoor ik me voortaan maar stil hield.
Totdat…

Op een dag gleed er weer een hand door de bak met kralen, en ik voelde meteen dat deze hand anders was.
Het was geen graaiende hand maar de hand van een koopman die al lange tijd hoopte te vinden wat verloren was.
Speurend als naar een schat bewogen de vingers zich tussen de oude afgedankte kralen.
Ik voelde in de koopman een zelfde verlangen en verwachting als in mijn eigen flakkerend vlammetje en hoopte zo op een aanraking, al was het maar voor één keer, alleen deze dag.
Teder om niet te breken naar waar hij op zoek was ging zijn hand van kraal tot kraal.
Opeens hoorde ik een kreet van verrukking en eer ik het goed en wel beseftte lag ik in de palm van deze speurende hand.
De vingers streelden het stof en vuil van mij af, en ik zag hoe de ogen van de koopman glommen van blijdschap en ontroering.
Zonder zich ervoor te schamen ving hij in zijn handen de over zijn wangen biggelende zoetgeurende tranen, waardoor ik als in een bad vol hemels schuim in het kommetje van zijn hand schoongewassen werd.
Hij bracht me naar zijn kussende mond en fluisterend beloofde hij me te kopen, wat het hem ook kosten zou.
Bij de kassa bleek de prijs torenhoog, maar vol vreugde leverde de koopman zijn verzameling andere parels in om mij te kunnen kopen.

Veilig opgeborgen in de palm van zijn handen deed hij joelend en juichend een vreugdedans, ‘je was verloren en ik heb je gevonden,’ zo blij was de koopman met mij!
In zijn prachtig paleis werd ik op het fluwelen kussentje gelegd, en zong hij me toe dat hij dit allang van te voren speciaal voor mij gemaakt had.

Om niet te vergeten hoe kostbaar ik ben neemt hij me iedere dag een paar keer in de palm van zijn zachte handen, net zoals die keer in de Kringloopwinkel.
‘Jij bent mijn kostbare parel’ fluistert hij me dan toe, ‘ ik hou zo van je zachte paarlemoeren glans.’

Grappig hè,
ik heb nou juist het idee dat het zijn weerschijn is waardoor ik mooier dan ooit tevoren glans…

(Opgedragen aan Pauline)

Niemand mag ze hin’dren

Wat snakte ik als kind naar dat stukje brood dat Jezus me aanbood waarna de volwassenen het mij weigerden.
Met begerige ogen zag ik aan hoe dominee het van te voren in reepjes gesneden bood brak en de brokjes in de spiegelend zilveren schaal legde, wachtend om leeg gegrist te worden.
Mijn kinderhart hunkerde naar de zoete smaak van die witte lekkernij ver weg op de tafel voorin de kerk; het brood dat het gebroken lichaam van een verzoenend God symboliseerde.
Zo onbereikbaar als de maaltijd des Heren voor een klein meisje als ik was, versperd door regeltjes van de “grote mensen”, zo onbereikbaar werd me Zijn heil ook voorgesteld.
Terwijl alles in me schreeuwde naar deel te zijn van Hem;Jezus, verstomde mijn roepen en werd mijn hartje gevuld met wanhoop en angst.
Wat dorstte ik naar dat slokje dieprode wijn, de warme gloed in mijn lijfje, die de kou van de leugen verdrijven zou, zijn greep op mijn denken verbreken en de knoop van verwarring ontrafelen zou.
Glinsterend zag ik het door dominee als vloeibare Robijnen klokkend vanuit de karaf in de beker gegoten worden; het bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonden.
Want dat was ik, een zondaar.
Iedere gelegenheid werd aangegrepen om mij te verzekeren van mijn verdorven hartje.
Waarom werd me het bloed van Jezus dan toch onthouden?
Waarom bleef de beker onaangeroerd staan terwijl ik zo’n dorst had?

Zou het kunnen dat de niet gestilde honger en leegheid van mijn kindschap me later in de armen van een man dreven, die mijn kinderlijk verlangen naar vervulling misbruikte voor zijn eigen plezier?
Ook hem was vroeger onthouden wie hij het meest nodig had;Jezus.
Was ík voor hem datgene wat alleen brood en wijn aangeboden door de doorboorde handen van het Lam konden geven?

