Doe dit!

In de kerkelijke traditie waarin ik ben opgevoed, is het niet gebruikelijk vrijmoedig deel te nemen aan het Heilig Avondmaal.
Eerder het tegenovergestelde, omdat niet aangaan juist getuigenis geeft van een goed christelijk besef zondaar te zijn tegenover een heilig en verterend God.
In deze kerken is het een vroom en heilig teken dat de banken vol zitten met ‘zondebelijdenaars’ en de stoelen aan de Avondmaalstafel onbezet blijven.
De kan met wijn wordt na de dienst leeggegoten in de gootsteen en het gebroken brood aan de eendjes gevoerd.

In de verdere ontwikkeling van mijn geloofsloopbaan leerde ik een heel andere visie op het Heilig Avondmaal, een visie die duidelijk meer mijn hart raakte dan waar ik in opgevoed was.
Ik leerde op een nieuwe ongedwongen manier gewoon thuis de maaltijd van de Heer gebruiken, alleen maar omdat Hij zelf gezegd heeft: ‘doe dit tot mijn gedachtenis.’

Thuis Avondmaal vieren is een way of life geworden die niet altijd in de kerk begrepen, of nog erger, zelfs afgekeurd wordt.
Ook daar waar de Maaltijd van de Heer niet zo zwaar beladen is als waarin ik opgevoed ben.
Ik zou haast zeggen, was het dat maar iets meer, in die zin dat het soms een soort van periodieke kerkelijke gewoonte geworden is, die alleen dan plaats mag vinden wanneer de dominee het bedient, waarbij vooraf een kerkelijk opgesteld artikel tot de bediening van het Heilig Avondmaal door de voorganger wordt voor gelezen.
Voorwaarde tot deelnemen aan de Maaltijd is dan ook nog dat er eerst belijdenis des Geloofs afgelegd moet worden en afhankelijk van welk kerkelijk genootschap je lid bent, mag je als vrouw geen broek maar een rok dragen en is een hoofdbedekking verplicht.
Wannneer je gescheiden bent betekent dat in veel kerken zelfs dat het Lichaam van Jezus voor de rest van je leven verboden kost geworden is…

Ik zal niet zeggen dat het kerkelijk Avondmaalsformulier onzin is, maar wat ik me wel afvraag is: ‘hoe komt het dat we niet genoeg hebben aan alleen de eenvoudige woorden van Jezus; ‘doe dit tot mijn gedachtenis!’
Voor mij persoonlijk is dat de beste aansporing tot het mezelf waardig achten Avondmaal te vieren, gewoon omdat Hij me dat opdraagt.
Hij maant me simpelweg mijn dagelijks medicijn niet te minachten of te vergeten!

Naar aanleiding van het sluiten van de kerk i.v.m. het coronavirus, doet het me daarom verdriet dat we geleerd hebben alleen dan Avondmaal te (mogen) vieren wanneer een dominee ons daarin voorgaat.
Mag ik hardop vragen of, in welke kerk we ook zitten, licht of zwaar, deze met regels omgeven manier van Avondmaal vieren niet een ontzettend tekort doen is aan het verzoenend offer van Jezus?
Hebben we in het afzweren van de Rooms Katholieke manier van Avondmaal vieren, met het badwater ook niet gelijk het Kind weggegooid?
Zou het kunnen dat we in de regels en toelatingseisen tot de Maaltijd van de Heer, de kracht van het eten van Jezus’ lichaam en het drinken van Jezus’ bloed onderschat en ingeperkt hebben tot daar waar we het zelf toelaten of tolereren?
Passend gemaakt in ons religieus hoofddenken heeft het dan nog weinig met een kwetsbaar en open hartrelatie te maken.
Is het niet nét dat wat Paulus bedoelt met ‘het onwaardig eten en drinken van het Lichaam van Jezus?’
(1 Korinthe 11)

Hoe mooi zou het zijn wanneer temidden van een wereld in nood onze huizen de kerkjes van nu zijn!
Huizen waarin de kinderen van God hun positie van priesterschap innemen en vrijmoedig het Heilige der Heiligen betreden, om als gezin of alleen de gemeenschap der heiligen te betrachten in het vieren van het Heilig Avondmaal.
Ontdaan van alle franje van de formulieren simpelweg eten en drinken van het verbroken en geslacht Lichaam van Jezus omdat Hij zelf ons daartoe de opdracht gaf: ‘doe dit!’
Ik ben er van overtuigd dat de wereld waarin we leven er dan heel anders uit zal gaan zien.

