Ho, stop, alleen voor heilige mensen!

Zoals elke andere zondag ben ik ook deze morgen naar de kerk gegaan, de plek waar mij geleerd is wat mijn enige troost is in leven en sterven.
” Dat ik met lichaam en ziel niet van mezelf, maar het eigendom van Jezus ben en Hij zelfs de haren op mijn hoofd geteld heeft” zegt zondag 1.

Leven en sterven…
Sinds ik gescheiden ben is er iets gestorven in mij, dus weet ik niet meer hoe ik leven moet.
Vanacht heb ik in radeloze wanhoop nog mijn haren uit mijn hoofd getrokken, bossen vol.
Zou God die haren, die nu in plukken bij elkaar geraapt in de prullenbak liggen, ook geteld hebben?
Of zou Hij het aantal van vandaag aftrekken van dat van gisteren?

Vanmorgen vieren we Heilig Avondmaal zegt de dominee bij de aankondigingen.
” We” vieren…
“Dat is helemaal niet waar, dominee, iedereen behalve ik .”
Dat is toch geen We?
Ik ben “in mijn positie”nog wel welkom in de kerk, maar mag zelfs niet eens eten van de kruimeltjes onder de tafel en wanneer de beker van het verbond rond gaat moet ik die gehoorzaam aan de tucht van de kerk aan mij voorbij laten gaan.
Iedere keer wanneer in het afgelopen jaar de Maaltijd des Heren gereed stond, moest ik de uitnodiging aan mij voorbij laten gaan en zat ik alleen in de grote kerkbank.
Daarna schoven de mensen aan beide kanten van mij, alsook voor en achter me, weer in de bank, waarna de andere banken leegliepen, om te eten en drinken van de volgende en volgende gang.
Niemand van hun legde ooit een troostende arm op mijn in elkaar gedoken schouders.

Voorheen,toen ik nog “de vrouw van” was had ik veel vrienden en vriendinnen in de kerk.
Overal was ik welkom, en mijn eigen huis was iedere maandagavond de plek waar we een bloeiende bijbelstudiegroep hadden.

Nu zie ik niemand meer, ze zeggen me niet eens gedag als ze me tegenkomen.
De koster van de kerk die me voorheen joviaal groette, draait zich om wanneer ik de hal van het Godshuis binnenkom.
Mijn beste vriendin stuurde mij een brief vol oordeel en precies weten wat ik nu moet doen:” vasten en boete doen”
Ik voel me een nutteloos prul onderin de afvalemmer waarin ik vanmorgen nog mijn uitgetrokken haren gooide.
Weggegooid door de man die een paar jaar geleden nog beloofde me lief te hebben tot de dood.
Genegeerd door de omgeving die, omdat ze niet weten hoe ze er mee om moeten gaan, maar niet meer met mij om gaan.

Vorige week was het Voorbereidingszondag, waarbij het de bedoeling is dat we bij ons zelf nagaan of we de volgende week, vandaag dus, wel voldoende waardig zijn om aan te gaan.
Waardig…wat is dat dan en hoe moet je dan doen wil je waardig geacht worden?
En door wie?
Door de dominee en de ouderlingen?
De hele kerk?
Iedereen is het er mee eens dat ík niet waardig ben aan tafel te gaan, en mezelf een oordeel eet en drink als ik het wel zou doen.
Terwijl de preek vorige week en ook nu weer, gaat over David die op de vlucht voor koning Saul allerlei ander gespuis als leger onder zich kreeg.
Iedereen die wat op zijn kerfstok had, het uitschot van Israel, vluchtte naar David…

Wacht, wat zegt dominee, even goed luisteren!
” David is hierin het voorbeeld van zijn latere zoon, Jezus de beloofde Messias.
In David, de Gezalfde des Heren, zijn ook de mannen die naar hem toegevlucht zijn geheiligd.
Zo bent u ook geheiligd wanneer u naar Jezus vlucht”

Maar dat is geweldig goed nieuws!
Balsem voor mijn moegeslagen dorstige ziel!
Ik ben ook uitschot en kan maar bij één terecht, dat is toch precies wat dominee zegt?
Dat betekent toch dat niet dominee, maar Jezus zelf aan het hoofd van de tafel staat en juist míj nodigt te komen?
Het is met recht de tafel des Heeren…
Hij acht mij waardig, dus ga ik ongeacht wat de kerk ervan vindt Heilig Avondmaal vieren!
Ik kan zijn uitnodiging niet meer afslaan, dat zegt dominee zelf!

