Nog maar weer een keer rouw. (omdat het zo rauw is)

Vorige week had ik me ingeschreven voor een midweek in een pastoraal herstellingsoord.
Het verblijf was 3 dagen met als thema ‘Omgaan met verlies.’
Omdat het programma al vroeg begon en het voor mij bijna 3 uur reizen was, kon ik de avond ervoor logeren bij een bevriend echtpaar.

Alleen al de wetenschap dat iemand me op het station stond op te wachten, verwarmde mijn van verdriet en rouw vereenzaamt hart.
Ondertussen dat de vrouw des huizes een heerlijke maaltijd bereidde, stak de gastheer de haard voor ons aan.
Het geurend knapperend hout deed me herinneren aan een paar jaar geleden toen ik me iedere dag koesterend warmde aan mijn eigen speksteenkachel.
Wat genoot ik van het zelf hakken en kloven van de zo voordelig mogelijk op de kop getikte boomstammetjes.
Tevreden en voldaan stapelde ik daarna mijn houthok vol, vanuit mijn woonkamer een prachtig gezicht.

Terug naar het heden; genietend van de open haard, heerlijk eten, drinken en als kers op de taart een door de heer des huizes voor speciale gelegenheden bereid toetje, genoten we van socializing without distance.
Liefdesbanden zoals alleen onze grote Broer, Jezus Christus, die smeden kan, tilden onze harten op een hemels niveau, alwaar geen klok nog tikt en tijd overgaat in eeuwigheid.
Het fundament van waaruit onze harten samensmolten, was het heimwee naar eens, voor eeuwig en altijd, waardoor een heerlijk voorproefje naar daar waar Jezus alles in allen is, voluit te smaken was.
Tegelijk met het heimwee naar dat eens, ervoer ik een diepe pijn van heimwee naar eens en voorbij.
Tijden waarin Jezus het antwoord was op angst voor de dood en een broederlijke kus of innige omhelzing heling bracht in zielepijn.
Kostbare herinneringen uit een nog maar pas verloren verleden, ingehaald door het heden waarin de voor alle mensen onvermijdelijke dood, ten koste van iedere menselijkheid, buiten de deur gehouden moet worden.
Een allang verloren strijd, waarin koning angst de wereld, maar nog pijnlijker dan dat, de kerk, wijs gemaakt heeft alsnog eigenhandig revanche te nemen.

Na een goede nachtrust werd ik woensdag morgen naar mijn andere bestemming gebracht: de paar dagen waarvan ik hoopte na afloop iets lichter weer naar huis te gaan.
Nog een laatste omhelzing, een laatste kus, een laatste zegenende hand op mijn schouder, waarna ik door de gastheer van het pastoraal oord naar mijn kamer werd gebracht.

En meteen daar begon het al te wringen…
De eerste vraag die me werd gesteld was of ik wel een mondkapje bij me had?
Vanaf afstand de pijlen en een rug van een zwartgehandschoend persoon volgend, werd me door dezelfde zwarte handschoenen de deur van mijn kamer gewezen.
Ik had toen al rechtsomkeerd moeten maken, maar tegen beter weten in bleef ik hopen dat niet angst, maar Jezus heer en meester was in het huis waar ik eerder een herberg voor mijn bezeerd hart gevonden heb.
In tegenstelling tot toen, veranderede het ‘nieuwe normaal’ mijn rouwklacht om de doden, in een veel schrijnender, rauwer en luider rouw om de emotionele afwezigheid van de levenden.
Wellicht meer nog, de geestelijke verbondenheid waaraan ik zo gemis ervaar, is deze dagen in het kwadraat vergroot.
Mijn God, wat heb ik me alleen(gelaten) gevoeld!