Hommel.

Als alleenstaand ben ik maar al te goed gaan begrijpen dat er door eenzaamheid en niet meer aangeraakt worden, mensen dood gaan aan huidhonger.
Ik snak naar aanraking, en ik geloof niet dat dat nou zo abnormaal is.
We zijn gemaakt omwille van niet alleen zijn en onderlinge gemeenschap en contact.
Ik weet nog precies wanneer iemand me voor het laatst echt aanraakte, zó bijzonder is dat, wat de normaalste zaak van de wereld zou moeten zijn geworden…

In deze tijd van steeds meer afgezonderde isolatie en eenzaamheid, krijg ik af en toe een appje met een virtuele knuffel.
Bah, ik kan er eerlijk gezegd niet meer tegen en klik ze het liefst gelijk naar de prullenbak.
(Sorry goedbedoelende mensen die op dat moment even willen laten weten dat je aan je denkt, maar het is niet genoeg!)

Afgelopen zondag hoopte ik even een luchtje te scheppen maar ben gillend weer naar huis gegaan, zo verschrikkelijk vond ik de denkbeeldige melaatsheid en de angst voor te dichtbij komen.
Ik vroeg Vader me aan te raken en dat deed Hij.
Door de open balkondeur kwam een dikke hommel binnen vliegen.
Terwijl hij vrij van iedere angst te dichtbij te komen zoemend door mijn kamer danste, showde hij me trots zijn prachtige bontmanteltje.
Brommend van genoegen verkondigde dit vliegend schepseltje de vrolijkheid van de lente, waarin dat wat dood leek weer groeien en bloeien gaat.
Ik was diep geraakt…

Hou me vast…

Afgelopen zondag was het de tweede zondag dat de kerken gesloten bleven.
Alhoewel er diverse prachtige initiatieven worden ontwikkeld, zoals diensten via tv en internet zitten we als gelovigen in zekere zin al weken in een lockdown.
De deuren van de kerk zitten dicht en voorlopig zal dat ook zo blijven.
Op zondag psalm 122 zingen: ‘kom ga met ons en doe als wij’ klinkt opeens heel vreemd, omdat op dat in het openbaar doen straf volgt.
We mogen niet meer bij elkaar komen, dus zitten we massaal voor de tv of luisteren via internet een preek.
Onze voorgangers, pastors en dominees zijn een soort van lange afstand relatie geworden, het zal voor hen ook erg moeilijk zijn.
Preken in een lege kerk, tegen lege stoelen en banken, muziek op een bandje, het is alsof we van de ene op de andere dag ingemetselde nonnen en monniken zijn geworden.
Het deprimeerd me ontzettend.
En natuurlijk, ik ben (nog) niet ziek, ik lig niet op de IC naar adem te happen, maar toch ervaar ik de sfeer alleen al als erg verstikkend.

Door de week via internet een preek luisteren is een bewuste keuze waar ik vaak dagelijks heel veel bemoediging uit put.
Maar terwijl we al jaren gewaarschuwd worden voor contact zonder contact is het contact via datzelfde platte beeldschermpje aan een oplaadkabeltje in het stopcontact, vandaag nog het enige contact.

Bah, ik haat het.
Het maakt me boos en soms ook wel bang.
Niet bang om zelf ziek te worden, maar ik ontkom er niet aan dat mijn keel soms dicht knijpt van wat er allemaal om me heen gebeurt.
Is het al erg eenzaam en alleen in mijn huisje, op straat vliegt het me nog meer aan.
Iedereen loopt in zijn eigen bubbel, en owee als je te dicht bij komt…vreselijk!

Alsof het zijn reddingsboei was, liep deze week vlak voor me een man een stapel closetrollen, waar hij nog net overheen kijken kon mee te zeulen, terwijl hij tegelijk ieder contact vermeed.
Ik wist niet of ik er nu om lachen of om huilen moest.
Net zoals ik me heel tijd afvraag waarom, eer ook maar iets op slot ging, de kerken hun deuren al toesloten.
Daar zullen vast allerlei verstandig en rationele antwoorden op te geven zijn, maar steeds meer bekruipt me de vraag: ‘trappen we er nu zo gemakkelijk met open ogen in?’