Het is een paar dagen verder na de zondag waarop ik sinds een jaar weer voor eerst gegeten en gedronken heb van het lichaam van mijn Heiland.
Wat een feest was dat aan tafel, het brokje brood dat ik zo lang mogelijk kauwde, smaakte als amandelspijs, helend en zoet.
Gretig als het hertje uit psalm 42, opgelucht dat ik aan de jacht ontkomen was, dronk ik daarna uit de rondgedeelde beker rode wijn.
Mijn hoofd werd opgeheven en mijn schouders rechtgezet door Jezus zelf, omdat Hij heeft gezegd dat ik van waarde ben.
Geheiligd in Hem, zoals het uitschot dat was in de Gezalfde David.
Sinds zondag leef ik met mijn hoofd in de wolken, en ben voor het eerst sinds lange tijd weer een beetje blij.

De bel gaat.
” Ha, dag dominee”
” Mag ik binnenkomen Tiny” vraagt hij.
“Natuurlijk, zal ik uw jas aannemen en koffie zetten?”
Dat hoeft allemaal niet, hij wil alleen maar even iets bespreken zegt hij.
“En je weet toch wel wat dat is Tiny?”
Nee, ik weet het echt niet, we hebben geen afspraak of zo…dus wat komt hij doen?

Met zijn jas aan gaat hij er eens goed voor zitten, ” ja, afgelopen zondag ben je aan tafel gegaan en daar zijn nogal wat brieven over op de kerkenraad gekomen.”
” Oh, hoezo dominee”
” Omdat je in jouw positie niet aan mag gaan wanneer we Avondmaal vieren, dat wist je toch wel?”
Ik wordt koud en warm tegelijk.
Gelukkig niet lauw zoals die gemeente uit Openbaring, bedenk ik me nog snel, eer ik, me van mijn waardigheid bewust zeg: “maar dominee, u preekte over David als voorbeeld van Jezus, waar ik daarna als uitschot naar toe gevlucht ben. Voor mij stond niet u , maar Jezus zelf aan het hoofd van de tafel, de Gezalfde in wie ik geheiligd ben.
En wat me zeer doet is, waar waren die brievenschrijvers het afgelopen jaar dan?
Er is niemand die nog een woord met me spreekt, omdat ik niemand meer zie, of liever gezegd, niemand ziet míj nog…”
De dominee hoort niet eens wat ik zeg en verteld me dat de tafelwachten deze keer niet goed hebben opgelet anders hadden ze me van tafel gehaald.
Terwijl ik denk” hallelujah, volgens mij heeft de Heilige Geest hen verblind” hoor ik dominee zeggen:
” En wat een consternatie zou dat gegeven hebben, Tiny”
Ik kan alleen nog maar uitbrengen “en dat moeten we niet hebben in de kerk, toch dominee?”
Daarna zak ik langs de muur door mijn knieën, en zit als een klein kind op de zojuist onder mijn voeten weggeslagen grond.
De grond waarop dezelfde dominee, door zijn preken over David en zijn leger van uitschot, mijn voeten vast gezet heeft, waardoor ik met vaste tred iedere afkeurende blik negerend naar voren ging, want daar wachtte mijn Jezus met brood en wijn.

Ik kan niet meer stoppen met huilen, zo kapot ben ik.
Terwijl ik mijn verbijstering, pijn, woede en verdriet eruit jank, staat dominee op, trekt zijn jas recht, wenst me nog een gezegende dag, en vertrekt, na hooguit tien minuten binnen te zijn geweest.
Het geluid van de achter zichzelf dichtklappende deur klinkt na als een hamer, die me met één krachtige slag vastspijkert aan het harde hout van de boom van kennis goed en kwaad.

Dominee heeft zijn plicht gedaan, de gemeente is behoedt voor consternatie en ik voor de schande, me bij een volgende keer voor het oog van alle mensen, door de tafelwachten van de tafel des Heeren te laten weren.
De orde is hersteld en de rust bewaard gebleven…


Niet wetend heeft deze dominee me zo’n 20 jaar geleden een enorme dienst bewezen.
Hij gooide mij uit het nest, waarna ik op de rug van een reuzenadelaar werd opgevangen
Hoog in de lucht, schuilend onder Vaders’ vleugels, gedragen door de kracht van Jezus’ liefde, zweef ik daar nog steeds op de warme wind van zijn Geest…

Wie knielt tussen de viooltjes?