Had het brood me kunnen behoeden voor latere misstappen, die ik alleen maar deed omdat een macht groter dan mezelf me gevangen hield?
Een macht die al aan het kruis verbroken was in de verbrijzeling van het lichaam van Jezus, degene die van zichzelf zegt:” Ik ben het brood des Levens”
Had wijn, voorstellend het reinigend bloed van Het Offerlam, maar me als klein meisje onthouden, me later kunnen behoeden voor zonden, begaan omdat ik nu eenmaal toch al een zondaar was?

Ondanks dat alles, de wanhoop en eenzaamheid, de eindeloze stroom van vragen waarop maar geen antwoord kwam is Jezus altijd het antwoord geweest.
Diep van binnen sprak zijn Geest in mij zijn troostend woord over het Vaderhart van God.
Onder de bedelaars vodden en lompen van de halve waarheden over Degene waar ik zo graag bij wilde horen, had Hij mij al in moeders schoot de mantel van gerechtigheid omgehangen.

Was het daarom dat het lied:

‘Volle verzeek’ring, Jezus is mijn
Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed
In Hem zal ‘k zalig, zalig steeds zijn
wedergeboren door Jezus’ bloed’

me de eerste keer dat ik het hoorde zo raakte?
‘Volle verzekering!’
Het bevestigde wat verborgen op de bodem van mijn hart borrelde;
Ik ben van Hem!
Altijd al…

Hoe mooi zou het geweest zijn wanneer me dat als kind niet onthouden was!
Hoe kostbaar is het wanneer we dat nu onze kinderen ruimhartig doorgeven.

Klankschaal.

Onlangs heb ik op Marktplaats een paar laarsjes gekocht.
Splinternieuwe cowboy Sendra’s, waar ik heel blij mee ben, omdat mijn andere zwarte laarsjes lek zijn.
Ik bof maar weer, dure laarsjes voor een heel klein prijsje.

Maar daar gaat het in dit verhaal helemaal niet om, ” Lets now talk about Jesus”
Ik complimenteerde de jonge vrouw die de laarsjes verkocht met haar leuke huisje, waarop ze vertelde dat ze verhuizen moest omdat ze door een ziekte niet meer trap kon lopen en binnenkort invalide zou zijn.

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar mijn bloed begint dan te koken.
Nou is dat niet zo verwonderlijk want ik ben een kind van de Allerhoogste, en heb daarom heilig bloed door mijn aderen stromen.
Dat bloed getuigt van Jezus wiens striemen ons genezing zijn geworden.
Dat wil zeggen dat Hij in zijn lijden en sterven alle ziekte in zich opgenomen heeft, en daardoor onze genezing is!

Een paar weken na zijn dood en opstanding gaf Hij vlak voor zijn Hemelvaart, zijn volgelingen een geweldige belofte:

‘Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.’
‭‭Marcus‬ ‭16:17-18‬ ‭NBG51‬‬

Al eerder lezen we nadat Jezus zijn volgelingen uitzend:

‘En zij vertrokken en predikten, dat zij zich zouden bekeren. En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen.’
‭‭Marcus‬ ‭6:12-13‬ ‭NBG51‬‬

Aan elke opdracht van Jezus kleeft tegelijk een belofte; ” ga, en in mijn naam zal het gebeuren”

Daarom, omdat wij zijn volgelingen zijn, en omdat Hij het zegt, en zijn Geest mijn bloed laat koken van heilige verontwaardiging, vroeg ik aan de jonge vrouw; ‘zal ik voor je bidden?’
Ja, dat mocht…
Na de vraag of ik haar aan mocht raken, gewoon in haar piepkleine halletje, legde ik mijn handen op haar en bad voor genezing.
Zomaar met iemand die je niet kent, beleef je dan een kostbaar en heilig moment.
De jonge vrouw was erg geraakt en ik fietste zingend weer naar huis, blij met mijn laarsjes, blij met mijn Heer.
Want ik hoef verder niets, genezing is niet van mij afhankelijk, ik mocht alleen maar doen wat Hij van mij vraagt.
Jezus is dus in zekere zin van mijn gehoorzaamheid afhankelijk…