Het is immers altijd al de bedoeling van Satan geweest de deuren van de kerk dicht te spijkeren?
Het is toch zijn doel dat we net als destijds de discipelen in plaats van als welkomscomitee bij het graf te zitten, ons achter gesloten deuren verschuilen en daardoor onzichtbaar worden?
Terwijl Jezus ons opdraagt zegenend en handoplegend erop uit te gaan, is de kerk de eerste geweest die opgedragen werd samenkomsten af te lasten om zodoende aanraking te vermijden.

Ik voel me in deze rare tijd, waarin het steeds meer lijkt dat de angst regeert, eenzamer dan ooit waarbij de vragen over de rol van mij als gelovige en de rol van de kerk me erg bezig houden.

Bij alle vragen weet ik één ding zeker; mijn Koning en Heer, mijn Verlosser, Bruidegom en grote Broer, popelt om me op te halen en voor altijd samen te zijn.
Wat zie ik er naar uit voor eeuwig alles in Hem te zijn…

Goed nieuws tussen de lege schappen.

Wat een spannende tijd!
Exiting zegt het Engelse woord zo mooi!
Een tijd met geweldige kansen om het goede nieuws over een goede God te vertellen.
Je hebt geen sinaasappelkistje nodig, geen luidspreker of microfoon, een preekbevoegdheid van de TU is ook geen noodzaak, of je nu man of vrouw bent, jong of oud, geleerd of ongeletterd, licht of zwaar, evangelisch of reformatorisch, baptist of gereformeerd, rok of broek, wel of geen hoedje, tegen of voor vrouw in in het ambt, homo of hetero, gehuwd of alleenstaand, rijk of arm…

Het enige wat je hoeft te doen is je jas van de gerechtigheid en je schoenen van de bereidheid om het goede nieuws van de vrede met God bekend te maken, aan te trekken en naar buiten te gaan.
Bewust van je positie in Christus, verlicht je lamp de duisternis om je heen en trek je automatisch mensen naar je toe.
Zomaar in de supermarkt een vraag van een onbekende of jij ook zo bang bent voor dat virus, is een opeens mooie gelegenheid over de Viruskiller Himself te getuigen en de ander te zegenen met de rust en vrede van het Lam.

Wees niet bang, sta op en schitter, Jezus-mensen!
Nu is het de tijd!
Preach yourself happy and spread the good news…

All I want for Christmas is You!

Als klein meisje kon ik ontzettend uitzien naar mijn verjaardag.
Eer het zover was werden de nog te slapen nachtjes ongeduldig afgeteld en weggestreept tot het eindelijk 13 mei was: mijn dag!
‘Dat je maar gauw een grote meid mag worden,’ zei men vaak.
Nu ben ik groot en nog net als vroeger geniet ik van mijn verjaardag, maar toch anders; ik ben niet meer het onbevangen kind van toen maar zo wel zo blij als het kind van toen.

Precies zo zag ik als klein meisje uit naar de viering van Jezus’ geboortedag, het Kerstfeest.
Wat was het nog heerlijk onbezorgd, Moeder haalde de ballen en lichtjes van zolder, Vader zorgde voor een boom, en wij kinderen mochten hem volhangen met wat men nu vintage versiering noemt.
Vooral de vogeltjes op het knijpertje en het zilverkleurig klokje met een echt klepeltje hadden een enorme bekoring.
Af en toe mocht ik het klokje zijn betoverend klingeltje laten rinkelen, wat in mijn oren als de uitnodiging van de zondagse kerkklokken klonk.
‘Welkom, welkom, welkom.’
Naarmate de boom langer in ons door de kolenkachel verwarmd huis stond, werden de takken steeds kaler wanneer mijn klokje zijn welkom klingelde.
Dat was ook de reden dat zodra het 27 december was Moeder de boom weer opruimde en Vader deze aan de waslijn hing om pyromaantje te spelen.
De vlammen vlogen soms boven het dak uit…wat hadden we een pret.