Het boek” knielen op een bed violen” van Jan Siebelink, roept bij sommige lezers zoveel weerzin op dat het na een paar hoofdstukken verbijstering verder ongelezen aan de kant wordt gegooid.
De bizarre Godsbeleving van het hoofdpersonage en daardoor de vervreemding van zijn gezin en verdere omgeving, schetsen een wereld die te onwerkelijk voor “normaal” denkende mensen is.
Daarbij komt dat elk voor je eigen beleving bizar verhaal van de ander, het eigen bewustzijn zo opschudden kan dat het veiliger lijkt je te distantiëren van iets wat voor je zelf ongrijpbaar is.

De schijnbaar buiten de realiteit van het gewone leven staande wereld van de vader van Jan Siebekink, is daarentegen voor deze man het “normale christelijke leven” en daardoor voor weer veel andere lezers van dit boek een blik in hun verleden.
Erkenning en herkenning van een opvoeding waar angst voor God met de paplepel ingegoten is.
Niet bewust en kwaadwillend, maar vanuit een vaak diepe eerbied en ontzag voor God.
Deze eerbied en ontzag kunnen nou juist de voedingsbodem worden waarin Satan het zaad van angst en beven zaait, dat vermengt met religiositeit God nooit als Vader zal kunnen zien.

De barmhartigheid en ontferming van een God die Zijn Zoon gaf omdat hij zondaren lief heeft, lijkt in deze streng gereformeerde wereld lijnrecht tegenover een toornend God die de zonde niet ongestraft laat, te staan.
De werkelijkheid is dat het allebei waar is!

God kan inderdaad de zonde niet ongestraft laten, dat is onmogelijk.
Tegelijkertijd toont dat nou juist zijn barmhartigheid en ontferming!
Omdat zijn toorn de zonde en de macht daarachter treft, niet de zondaar zelf.
De zondaar mag juist rekenen op Gods genadige ontferming, omdat het onmogelijk is dat Hij géén barmhartigheid bewijst aan een zondaar die zich bekeert.

Het wonder van de genade is dat God het zichzelf onmogelijk gemaakt heeft níet barmhartig te zijn.
Hij heeft zichzelf in het nauw gedreven om zondaren in de ruimte te zetten.
Waarom?
Omdat zijn liefde voor zondaren, mensen die het compleet verbruid hebben, zó groot is, dat Hij zelf de oorzaak van het zondeprobleem heeft aangepakt.
De veroorzaker van dit kwaad is niet de mens maar Satan de tegenstander van God en daardoor ook van u, jou en mij.
Doordat Jezus als God en mens aan het kruis alle zonde droeg en onder die last een vreselijke dood stierf, is Satan en zijn macht verslagen.
Door Zijn opstanding uit de dood heeft Jezus bewezen sterker dan elke andere macht in hemel en op aarde te zijn!
Daarom, alleen daarom mogen we rekenen op Gods genade en goedheid.
Hij heeft het zichzelf verplicht genadig te zijn!

Dat wetend is er geen enkele reden meer voor angst en beven, we zouden het offer van Jezus tekort doen.
Tegelijkertijd eren we hem wanneer we in diep ontzag voor de Majesteit van God door de knieën gaan, om daarna door deze Koning van hemel en aarde overeind gezet te worden.

Een Koning die met over zijn arm een handdoekje en in zijn handen een waskom met naar viooltjes geurend water, voor me neerknielt om mij het stof van mijn voeten te wassen.
Wat een Koning…

Waarom het kruis?

Verslaafd

Een meisje droomt van haar Koning.

Het Heilige der Heiligen.

Als klein meisje droom ik van een gouden koets met witte paarden.
Een koets die in opdracht van de Koning van het paleis speciaal, bij mijn huis komt voorrijden om me op te halen voor een bezoek aan hem, zijne koninklijke hoogheid.
Ik droom ervan dat ik dan blijven mag, de Koning heeft namelijk al heel lang een kamer ingericht, helemaal aleen voor mij!

Al verschillende keren is de koets onze straat in komen rijden en gestopt vlak voor mijn huis.
Omdat ik iedere dag op de uitkijk sta, hoorde ik de elegante draf van de paarden al van verre en zag het stof opwaaien onder hun hoeven.
De koetsier wist precies op het juiste moment de paarden tot stilstand te brengen, en ik sprong op uit mijn stoeltje voor het raam.
Opgewonden rende ik naar de deur, waar, opgewacht door de schriftgeleerden en Farizeeën , me de toegang onverbiddelijk werd ontzegt.
“Wie denk je wel wie je bent, denk je dat het zomaar gaat, dat instappen in de koets van de Koning?
Dan moet er eerst nog heel wat gebeuren meisje!”