Om niet mijn beleving te herhalen kopieer ik een (beetje aangepaste) brief naar de familie waar ik logeerde, als antwoord op het waarom ik op donderdag huilend op de trein naar huis ben gestapt.
Door ervaring ervan uitgaand dat het merendeel het ‘nieuwe normaal’ als noodzakelijk aanvaard, ben ik voorzichtig geworden in gesprekken mijn pijn te delen.
Het ‘papier’ van de smartphone geeft me gelukkig geen zinloze antwoorden op vragen die ik niet stel.
Mijn tranen smeken nl. maar één ding; hou me asjeblieft even vast…

“Lieve Familie,

Om eerlijk te zijn is waar ik zelf ook wel bang voor was, uitgekomen.
Een soort van tegen beter weten in hopen dat het in een pastoraal herstellingsoord anders zou zijn, heeft me opgebroken.

We moesten, of ik zal in de ik vorm spreken, ik moest overal waar ik liep de pijlen volgen.
Al was bv de koffietafel naast me, dan nog mocht ik niet tegen de stroom in lopen, maar moest gemondkapt het rondje van de pijlen volgen.
Pas wanneer ik op mijn 1,5 meter veilige afstand van de andere deelnemers stoel ging zitten mocht het mondkapje af.

In zekere zin had ik daar nog wel mee kunnen leven, ware het niet dat het benadrukt dat er met niemand echt contact te maken was.
Lopend niet, omdat stilstaan de doorstroom belemmerd en het mondkapje zorgt voor onverstaanbaar gemummel.
Bovendien kom je in het eenrichtingsverkeer niemand tegen, tegen iemand opbotsen is al bij voorbaat onmogelijk gemaakt omdat de verbodsborden ‘per ongeluk’ spookrijden beletten.

Ik moet bij het zoeken naar de pijlen altijd denken aan wat Jezus zegt; ‘hef je hoofd omhoog.’
Het hoofd naar beneden en de ogen turend naar waar ik wel of niet lopen mag, zie ik steeds weer een beeld van een in het stof sissend kronkelende slang.

Omdat het zwartgehandschoend personeel me bij ieder hapje en drankje serveren aan doodgravers denken deed, had ik elke keer moeite tussen een huilbui of lachsalvo.
Netjes in de pas, gezicht bedekt kreeg ik vanaf veilige afstand mijn eten opgeschept.
Dat betekende, op veilige afstand werd mijn bord half-in een 3 meter brede tafel geschoven, waarna ik me 1,5 uit strekken mocht om het op mijn eigen gedesinfecteerd dienblad te zetten.

De pijlen volgend mocht ik daarna aan de mij toegewezen tafel zitten gaan, 1,5 meter verwijderd van ieder ander.

Lieve broer en zus, als het niet zo treurig was, is het op en af doen van de mondkapjes gewoon lachwekkend.
Even lopen, bv om nog een glas water te halen, op!
Zitten, het mag weer af…

Wat me uiteindelijk opbrak zijn de samenkomsten gericht op daar waar ik voor kwam, Rouw.
Met 7 andere deelnemers (de groep was in 2en verdeeld) volgde ik de pijlen naar de daarvoor bestemde ruimte, alwaar ik in een kring van 1,5 meter afstand van de ander zitten ging.

Je kunt je voorstellen dat wanneer je verteld waarom je komt, de naam of namen noemt waarover je rouwt, het moeilijk is je tranen binnen te houden.
Mijn God, ik heb dan geen behoefte aan mooie woorden of bijbelteksten, hoe waar ook!
Een arm om mijn schouder is op dat moment het enige waar mijn gepijnigde ziel naar hunkert, om schreeuwt, ja bijna om smeekt!
Helender dan 10000 woorden, genezender dan 10000 bijbelteksten, troostender dan 10000 berichtjes: ‘ik bid voor je hoor!’ 
Gezien worden in je verdriet, mee huilen, gewoon dichtbij, dat is de enige vraag van mijn zoute tranen.