Kerst, het feest van Jezus’ geboorte…
Denkbeeldig zat ik op mijn knietjes voor de kribbe en bewonderde het kindje Jezus dat me vriendelijk toelachte.
Net zoals de in doeken gewikkelde baby, zo was ook de volle betekenis van zijn komst in nevelen gehuld.
Het was genoeg dat het kind gekomen was, ook voor mij.

Naarmate ik ouder werd, groeide Jezus met me mee in de onthulling van het geheimenis van lijden, smadelijke dood aan het kruis en glorieuze opstanding uit het graf.
Alhoewel ik geloof over een eeuwigheid nog slechts een fractie van de noodzakelijkheid van Zijn komst te bevatten, in het kleine beetje weten van nu groeit een steeds groter en dieper ontzag voor Jezus Christus de Zoon van God, de Redder van de wereld; mijn Heiland.

Kerst, het feest van de geboorte van het Christuskind…
Ik wilde wel dat het nog net zo onschuldig en eenvoudig was als vroeger.
Eerste Kerstdag 2 keer naar de kerk, tweede Kerstdag het Kerstfeest van de Zondag-school.
We aten peertjes of witlof, koevlees of rollade, we maakten hangop met perzik uit blik en kregen ter ere van Kerstfeest een met melk aangelengd advocaatje met slagroom.
We zaten rond de tafel en ik liet me betoveren door de door kaarsvlammetjes ronddraaiende engeltjes.
Stille nacht, heilige nacht
Ere zij God, in mensen een welbehagen.

Wat kan ik een heimwee hebben naar Kerstfeest, zonder al die toeters en bellen van nu.
Zonder Hohoho en kerstmannen met dikke buiken, geen Jinglebel Jinglebel en lange rijen voor de kassa’s in de overvolle winkels, maar gewoon een familiefeest om de geboortedag van een bijzonder broertje.
Een verjaardagsfeestje waar Hij gekroond op de stoel mag staan en we Hiep Hiep Hoera Hoera schreeuwen en juichen, zo hard dat Vader het ook horen kan.
Een fuif waar niet de kalkoen maar het Lam in het middelpunt staat, Hij, mijn grote broer Jezus:
Waar we dansen op het lied;
‘All I want for Christmas is Him!’ en meezingen met het engelenkoor: ‘Heilig heilig heilig, is de Heer God Almachtig.’

Ik zie uit naar de dag, die grote dag waarop de bazuinen zullen schallen en het alleen nog maar om Hem zal gaan, Jezus Overwinnaar.
De dag waarop Hij alles in allen zal zijn…

Kerst, het geheim in doeken.
Hier, kijk dan, hier ligt Hij, de Zoon van God…
Luister dan, hier klopt het Vaderhart, hier tussen die doeken…
Hoor je het in de hamerslagen op Golgotha?
‘De schuld betaald, de schuld betaald…’
Kom naar het open graf.
Zie je de uit de doeken gewikkelde dwaasheid van het kruis?
Hoor je het bloed roepen?
‘Ik hou van je, Ik hou van je!’
Kijk dan, Hij is opgestaan,
Hij is niet dood
Hij leeft!!

Kerst, invasie uit de Hemel…

Veilig in Jezus armen.

Er zijn van die momenten waarop machteloze woede om aanhoudend onrecht me plotseling kan overvallen.
Niet maar zo opeens natuurlijk, de oorzaak is vaak een stapeling van duwtjes en prikjes, het druilerige weer en gek genoeg net zo goed een heel mooie reden, zoals bijv. een vriendelijk gebaar of het teken van Gods trouw aan het firmament..

‘Laat het achter je’ is dan zo vreselijk goedkoop, want hoe kun je iets achter je laten als je dat maar blijft achtervolgen?
Het klinkt in mijn oren als: ‘wanneer je hier maar over blijft zeuren laat ik jou achter me.’
Daarom is het goed met David de harp te pakken en mee te brullen naar God.
Waar anders is mijn woede om wat was en nog steeds is, veiliger dan bij mijn God en Vader?

‘Voor de leider van het koor.