Ik wilde schreeuwen dat ik de Koning zo graag wilde ontmoeten, maar durfde niet gezien hun stijf op elkaar geknepen lippen.
Het was alsof ik in die bittere lippen muren zag waarmee ze hun harde harten versterkten en mij ook beletten mijn hartje, dat zo hunkerde naar de Koning, open te zetten voor hem.
Ik hoorde toch iedere dag zijn klop op mijn deurtje?
En zou de koets voor niets stilstaan voor mijn raam?

Teleurgesteld zag ik na enige tijd de paarden weer in beweging komen , de koets ging weer terug naar het paleis.

Op een dag, ik ben nu iets ouder lig ik in mijn bed te mijmeren over die Koning, waar ik als klein meisje al van droomde, en waar ik zo graag bij wil horen.
Stiekem geloof ik dat ik dat ook doe, maar ik durf het niemand te vertellen.
Bang dat me iets wordt afgenomen door de dominee, die zegt alles van die Koning te weten.
Maar waarom hoor ik dan nooit iets positiefs over hem?
Waarom moet ik geloven dat de Koning boos is op mij en ik niet maar zomaar een plekje in zijn paleis verdien.
Ik geloof eerlijk gezegd dat de dominee me een leugen verteld…maar dat in de kerk zeggen durf ik niet.
Plotseling besluit ik dat ik gewoon hardop ga uitspreken dat ik naar de Koning verlang, en dat ik niet kan geloven dat hij boos op me is.

Ik doe het, ik zeg het, ik gooi het er uit, komt wat ervan komt!
Zoals de verloren zoon uit het bijbelverhaal, zo gooi ik me, knielend voor mijn bed neer aan de voeten van de Koning.
Eer ik mijn zin uitgesproken heb voel ik twee warme armen om me heen die me liefdevol op mijn voeten zetten.
Ik kijk in ogen van iemand zoals ik ze nog nooit gezien heb.
Nee, deze ogen kijken naar mij, dat is het!
Het is de Koning, ik weet het zonder dat hij het zegt.
Zijn ogen nemen me helemaal in zich op waardoor ik me één voel worden met hem.
Het lijkt wel alsof alles wat hiervóór gebeurde, mijn geboorte en de jaren van verlangen, toegewerkt hebben naar dit ene moment, samensmelting met hem, de Koning van het paleis.

“Ik heb je al die tijd gezien, mijn duifje, ik zag je zitten op je stoeltje voor het raam.
Ik zag hoe je opsprong en verwachtingsvol naar de deur rende om in mijn koets te stappen.
Je had het precies goed, de koets kwam speciaal voor jou.
Maar ondanks dat je de deur niet uit mocht om in te stappen hoorde je toch bij mij.
Je heb altijd bij mij gehoord, vanaf je geboorte.
In je moeders buik en lang daarvoor was ik al zó gek op je.
Ik heb je altijd al gekend wat de anderen je ook vertelden van mij.
Zal ik je iets laten zien?”
Dat wil ik natuurlijk erg graag…

” Kom stap in mijn duifje ” zegt hij.
Wat een verassing; zonder dat ik er erg in had is de koets voor komen rijden.
Snuivend en met hun hoeven trappelend van ongeduld wachten de paarden tot we ingestapt zijn.
De koetsier glimlacht van herkenning en steekt bemoedigend zijn duim omhoog.
” Daar ben je dan eindelijk” zegt hij vriendelijk.
De binnenkant van de koets is haast nog mooier dan de gouden buitenkant.
Zachte zijden kussentjes in allerlei kleuren versieren de paars beklede bankjes.
De geuren van jasmijn en pachouli zijn bedwelmend romantisch en passen precies bij dit moment.

In een rustige galop, zodat ik genieten kan van het uitzicht rijden we de weg naar boven.
De weg naar het paleis bovenop de berg.
De weg waarvan ik jaren droomde die nog eens met hem, de Koning, te mogen gaan.
Ik neem nu ook de tijd hem eens goed te bekijken en duizel van zijn schoonheid en gratie.
Zijn houding is die van een lam, terwijl zijn ogen vlammen als die van een leeuw.
Wat is hij mooi, mijn Koning, wat voel ik mij veilig…
Bang dat ik nog steeds het kleine dromende meisje ben, knijp ik mijn ogen stijf dicht om ze daarna vol spanning weer te openen.
Het is allemaal echt, ik zit samen met de Koning in de gouden koets!
De kussentjes lachen me in hun uitbundige vrolijkheid toe.
Het is alsof ze me uitnodigen me nergens zorgen om te maken en uit te rusten in hun zalige luchtigheid.
Lachend maak ik er een spelletje van, wanneer ik opsta vullen de kussens zich weer met lucht, als bolle geglazuurde soezen vol zoet en tongstrelend genot.
Wanneer ik me laat vallen in deze streling doen de kussens mee met mijn eigen zuchten van eindeloos genot.