Nog meer dan eerder heb ik in de afgelopen dagen ontdekt dat rouwen om de levenden die geregeerd door angst voor de dood afstand houden, mijn grootst verdriet is.
In dit geval angst voor een onzichtbare vijand, waarvoor in de strijd deze buiten te houden, iedere menselijkheid opgeofferd 
is op het altaar ‘jij bent medeverantwoordelijk voor mijn gezondheid’

Ik kwam in de hoop en verwachting gezien te worden in mijn rouw om de dood van geliefden.
Angst voor de dood en het bestrijden van die dood heeft de maatschappij blind gemaakt, voor de rouwenden die in deze tijd of in het verleden iemand aan de dood verloren.
De hulpvraag van de op veilige afstand levende rouwende, is in het zoute tranen natte mondkapje gesmoord en gedood.
Wanneer ik doodga aan Corona moet er een contactonderzoek komen en gaat iedereen in mijn omgeving bijna dood van paniek.
Stel je voor dat ik de schuld ben aan hun ziekte en dood! 
Wanneer ik zeg dood te gaan van eenzaamheid en verdriet worden de schouders opgehaald; het is nu eenmaal niet anders, we moeten het er maar mee doen.
‘We?’ denk ik dan?
Wie zijn die ‘We?’
‘Jullie/jij  bedoelt/bedoelen  toch niet anders dan dat jullie besloten hebben dat ik het er maar mee moet doen?’

Wat me zeer doet is allereerst de eenzaamheid van de (on)veilige afstand.
Maar mij op afstand houden, betekent veel meer dat diegene zelf ook niet meer aan te raken is en ongenaakbaar geworden is.
De leugen dat dit om veiligheid gaat breekt mijn hart.
Ik heb er nl. niet om gevraagd als potentieel gevaar behandeld te worden.

Dat we dit als kinderen Gods zijn gaan geloven is mijn diepste rouw.

Kortom, ik kwam om te rouwen om de dood  van geliefden.
Maar daar waar de dood zelf heerst lacht die dood je recht in het gezicht uit.
Zo heb ik het althans ervaren…

Alsof er geen kruisdood geweest is zijn we weer terug in het Oude Testament, alwaar we gehoorzaam aan een goddeloze overheid de ratel ‘gevaar gevaar’ ratelen.
Kwam Jezus niet om deze vloek op te heffen?
Was Hij het niet die de melaatse tegemoet trad en aanraakte?
Wat gebeurde er nadat een bloedvloeiende (vervloekte) vrouw hem aanraakte?
De pijn van 12 jaar eenzaamheid werd geheeld in dat ene simpele liefdesgebaar, Jezus draaide zich om!
Hij maakte contact!”

Een gat in mijn hart.

Omdat ik me ziek voel van rouw ben ik vorige week om hulp naar de huisarts gegaan.
Een ernstig fietsongeluk is me niet in de koude kleren gaan zitten.
Gevolgd door het overlijden van een heel dierbare vriend en vlak daarna het overlijden van mijn vader heeft mijn bestaan behoorlijk doen schudden.

De tijd waarin we leven is daarbij een grote min factor in het verwerken van zo veel leed.
Al toen ik weken thuis zat en huilde van de lichamelijke pijn, ontdekte ik hoe onbarmhartig Social Distancing is.
Maar toen leefden zowel mijn goede vriend en mijn vader tenminste nog.
Des te meer ervaar ik nu de hardheid van de ‘samen krijgen we het virus eronder’ maatschappij.

Wat vóór corona goede vrienden waren zijn bijna geen vrienden meer, of zelfs helemaal niet.
Terwijl een half invalide vriendin nooit toestond dat ik mijn eigen kopje naar de keuken bracht, heeft diezelfde kop waarop een papieren zakdoekje op het schoteltje lag, me nu een vriendschap gekost.
Dat werd ineens gezien als respectloos en de coronaregels aan mijn laars lappen.
Vrienden die bij ziekte en vooral rouw je vóór corona op zouden zoeken, (tenminste daar ging ik toen vanuit) zeggen nu je ‘met plezier op afstand te houden.’
Het is niet fijn zoveel verlies en daarom bidden ze voor me, schrijft men over de Whatsapp.

Zoals gezegd, ik ben ziek van verdriet maar ook van het alleen gelaten worden in dat verdriet.