Een prachtig lied van David, op de wijs van: ‘Dood mij niet.’
Koningen en heersers, zijn jullie wel rechtvaardig?
Spreken jullie inderdaad recht? Nee! Jullie zijn juist kwaad van plan.
Jullie doen allerlei slechte dingen. Mensen die zich niets van God aantrekken, zijn al vanaf hun geboorte ontrouw aan God.
Ze liegen vanaf de dag dat ze zijn geboren.
Hun slechtheid is als slangengif.
Ze zijn zo doof [ voor God ] als een slang die niet wil luisteren naar de slangenbezweerder, al speelt deze nog zo goed op zijn fluit.
Ze zijn zo gevaarlijk als leeuwen. God, maak hen machteloos!
Zorg dat ze niets meer kunnen doen met hun klauwen en hun tanden! Laat hen helemaal verdwijnen, zoals water dat wegzakt in de grond.
En als ze op me willen schieten, breek dan hun pijlen in stukken.
Laat hen verdwijnen, als een slak waar je zout op strooit.
Laat hen sterven, als een te vroeg geboren kind.
Hij blaast hen weg, zoals doorntakken onder een pot worden weggeblazen door de wind.
Hij blaast ze weg, zowel de groene als de dorre takken, vóórdat de pot op het vuur de hitte heeft kunnen voelen.
De mensen die leven zoals U het wil, zullen blij zijn als ze zien hoe U de slechte mensen straft: ze zullen door het bloed kunnen waden!
Ze zullen zeggen: “Er is dus tóch een beloning voor de mensen die leven zoals God het wil. Er is dus tóch een rechtvaardige God!”’
‭‭PSALMEN‬ ‭58:1-12‬ ‭BB‬‬
https://www.bible.com/1276/psa.58.1-12.bb

Vanmorgen luisterde ik een preek over Micha 7:7.
Bemoedigend, omdat het over de trouw van mijn God en Vader gaat en tegelijk zeer pijnlijk omdat het verlangen naar recht zo herkenbaar zeer doet.

‘Maar ik zal uitzien naar de Here, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.’
‭‭Micha‬ ‭7:7‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/mic.7.7.nbg51

Met Habakuk zing ik de woorden van zijn hoopvolle lofzang mee:

‘Zelfs als de vijgenbomen niet zullen bloeien, en er geen één druif in de wijngaarden te vinden zal zijn,
en we geen enkele olijf van de olijfbomen zullen kunnen oogsten, en er niets meer op de akkers zal groeien,
en alle schapen uit de stallen zullen worden geroofd,
en alle koeien verdwenen zullen zijn,
zelfs dan (!) zal ik tóch nog juichen over de Heer, blij jubelen over de God die voor mij zorgt.
Want de Heer is mijn kracht.
Dankzij Hem zal ik rondspringen als een hert. Hij zal ervoor zorgen dat ik stevig blijf staan.”’
‭‭HABAKUK‬ ‭3:17-19‬ ‭BB‬‬
https://www.bible.com/1276/hab.3.17-19.bb

Evenzo zing ik met David de woorden van psalm 23:

‘Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen.’
‭‭Psalmen‬ ‭23:6‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/psa.23.6.nbg51

Over stalken gesproken!
Zijn goedheid en genade (achter) volgen mij dag aan dag.

Gelukkig mag het allemaal naast elkaar staan, woede, roep om recht, roep om wraak, verdriet, pijn, verlangen en vertrouwen.
Bij Hem ben ik veilig.

‘Hij heeft mij verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie ik de verlossing heb, de vergeving der zonden.’
‭‭Kolossenzen‬ ‭1:13-14‬ ‭NBG51‬‬
https://www.bible.com/328/col.1.13-14.nbg51

‘God is goed!
Altijd!’

Ik ga me nog weer een keer laten bemoedigen door de preek.
Luister je mee?

https://kerkdienstgemist.nl/stations/363/events/recording/157700520000363

Fladderende vogeltjes.

Vandaag is het 24 november, de verjaardag van mijn oudste dochter en tweede zoon.
Twee heel verschillende baby’s toen ze geboren werden, Joke, klein, blank en rossig, Jelle-Dirk, een spek-rug, en donker.
Het liefst vierde ik samen met mijn kinderen hun verjaardag en ik weet wel zeker dat ook zij die wens hebben, maar het is anders gelopen.
Om niet te verdrinken in de put van eenzaamheid, verdriet, schuld en schaamte ben ik naar LaPlace gegaan om een gebakje te eten en zo de verjaardag van mijn kinderen te vieren.

