Het is de schuld van die Wappies!

Hoewel ik graag geloof in het tegendeel is mijn ervaring dat degene die nog steeds geloven dat het om een virus gaat, met geen enkel argument of bewijs van het tegendeel, op andere gedachten te brengen zijn.
Er is nl. moed voor nodig toe te geven dat je jezelf de ogen dicht hebt laten naaien en je monddood hebt laten maken.
Het getuigt van lef te erkennen dat dat waarvoor de ‘wappies’ vanaf het begin waarschuwden, één voor één uitgekomen is.
De ‘wappies’ voorspelden tevens dat zíj uiteindelijk de schuld zouden krijgen van het falend overheidsbeleid en de oorzaak zouden zijn van het ‘noodzakelijk’ en buitenproprtioneel optreden van politie en ME.
Liever dan de ‘wappies’ bedanken voor hun strijd voor ook jóu vrijheid, was je liever je handen in onschuld kapot.
Want stel dat je erachter komt dat je met open ogen in de val van de leugen bent getrapt, dat je je blind en de mond gesnoerd hebt laten belazeren, dan moet je toegeven dat jezelf onderdeel geworden bent van het probleem.
Dat je medeverantwoordelijk bent voor het in stand houden van de leugen.
Dat je vrijwillig meewerkt aan het tot stand komen van een dictatuur.
Dat je pion geworden bent in een spel waarin niet jij maar de machtswellustelingen aan jou touwtjes trekken en daar zelf miljarden aan verdienen.

Maar toch zal ik nog één poging wagen;
Als het waar is dat de ‘wappies’ met hun door jou zinloos genoemde demonstraties de pandemie in stand houden, dan zouden er alleen al in Nederland miljoenen meer doden door het zogenaamde ‘killervirus’ te betreuren zijn.
Ze komen met soms duizenden samen, vermenigvuldig dat met de mensen waarmee ze in het dagelijks leven in aanraking komen en die mensen komen ook weer in aanraking met anderen.
Een keten van besmetting op besmetting toch?
Het tegendeel is waar, maar zoals gezegd, toegeven dat ze gelijk hadden getuigd van lef!
Tegen beter weten in blijven vastbijten in het gelijk van het ongelijk, laat zien dat je uiteindelijk doodsbang bent voor die ‘wappies’
Dat je je gemakkelijk bent gaan voelen bij de leugen in plaats van de leugen de schuld geven van je ongemakkelijk voelen bij de waarheid.

De jeugd van Urk.

Er is veel te doen over mijn geboorteplaats Urk.
Niet dat het ooit anders geweest is, Urk ligt altijd al onder een vergrootglas.
Wanneer je ‘an de walle’ verteld van Urk te komen ben je haast verzekerd zijn van de volgende twee vragen: ‘daar zijn toch zoveel kerken?’ en: ‘heb je nog paling?’
Mijn moeder antwoordde op het eerste steevast: ‘ja en die zitten op zondag allemaal vol!’
Op het tweede zei ze: ‘natuurlijk, die zwemmen op Urk gewoon door de straat.’

Om het geloof onder een vergrootglas liggen, hoeft zeker niet negatief te zijn, integendeel; niemand hoeft zich immers te schamen voor de blijde boodschap van redding door het bloed van Jezus Christus.
Toch ligt aan de opmerking over de vele kerken op Urk een negatieve inslag t.o.v. de kerk ten grondslag.
Niet alleen op Urk, maar wereldwijd.
Mijns inziens heeft de kerk dat voor het grootste deel aan zichzelf te danken.

Net zoals in het Oude Testament het volk Israël uitverkoren was de volken rondom jaloers te maken om het dienen van de enige ware God, zo is ook de kerk geroepen de wereld een goede God voor te stellen.
Een God die in Jezus Christus naar de aarde kwam om dat wat verloren is te redden van de dood.
Jammer genoeg is sinds de Verlichting de kerk steeds meer wereldgelijkvormig geworden.
Niet de kerk heeft de wereld verandert, de wereld heeft de kerk verandert.
In een poging de drempel te verlagen heeft de kerk zichzelf verlaagd tot het niveau waarin zonde geen zonde meer genoemd mag worden, of anderzijds als onmogelijke hoge standaard gesteld, de wetten en geboden strak na te moeten leven.
In beide gevallen heeft de noodzaak tot wedergeboorte, zoals Jezus dat in Johannes 3 de godsdienstleraar Nicodemus uitlegt, geen prioriteit meer.
Heeft dit tot gevolg dat de kerkbanken niet aan te slepen zijn?
Verre van dat, de kerk loopt leeg…

Terug naar deze tijd is het beleid van de afgelopen jaren mede oorzaak de gemeenteleden op te roepen onderdanig te zijn aan de overheid.
Als gevolg daarvan sloot de kerk haar deuren en liet niet alleen de kerkleden alleen achter, ook de wereld is daarmee volkomen aan haar lot overgelaten.
De meeste broers en zussen zullen het er niet mee eens zijn, maar waarom is dat?
Kan het zijn dat juist de wereldgelijkvormigheid en het wetticisme oorzaak is van de in mijn ogen ontzettend laffe houding van de kerk?
Onder het ‘liefdeskleed’ van naastenliefde heeft de keus tot onderdanigheid aan een goddeloze overheid desastreuze gevolgen gehad in het verloop van de crisis.

Had de kerk niet juist vanaf het begin op moeten staan en in haar positie van meer dan overwinnaar de onzichtbare vijand, het virus, een halt toe moeten roepen?

Juist omdat ik ontzettend verdriet heb om een kerk die haar heilige taak verzaakt heeft, begrijp ik des te meer de opstandigheid van de jeugd.
Zij staan tenminste nog op!
Zij laten wel hun stem horen!

Op de goede manier?
Zeker niet, het geweld waarmee dit gepaard gaat is niet goed te praten.
Maar waarom staat de kerk niet op tegen het geniepig geweld van een onzichtbare vijand, die er op uit is de wereld onder zijn voeten te vertrappen?
Waar zijn de voorgangers die vanuit profetisch inzicht de korte tijd die ons nog rest te benutten de wereld op te roepen zich te bekeren nu het nog kan?
In welke lege kerk staat de boodschap van onze naderende Bruidegom nog centraal?
Waarom hoor ik haast nooit een bemoediging je klaar te maken voor de aanstaande bruiloft met het Lam?

Heel de landelijke pers, de demissionaire regering en het volk spreekt schande over de rel(i)jeugd op Urk.
Maar is door de lauwheid en laffe onderdanigheid aan een goddeloos beleid de kerk niet medeverantwoordelijk, zoniet hoofdverantwoordelijk voor het ontsporen van de jeugd?

De krant vraagt in vetgedrukte koppen: ‘wat bezielt de jeugd van Urk?’
Ik beluister in hun opstandigheid alleen maar mijn eigen levenslange vraag;
‘Spreek mij van Jezus mijn Heiland,
k’hoor toch zo gaarne Zijn woord!
Nimmer heeft iets op deez’ aarde,
Ooit zoo mij t’harte bekoord.’