Deze middag had ik een eerste afspraak voor rouwverwerking met een GGZ praktijkondersteuner.
Het is op niks uitgelopen omdat het eerst en vooral ging over de voor mij op te volgen noodzakelijke veilige afstand regels.
Maar in hemelsnaam, hoe kun je met iemand een echt gesprek voeren met een half bedekt gezicht?
Hoe kun je praten zonder dat we elkaars mond zien bewegen en zonder dat we elkaars gezichtsuitdrukking kunnen zien?
Het voelde als hoe een vrouw zich voelen moet wanneer ze gemuilkorfd een kind ligt te baren.
Terwijl puffen de belangrijkste oefening op zwangerschapsgymnastiek is, word je tijdens het baren verplicht de mond gesnoerd, anders helpt men je niet eens.

Ik vertelde daarom dat ik onmogelijk praten kan met een mondkapje op mijn gezicht.

Het bekende verhaal: ik wilde toch niet op mijn geweten hebben dat die ander door mijn toedoen dood zou kunnen gaan.
Ik zei dat wanneer ik ziek zou zijn, ik dat aan niemand zou vertellen, omdat ik er dan liever zelf voor kies alleen te zijn.
Ik zou het nl. veel erger vinden alleen gelaten te worden.
Maar…wist ik wel dat ik dan dood creperen zou?

Ik vertelde dat ik zonder Corona nu al door Corona crepeer van verdriet en alleen gelaten worden, terwijl ik juist zo snak naar af en toe een arm om me heen.
Ze haalde haar schouders op en zei dat het nu eenmaal de regels zijn waaraan ik en zij niets veranderen kunnen.
‘Maar dat is niet waar’ antwoordde ik ‘u kunt er wel iets aan veranderen!’
‘Hoe dan?’
‘Door op te staan en mee te doen met andere hulpverleners die zijn gaan vertellen dat er ook een andere kant is.
‘Welke andere kant?’
‘Dat mensen dood gaan aan de eenzaamheid van deze ongenadige tijd.
Dat anderen en ik creperen aan de gevolgen van Social Distancing.

Vanuit haar koude ogen straalde geen enkele compassie en onaangedaan haalde ze nogmaals haar schouders op, ‘het is nu eenmaal zo’

Ik wil niet zeggen dat er nooit meer iemand is die me eens even hartelijk vastpakt, gewoon omdat mijn verdriet gezien wordt.
Maar dat is sporadisch. Een reactie als boven beschreven is in de afgelopen maanden ‘gewoon’ geworden, het nieuwe normaal.

Ik rouw om de lichamelijke klachten nav een ongeluk, ik rouw om de dood van een goede vriend en om het overlijden van mijn vader en de familie conflicten daar omheen.
Maar waarom het moeilijk verwerken is, ervaar ik als de grootste pijn en dat is het alleen gelaten worden door vrienden, of liever gezegd broers en zussen waarmee je eens de meest intieme gebedsmomenten deelde.
Familie van Jezus, waarbij het normaal was elkaar de handen op te leggen en in de naam van Jezus te zegenen. Kerkmensen waarmee je Bijbelstudie deed, waarmee je praatte over het geweldige wonder van het kruis, maar waar nu alleen nog gepraat kan worden over hoe we zelf Corona onder controle krijgen. En dat dan vooral op veilige afstand coronaproof.
Op dezelfde veilige afstand bid men voor me.
Maar waar ik zo’n behoefte aan heb is niet voor, maar met me bidden.
Ik geloof nl. dat dat is wat God bedoelde met ‘het is niet goed dat de mens alleen is…’

Er zit een gat in mijn hart en dat gat wordt iedere keer groter wanneer het gesprek hierover aangaan stuk loopt op de muur van ‘het is nu eenmaal even zo.’
Even?
Voor mij is dat al een eeuwigheid van verloren tijd.
Maanden van zeer en rouw, waarin ik steeds meer de neiging krijg mezelf terug te trekken om maar niet dood te lopen in het doolhof van de steeds strakker opgelegde regels.
Gehoorzaam opgevolgd brengen ze evengoed levensbedreigende schade toe.
Maar ja, dat is nu eenmaal ‘het nieuwe normaal.’