Om het tafeltje waaraan ik mijn feestje vier staan 4 stoelen waardoor het alleen zijn extra benadrukt wordt.
Terwijl allerlei herinneringen en beelden van toen om aandacht vragen, kijk ik om me heen naar al die mensen die samen zijn en soms komen vragen of ze bij een stoeltekort één van mijn stoelen weg mogen pakken.
Er bevangt me een soort van ‘ik gun het jullie, maar ook mezelf zo hevig’ jaloezie tot mijn blik de pas inhoudt bij het tafeltje tegenover me.
Aan de ring om de vinger van het, naar ik schat iets oudere echtpaar dan ik, is te zien dat ze niet alleen zijn, ze horen bij elkaar, ze zijn samen.
Gebiologeerd staar ik naar de spiegeling van de prachtige sfeerverlichting in de bolling van het gouden verbondsteken van deze twee mensen.

Verdrietig bedenk ik me dat ik ook een paar keer zo’n kostbaar glimmend teken van het huwelijksverbond omgeschoven heb gekregen.
‘Ja, dat beloof ik,’ klonk daaraan vooraf.
Nog voor de film van vroeger op repeat staat, kruist mijn blik die van de vrouw en zie in één oogopslag dat het enige wat dit echtpaar aan het tafeltje tegenover me nog bindt, dat gouden bandje om hun ringvinger is.
Aan de oorverdovende stilte hoor ik dat ze elkaar niets (meer) te zeggen hebben.
Ik sla mijn blik beschaamd neer, alsof ik iets gezien heb waar ik eigenlijk niet kijken mocht.

Omdat ik me zo herken in deze vrouw, bomvol binnengehouden woorden toestemming smekend gezegd en gehoord te worden, begint er toch een film te draaien en ik laat het maar gewoon toe.
Ik kijk in een hart vol liefde, gedachten en verlangens naar de ander, jarenlang opgesloten en gevangengehouden door de wrede vuist van de hand die dezelfde ring draagt als de hare.
Woorden die recht hebben van spreken, maar door het verbod om te zeggen wat vanbinnen leeft het zwijgen zijn opgelegd.
In de ineengedoken houding van de vrouw herken ik een uitgedoofd kaarsje dat eens met haar flikkering nog hoopte het leven van de ander iets meer warmte en kleur te geven.
De handen in haar schoot vertellen het verhaal van een ongelijke strijd, waardoor ze de handdoek maar in de ring heeft gegooid.
Er waren geen oren om te horen wat ze te vertellen had dus deed ze er het zwijgen maar toe.

Ach, wat heb ik een medelijden met deze vrouw, eens een dartelend jong vogeltje dat haar vleugels in de wijde wereld uitsloeg, fluitend en zingend, vervult van blijde hoop en verwachting.
In de vaste overtuiging dat de man tegenover haar dezelfde hoop en verwachting koesterde, liet ze zich verlokken op zijn mooie stokje neer te strijken en daar te blijven.
Ze was thuis, dacht ze en liet zich ringen.
In de euforie van het ‘samen voor altijd’ uit vrije wil verbonden, bemerkte ze al snel dat om het houten stokje een kooitje werd gesmeed
Of zat het er altijd al en had ze door de roze bril van verliefd zijn het doel, haar aan handen en voeten te binden over het hoofd gezien?

Wanneer haar ogen de mijne nogmaals kruisen zie ik een walmend vlaswiekje, nog niet helemaal gedoofd.
Ik vraag me af of zij soms ook jaloers is op mij?
Zou zij denken: ‘wat heerlijk dat die vrouw aan het tafeltje tegenover me met niemand rekening hoeft te houden.
Wat benijd ik het dat je zomaar alleen een gebakje kan gaan eten.
Zou die vrouw aan het vierpersoons-tafeltje wel genoeg beseffen hoe fijn het is alleen te zijn?
Niet geringd en gekortwiekt?
Je niet af te hoeven vragen of dat wat je wilt zeggen wel gehoord wordt?’

In mijn hart is een stil gebed voor de kinderen uit mij geboren en voor deze vrouw:
‘Vader, lok deze bange fladderende vogeltjes naar het houtje op Golgotha en mag ik degene zijn die Uw kruis omhoog houd?’