Wanneer ik dit soort verhalen als bemoediging of aanmoediging wel eens aan andere broers en zussen vertel, is de reactie veelal:
‘ ja, maar ja, niet iedereen heeft dat zomaar in zich, daar moet je ook het type voor zijn’
‘dan moet je op dat moment ook wel duidelijk weten of je dat moet doen.’
‘En niet iedereen wil dat ook…’
En de situatie moet er ook wel een beetje toe zijn’

Toch durf ik te zeggen dat we als kind van God dit allemaal in ons hebben, als Jezus in je woont ben je precies het juiste type!
Iemand verteld je van ziekte, dus het moment is ook altijd de juiste tijd!
De situatie is dat iemand in nood is, dus je bent op de goede tijd op de goede plek!
En wanneer iemand niet voor zich gebeden wil hebben, ook prima!

De discipelen van Jezus waren ook allemaal verschillend, Petrus en Johannes gingen gewoon op pad, net als de anderen.
Jezus zei niet:” jij kunt dat wel, en jij niet”
Hij zond ze uit en ze gingen, om daarna met prachtige getuigenissen verder de wereld in te gaan.

De schatkamers van onze Koning staan wagenwijd open, alles heeft Hij ons door zijn Geest ter beschikking gesteld.
Dat houden we toch niet achter, dan delen we toch rijkelijk van zijn schatten?
Trots op de goedheid van onze Heer, is het een eer om als zijn volgeling te doen wat Hij ons voordeed, en waar Hij ons zelf de macht voor gegeven heeft.
Leg daarom alle schijterigheid aan de kant, en je zal zien dat je het juiste type bent!
Je lijkt namelijk op Hem…

Om mijn laarsjes te kunnen kopen had ik eerst zelf mijn klankschaal verkocht.
Weliswaar met pijn in mijn hart, maar wanneer ik mijn voeten in de laarsjes gestoken op plekken zet, om daar de goede boodschap te brengen, galmt de klank van Jezus goedheid iedere dag echoënd na!

Door genade zijn we zelf een klankschaal, die maar even aangeraakt hoeft te worden, en het prachtige geluid doet de atmosfeer trillen!

‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.’
‭‭Jesaja‬ ‭52:7‬ ‭NBG51‬‬

Het is niet mijn Schuld…

Mijn huisje is mijn veilige plek, de plek waar ik na een zeer pijnlijke tijd in mijn geschiedenis, mijn leven weer op wil pakken.
Niemand kent mij hier, en dat is maar goed ook!
Wanneer men wist waar ik voor op de loop ben, zou men, zoals na de oorlog de NSB meisjes kaal geschoren en met pek overgoten werden, mij lynchen.
Ze zouden me op een kar door de stad voeren, en me bekogelen met rotte eieren en tomaten.
Ze zouden me met verse mest overgieten, en joelend de meest vreselijke leuzen roepen.
Politie en recherche zouden geen vinger uitsteken, maar spottend, de meute aanmoedigend, aan de zijlijn staan.
Geen enkele dominee zou voor me op de bres gaan staan, omdat wat ik gedaan heb té erg is.
Ik heb het allemaal verdiend, alles wat ze zouden bedenken om me te vernederen heb ik verdiend.
Mijn schuld is hemelhoog, mijn misdaad niet in woorden uit te drukken.

Dag en nacht klaagt mijn geweten mij aan, want wat ik ook aan goede werken doe, hoeveel vrijwilligers taken ik ook op me neem, hoe vaak ik de wc’s in de kerk ook poets, mijn schuld was ik er niet mee weg.

Ja, ik heb straf verdiend, dat zal ik niet ontkennen, mijn schuld is groot, de dingen die ik in het duister deed, te vreselijk om te vertellen.
Maar hoe zou ik ooit voor wat ik misdaan heb genoeg gestraft zijn.
Wat ik ook aan straf zal volbrengen, het zal nimmer recht doen aan mijn misdaad.
Al zou ik al het geld van de wereld betalen, dan nog zal er geen genoegdoening zijn voor mijn enorme schud.

Alhoewel de zon mijn huisje verwarmt, bibber ik van kille angst voor ontdekking van mijn schuld.
Luisterend naar de schitterende klanken van een mooi Celloconcert probeer ik mijn geest tot rust te brengen.
Maar mijn geweten knaagt mijn botten kaal, wat ik ook aan ontspanningsoefeningen uit probeer.

Net wanneer ik denk mijn vermoeide benen op de bank te leggen, knalt met veel geweld mijn deur open, en staan vijf marechaussees voor me, die me hardhandig beetpakken en in de boeien slaan.
Voor ik goed en wel besef wat me overkomt lig ik vastgeketend op de bodem van een arrestanten bus, die met loeiende sirenes en blauw zwaailicht me in sneltrein vaart bij het Hof in den Haag aflevert.
Geboeid aan handen en voeten, waarbij de ketenen van mijn schuld me rammelend volgen, wordt ik ruw en zonder mededogen voortgedreven, tot ik in een grote rechtszaal recht voor de Koning sta.
Links van hem staat, grimmig lachend, zijn handen wrijvend, de aanklager, popelend mij tot vermaak van de toeschouwers op te knopen
Wanneer hij de meterslange lijst van aanklachten voorleest, verspreidt zijn tandeloze mond een ondraaglijke stank, alsof speciaal voor dit moment het kerkhof alle graven geopend heeft.
Op de tribune is de hele stad vertegenwoordigd, de plek waar ik vanmorgen nog dacht anoniem te zijn.
Bij iedere genoemde schuld krimp ik steeds verder in elkaar, en wilde wel dat de aarde zich opende om mij te verzwelgen.

Wanneer na uren opsomming van mijn schuld, de Koning zich tot mij wendt met de vraag wat ik daarop te zeggen heb, kan ik niet anders dan met een van angst dichtgeknepen keel “ schuldig” uitbrengen.

“ U heeft de doodstraf verdiend” klinkt het uit de mond van de Koning…
Zijn handen heffen de enorme hamer, om mijn lot met krachtige slag te kunnen bezegelen.

Maar dan…
Iedereen houdt de adem in, terwijl de Zoon van de Koning, die tot nog toe zwijgend aan de rechterkant van zijn Vader plaats had, op staat.
Alsof gezamenlijk het Koninklijk Luchtmacht Orkest en de Johan Friso Kapel, de Radetzky Mars spelend, de zaal binnenkomt, klinkt fier zijn stem:
“ Onschuldig Vader, Ik heb al betaald”
Ten overstaan van iedereen in de rechtszaal doopt hij zijn vinger in een gouden offerschaal waarin het bloed van een pasgeslacht lam is opgevangen.
Zijn houding is die van overtuiging en autoriteit, wanneer hij een boekrol uitrolt en met zijn vinger het papier beschrijft:
” Voldaan” om daarna het perkament aan de Koning te tonen.

De Koning glimlacht liefdevol naar zijn Zoon, en gebiedt de aanklager mij te ontdoen van mijn ketenen.
Zijn mond gesnoerd kan hij niet anders doen dan gehoorzamen, hij heeft verloren!
Stilletjes, kruipend door het stof om zich zich zo klein mogelijk te maken, verlaat hij de rechtszaal, terwijl ik verbijsterd van opluchting en dankbaarheid voor de Koning neer kniel.
Zijn hand richt me op, waarna zijn armen zich wijd openen om me liefdevol te verbergen onder zijn Hermelijnen mantel.
“ Je bent thuis mijn kind” fluistert hij in mijn oor, “ we gaan feest vieren”

De Zoon van de Koning pakt me liefdevol bij de hand en tilt me in een gouden badkuip vol zacht geurend schuim.
Wanneer ik schoongewassen en heerlijk geurend, omhuld met een koningsblauwe mantel de door hem versierde feestzaal binnen kom, reikt hij mij een beker vol zoete wijn.
In een flits zie ik de littekens in zijn handen en in een honderdste van een seconde verschijnt een beeld van een opgericht kruis.
“ Kom” zegt hij, “eet en drink, alles is gereed


( geschreven naar aanleiding van de preek van vanmiddag.
18-11-2018
Rechtvaardig door geloof alleen)

‘Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.’

‭‭2 Korinthiërs‬ ‭5:21‬ ‭NBG51‬‬

http://bible.com/328/2co.5.21.nbg51