Hoger en hoger stijgen we tot we aan komen bij het paleis.
De Koning stapt eerst uit en pakt mijn hand om me te behoeden voor een al te haastig en onelegant uitstappen.
Hij weet het, ik ben zo verschrikkelijk opgewonden en blij…

Mijn hand nog steeds in de zijne bestijgen we de marmeren trap naar de koninklijke ingang.
De hoge deuren gaan open waarna hij me op een duizelingwekkende wenteltrap begeleidt naar de eerste verdieping van het paleis.
” Straks mag je overal gaan en staan, nu wil ik je eerst laten zien wat er gebeurde toen je voor je bed geknield lag en je je helemaal overgaf aan mij.”
Ik ben zo benieuwd…
Mijn hart bonst van nieuwsgierige spanning en ongeduld.

We komen in een kamer met muren van goud.
In het midden staat een gouden kist waar bovenop een gouden deksel ligt.
Aan de zijkanten staan twee gouden engelen die met hun vleugels het deksel bedekken.

Ik schrik er een beetje van, want ik begrijp dat ik in het Heilige der Heiligen ben.
De plek waar de ark staat, en waar eenmaal per jaar alleen de hogepriester komen mag om het deksel met bloed te besprengen, om zo de zonde van het volk te bedekken.
Daarom spreiden de engelen hun vleugels om daarmee de aanblik van het bloed, wat nodig is om de zonden van de mensen te verzoenen, aan het oog van de Heilige God te onttrekken.

” Schrik maar niet mijn duifje, kom maar dichterbij.
Raak de ark maar aan en kijk eens goed”

Nog een beetje huiverig kom ik naderbij.
Ik heb geleerd dat wanneer ik de ark aan zou raken ik dan dood neer zal vallen maar omdat de Koning het zelf zegt doe ik het.

Met allebei de handen betast ik het gladde goud van de ark.
Na mijn rondje er omheen zie ik dat het bloed op het deksel weg is.
De zonde is weg!
In een juichkreet richten de engelen zich op waardoor het gouden deksel volop zichtbaar is.
Verblindend glanst het goud me onbevlekt tegemoet.
Met allebei zijn handen schuift de Koning een dik brokaat gordijn opzij, waardoor ik in de hemel mag kijken.
Er hangen slingers en er wordt rode champagne uitgedeeld.
Het is feest in de hemel!
“ Dat feest is voor jou, lieveling.”

” Ik heb betaald, mijn duifje, jij bent voor mij dat deksel.
Wat geniet ik van je glans”
Ik word er verlegen van en kijk nog eens goed.
” Maar lieve Koning, ik zie alleen maar U in de spiegeling van het goud”, stamel ik verbijsterd.
“ Dat heb je goed gezien, mijn duifje.
We zijn nu één, jij bent van mij, ik ben van jou.
Elke keer wanneer je buiten het paleis bent zal mijn glans op jou te zien zijn, zodat de mensen om je heen er door aangetrokken worden als door een magneet.
Iedereen zal in mijn glans op jou erkennen en zien dat ik een goede Koning ben.
Maar wees voorbereid, sommigen zullen zich stoten aan je glans.
Schud dan het stof van je voeten en ga verder, daar waar men wel weten wil wat je over mij te vertellen hebt.”

Ik kan nog amper bevatten wat hij zegt en kijk nogmaals in het spiegelend deksel.
Ik zie mezelf in hem,
Ik zie hem in mij…

Nu begrijp ik het, ik mag zijn glans verspreiden onder de mensen die hem nog niet kennen, of nog niet volledig beseffen hoe mooi hij is!
“ Ik zal gaan mijn liefste Koning, overal waar u me heen zendt”

“Dat wist ik al voor je geboorte, mijn duifje…”
Nodigend spreidt hij zijn armen wijd uit als in een kruis.
Ik kan niet anders dan me laten vallen in zijn liefdevolle omarming..
De armen van mijn Koning…

“Ik hou van je, mijn duifje, oh, wat hou ik van je”
“Ik ook van u, mijn Koning.
hou me vast, altijd,”
“Ik zal het doen,
eeuwig duurt mijn trouw…

%d bloggers liken dit: