Zussenhaat

We springen plonzend overboord hand in hand
we spetteren en spatten
totdat een kwaaie lust haar uitgenodigd overmand.

In t ruime sop is ruimte toch te klein
mijn zusje pakt me beet
wat doet ze nu, is dit soms gein?

Ze duwt en trekt totdat ik slap en willoos
van boven water of van onder
mijn leven als een film voorbij in t’felle kleurenwonder

Wie redt mij uit haar klauw, wie ziet de boze drift
de donkere wil en duistere zwarte plannen
in welke hand de pen die in haar hart haat heeft gegrift.

Ze wil me dood, die blinde haat
het is mijn eigen zus
die lachend mij verdrinkt en t’bloed verraad

Niemand mag ze hin’dren

Wat snakte ik als kind naar dat stukje brood dat Jezus me aanbood waarna de volwassenen het mij weigerden.
Met begerige ogen zag ik aan hoe dominee het van te voren in reepjes gesneden bood brak en de brokjes in de spiegelend zilveren schaal legde, wachtend om leeg gegrist te worden.
Mijn kinderhart hunkerde naar de zoete smaak van die witte lekkernij ver weg op de tafel voorin de kerk; het brood dat het gebroken lichaam van een verzoenend God symboliseerde.
Zo onbereikbaar als de maaltijd des Heren voor een klein meisje als ik was, versperd door regeltjes van de “grote mensen”, zo onbereikbaar werd me Zijn heil ook voorgesteld.
Terwijl alles in me schreeuwde naar deel te zijn van Hem;Jezus, verstomde mijn roepen en werd mijn hartje gevuld met wanhoop en angst.
Wat dorstte ik naar dat slokje dieprode wijn, de warme gloed in mijn lijfje, die de kou van de leugen verdrijven zou, zijn greep op mijn denken verbreken en de knoop van verwarring ontrafelen zou.
Glinsterend zag ik het door dominee als vloeibare Robijnen klokkend vanuit de karaf in de beker gegoten worden; het bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonden.
Want dat was ik, een zondaar.
Iedere gelegenheid werd aangegrepen om mij te verzekeren van mijn verdorven hartje.
Waarom werd me het bloed van Jezus dan toch onthouden?
Waarom bleef de beker onaangeroerd staan terwijl ik zo’n dorst had?

Zou het kunnen dat de niet gestilde honger en leegheid van mijn kindschap me later in de armen van een man dreven, die mijn kinderlijk verlangen naar vervulling misbruikte voor zijn eigen plezier?
Ook hem was vroeger onthouden wie hij het meest nodig had;Jezus.
Was ík voor hem datgene wat alleen brood en wijn aangeboden door de doorboorde handen van het Lam konden geven?

Had het brood me kunnen behoeden voor latere misstappen, die ik alleen maar deed omdat een macht groter dan mezelf me gevangen hield?
Een macht die al aan het kruis verbroken was in de verbrijzeling van het lichaam van Jezus, degene die van zichzelf zegt:” Ik ben het brood des Levens”
Had wijn, voorstellend het reinigend bloed van Het Offerlam, maar me als klein meisje onthouden, me later kunnen behoeden voor zonden, begaan omdat ik nu eenmaal toch al een zondaar was?

Ondanks dat alles, de wanhoop en eenzaamheid, de eindeloze stroom van vragen waarop maar geen antwoord kwam is Jezus altijd het antwoord geweest.
Diep van binnen sprak zijn Geest in mij zijn troostend woord over het Vaderhart van God.
Onder de bedelaars vodden en lompen van de halve waarheden over Degene waar ik zo graag bij wilde horen, had Hij mij al in moeders schoot de mantel van gerechtigheid omgehangen.

Was het daarom dat het lied:

‘Volle verzeek’ring, Jezus is mijn
Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed
In Hem zal ‘k zalig, zalig steeds zijn
wedergeboren door Jezus’ bloed’

me de eerste keer dat ik het hoorde zo raakte?
‘Volle verzekering!’
Het bevestigde wat verborgen op de bodem van mijn hart borrelde;
Ik ben van Hem!
Altijd al…

Hoe mooi zou het geweest zijn wanneer me dat als kind niet onthouden was!
Hoe kostbaar is het wanneer we dat nu onze kinderen ruimhartig doorgeven.

Aan de jacht ontkomen.

Vroeger, op maandagmorgen begon de week op school met het ritueel; psalmversje.
Dat betekende dat ik tijdens het weekend één van de psalmen uit mijn hoofd leerde, en dat, net als alle andere kinderen in de klas, voorin op mocht zeggen.
In mijn kindertijd leerde ik dat vanuit de oude berijming, waardoor ik tegenwoordig vaak niet, zoals vroeger, uit volle borst mee zingen kan, omdat we vandaag de dag gewend zijn vanuit de nieuwe berijming te zingen.
Net als veel leeftijdgenoten, vind ik dat jammer.
Mijn hart springt op van zielevreugd en jeugdsentiment, wanneer ik ergens ben waar ik zoals vroeger de psalmen mee kan galmen in de oude berijming.


Nu viel mij iets op.
Vanmorgen was ik op een bijeenkomst van vrouwen, waar gesproken werd over het hertje uit psalm 42.
In diepe nood schreeuwt het arme diertje naar de beek, waar water niet alleen zijn lijf verfrist, maar vooral naar een plek waar zijn onrustige binnenkant tot rust mag komen bij God.

In mijn hoofd zong psalm 42 zoals ik dat vroeger geleerd heb,
‘ t’Hijgend het der jacht ontkomen,
schreeuwt niet sterker naar t’genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja mijn ziel dorst naar de Heer,
God des levens ach wanneer,
Zal ik na’dren voor uw ogen,
In uw huis uw naam verhogen.

Als de pen in de hand van het schoolmeisje dat bij meester Jezus in de klas zit, begon mijn hart over de eerste woorden van deze psalm een nieuw lied te schrijven.
t’ Hijgend hert der jacht ontkomen….”

Thuis gekomen heb ik de bijbel gepakt en verschillende versies van psalm 42 gelezen, Engels en Nederlands, en kwam tot een verassende ontdekking!
Tot mijn verbazing lees je namelijk in de oorspronkelijke bijbeltekst van deze psalm, nergens van een hertje dat dorst naar water, Nadat het aan de jacht ontkomen is.
Ik moest er om glimlachen, omdat ik in de kerk van vroeger, en op de School met de Bijbel, vaak in verhitte discussies verzeild raakte over De Oude en de Nieuwe Vertaling van de Bijbel, daaraan automatisch de koppeling naar oude en nieuwe berijming van de Psalmen.
De Nieuwe Vertaling aanhangers werd daarbij veelal de mond geprobeerd te snoeren met de tekst uit Openbaring 22

‘En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.’
‭‭Openbaring‬ ‭22:19‬ ‭SV1750‬‬
http://bible.com/165/rev.22.19.sv1750

In de gesprekken van destijds, werd niet alleen “afdoen” als heiligschennis gezien, het zelf erbij bedenken van woorden die niet in de tekst stonden, stond automatisch gelijk aan dat “afdoen”
Onwetend en zoekend zoals ik was, praatte ik ook maar na wat me geleerd was.
In mijn wanhopig en zoekend hart had ik tenminste een soort van houvast in de woorden uit de Oude Vertaling en Oude Berijming.
Hongerig naar de Levensboom en bang mijn deel afgenomen te zien worden, wat dat deel dan ook maar betekende, klampte ik me in dit soort discussies vast aan het religieus denken van die tijd.
Tenminste, dat is hoe ik nu denk over deze gesprekken, en probeer me er daarom ver van af te houden, omdat het niets te maken heeft met het vanaf mijn geboorte schreeuwend hart, dat als het hertje uit Psalm 42 hunkerde naar het Levende Water.

Vandaar mijn glimlach over de ontdekking van vanmorgen; in geen enkele vertaling van Psalm 42 is er een verwijzing naar een hert, dat ontkomen aan de jacht, dorst naar een beekje waar het water drinken kan.
Hoe komisch is het dan, dat deze zin alleen voorkomt in de oude berijming van deze psalm, en dus door de heren berijmers, “ erbij is bedacht”

Ik dank ervoor!
Het is vast gedicht door iemand die in het berijmen van deze psalm niet alleen zijn hoofd, maar vooral zijn hart liet spreken, en daardoor profetische woorden schreef.
Daarin ontdek ik (weer) dat we een God vol humor hebben.
Een God die je doet lachen van plezier en mij in ieder geval laat glimlachen om de in de oude berijming uitgesproken profetie, en mijn voorhoofd doet fronsen om het religieus gepraat, dat niets met relatie te maken heeft.
Relatie met een levende God, de schepper van hemel en aarde, die als het hertje in Psalm 42, snakt naar omgang met mij!
Ik, die van nature zondig ben, en daarom niet anders heb verdiend dan Zijn toorn, zoals het in Efeze 2 staat.

Daarom is de zin ” t’Hijgend hert der jacht ontkomen” , zoals in de Oude Berijming op noten is gezet, zó passend in het Nieuwe Testament, het nieuwe verbond dat spreekt en getuigt van verlossing en redding door Genade alleen.
Waarom?
Omdat ik, degene die eerder nog opgejaagd door satans voortdurende aanklacht van niet goed genoeg zijn, zelfveroordeling, schuld en schaamte, nu meer dan goed ben door Jezus Christus,de Zoon van God, het opgejaagde en geslachte Offerlam.
Hij nam mijn plaats in, waardoor mijn zonde Zíjn dood werd!
Hij is niet aan de jager ontkomen, daardoor kan ik nu zingen over het zelf aan de jacht ontkomen zijn!
Hij riep aan het kruis;” mij dorst” en kreeg zure wijn te drinken, waardoor ik nu het Levend Water mag drinken aan Zijn beek van gerechtigheid, vrede, vergeving, ontferming, genade, barmhartigheid en liefde.
Kortom ik mag leven in de schuldvrije ruimte, waar ik , niet meer opgejaagd, vrij drinken mag van Hem, de gekruisigde en opgestane Heer.

Zing je met me mee?

t’Hijgend hert der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar t’genot,
Van de frisse water stromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God,
Ja mijn ziel dorst naar de Heer,
Die mij telkens keer op keer,
Met een hart vol met mededogen,
Brengt waar ik Hem wil verhogen!

Ds. J.Catsburg

Zevenentwintig weken zwanger van mijn tweede kindje wist ik dat er iets niet klopte.
Nog meer dan het weten, ik voelde het.
Op controle bij de huisarts werd me gezegd me niet zo druk te maken, waardoor ik weer enigszins gerustgesteld was.
Maar toch…

S’nachts kreeg ik weeën en werd met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
Eenmaal aangekomen in één van de onderzoekkamers kwam de gynaecoloog bij me waarna ze met zo’n toeter op mijn buik luisterde naar de hartslag van mijn kindje binnen in mij.
De woorden die ze toen sprak waren van een niet te bevatten kille waarheid, zoals de hakbijl van de guiotine die in vliegende vaart naar beneden suist en je hoofd van je romp snijdt, waarna het als een voetbal naar de lijn van buitenspel rolt.
“Oh, die vrucht is allang dood”

Verbijsterd over de snelheid waarmee mijn romp gescheiden was van mijn hoofd, lag ik als verlamd in het felverlichte ziekenhuiskamertje
Hoofd en romp als twee verschillende onderdelen uiteen gereten, ik kon niet meer denken.
Maar voelen des te meer, mijn eigen hart, dat tot voor kort in mijn lijf nog in stereo klopte, bonsde nu in mono ongenadig door.
Ik wilde wel dat dat ook gestopt was, tegelijk met dat van mijn ongeboren “vrucht”
Terwijl ik als verlamd in dat verschrikkelijk onpersoonlijke kamertje neergelegd werd, begon in mijn binnenste een strijd op leven en dood.
Mijn eigen hart dat het contact met mijn hoofd en het dode kind in mij verloren had, begon een stille kreet, een schreeuw van hoop en wanhoop, een hysterisch roepen en gillend krijsen.
” Nee nee nee, mijn kind is niet dood, mijn kind leeft”
” Vrucht? Mijn kind! Ik heb geen ananas of een meloen in mijn buik, mijn kind…!”
Stom en mijn keel dichtgeknepen van angst over wat komen ging, groeide van binnen een muur van verzet en bescherming om mijn eigen kloppend hart en om het stilgelegde hart van mijn dode kind.
Alsof ik mijn armen om mezelf en mijn baby heensloeg, om hen voor de harde werkelijkheid te beschermen.
De werkelijkheid van de dood, die onbarmhartig en zonder enige vorm van genade binnenin mij toegeslagen had.
Me zelf als levende moeder scheidend van mijn levenloze kind.
“Een dode vrucht”

Of ik wilde of niet, de natuurwetten deden hun werk, mijn kind moest eruit, zodat ik zelf verder leven kon…
Terwijl ik het beschermen wilde voor de naaktheid van het lawaai en de felle lampen om me heen, voltrok zich toch geruisloos het geboorte proces.
En hoe stil werd het toen.
Oorverdovend stil…
Mijn zoontje hield zijn oogjes met de rossige wimpertjes stijf dicht.
Zijn mondje ging niet huilen, omdat zijn longetjes geen seintje kregen zich te ontplooien.
Als een slappe pop lag hij in de handen van de arts, die mijn kind een vrucht noemde.
Als een slappe pop lag ik ook zelf, schijnbaar zonder enige emotie, in mijn binnenste te schreeuwen.
” Ga huilen, ga huilen”
Mijn zoon hield zijn lippen op elkaar, en ik ook.
Met mijn ogen keek ik, maar weigerde te zien wat ik zag.


Terwijl mijn lijf deed wat het doen moest, en dat wat niet meer leefde uitdreef, ging in mijzelf ook iets dood.
De schreeuw van pijn, verdriet, verbijstering en wanhoop werd omsingeld door een leger van zelfbescherming, dat daarna zijn eigen wetten bepaalde.
De poort werd gesloten om jaren later open te barsten.
Als een vulkaan, waar aan de buitenkant niets te zien is, maar waar in het binnenste langzaam alles tot een kookpunt komt, om daarna zijn lava in een geweldsexplosie vrij te geven, zo barstte jaren later de bom.
Door de opsluiting enorme schade in mijzelf gemaakt, beschadigde het daarna ongewild wie ik lief had.
De omgevingsdruk, niet meer te praten over mijn doodgeboren kind, heeft zowel in mezelf als in de omgeving wonden nagelaten.
Zwijgen maakte dat ik zelf, zowel als de omgeving een masker droeg.
Hoe bevrijdend en helend is het daar samen achter te komen en gezamenlijk de maskers af te gooien!

De dag na de geboorte vroeg ik aan de arts waar mijn kind was.
Niemand sprak verder over het vervolg, terwijl ik mijn zoontje begraven wilde.
” Gaat u er dan ook een zerkje op zetten?” vroeg ze verbaasd…

Ondertussen was mijn lijf moeder geworden en gaf melk.
Alles deed het gewoon, zoals het dat doet na een geboorte.
Met volle borsten en een lege buik, mijn handen bovenop de dekens lag ik verstild in mijn bed, terwijl ondertussen mijn zoontje begraven werd.

Daarna zou de dominee bij mij in het ziekenhuis komen.
Een bezoek dat ik nooit meer vergeten ben, omdat ook hij mij aanraakte en iets sprak…
Ds.J.Catsbug kwam naar me toe en legde zijn grote handen bovenop die van mij.
” Vrouwtje”
Dat was alles wat hij in die eerste ogenblikken zei, “Vrouwtje”

Het gebeurt maar zelden dat een enkel gebaar, een enkel woord, zoveel troost en medeleven uitdrukken, waarna verder praten alleen maar kapot maken wat daarnet uitgedeeld is.
Meer was op dat moment niet nodig.
Iemand raakte mijn verlamde handen die ik beschermend op mijn lege buik gelegd had aan en zag de wond binnen in mij.
Iemand keek in mijn ziel en peilde zonder dat ik de dikke poort open deed mijn verdriet en wanhoop.
Een diep mededogen doorboorde als een liefdespijl de dikke muur om met de punt binnen in de vesting trillend na te veren.

En deze pijl veert nog steeds na.
Omdat deze afgeschoten werd vanuit de hemel, rechtstreeks afkomstig uit het hart van God, de Vader van Jezus Christus de gekruisigde en opgestane Heer.

Wat wilde ik op die dag in het ziekenhuis dat die handen me nooit meer loslieten, dat ze daar voor altijd bleven liggen.
En dat zijn ze ook.
Omdat op dat moment ds.Catsburg Jezus was voor mij.
Zijn doorboorde handen hebben mij in zijn Vader al vanaf de schepping gedragen.
Mijn lege handen, moedeloos bovenop de deken van wanhoop, schuld en schaamte neergelegd, heeft Hij bedekt met zijn liefde.
In zijn kruisdood heeft Hij mijn schuld niet onder de deken geveegd, maar in zich zelf opgenomen om er daarna zelf in te stikken.
Als in een baarmoeder werd Hij in het graf gelegd, een dode zoon.
Maar Halleluja, Hij stond op uit de dood waardoor in mijn binnenste een nieuw leven werd geboren.
De dood is teniet gedaan, Hij leeft!
Hij leeft in mij!

Wat kan ik me verheugen op het weerzien met Marlon, mijn zoon, die leeft bij Vader in de hemel.
Daar mijn tranen te huilen waarna Vader mijn ogen droog dept, en ik mijn zoon ontmoeten zal omdat deze Vader zíjn Zoon gaf als betaling voor en ontmaskering van het kwaad.
In Hem leven en bewegen wij.
Jezus…

Opgedragen aan ds.J.Catsburg.
9 mei 1984 op 55 jarige leeftijd te Garderen overleden.

Poerstok.

Wanneer het zomer was gingen Vader en Moeder graag naar de dijk met ons.
Een oud sprei, dat we nu vintage noemen, broodjes, koffie en gazeuse mee, genietend van klein geluk.
Moeder vindt zwemmen altijd al heerlijk, waardoor het water van het IJsselmeer een enorme aantrekkingskracht op haar heeft om bij de stenen onder aan de dijk al zwemmend het ruime sop te kiezen.
Juist daar kan ze, net over de geul, lange einden weg zwemmen.
Vader vindt het heerlijk om zijn ontblote bast te laten koesteren in het warme zonnetje, vandaar dat hun lievelingsplek in de zomer, net voorbij het eerste hek van de dijk, ettelijke dagen bezet was.
Het op eerdere dagen platgetrapte hoge gras van de dijk gaf hun geliefde stekje aan het door schaapjes bevolkte groen aan.
Wanneer we de keuteltjes van de blatende bollen wol op vier poten hadden weg geveegd, spreidde Moeder het kleed en konden we gaan recreëren onder het wolkenloze blauw van Vaders’ hemelruim.

Vader had op een goede dag van een boomtak een poerstokje voor mij gemaakt, waarmee ik het ene na het andere voorntje ophaalde.
Vraag me niet hoe het kan, maar toen ik een echte hengel kreeg heb ik lang niet meer zo veel visjes kunnen verleiden de worm aan het haakje op de peuzelen
Alsof ook in de singels en het water van het IJsselmeer een automatisch afgesproken quotum was ingesteld zonder dat enig minister van landbouw en visserij zich daarmee bemoeid had, laat staan de hotemetoten die het visserijbeleid in het Europees Parlement bepalen.

Of misschien vonden de voorntjes het wel schattig, een klein meisje met een door Vader provisorisch in elkaar geknutseld hengeltje.
Als ze geweten hadden dat ik zo gemeen was om hen in met een worm vermomde haak te laten bijten, had vast nooit één visje zich door mij laten bovenhalen.
Ze zouden de hele school vissen bij elkaar geroepen hebben om elk voorwerp, dat beslist niet op de bodem van hun leefwereld thuis hoorde, aan mijn haak te hangen.
Het liefst zo zwaar mogelijk om wanneer mijn dobber aangaf dat ik beet had, en ik verrukt mijn hengel op wilde halen, door het gewicht voorover kukelde en pardoes tussen de mij uitlachende voorntjes belandde.

Zie je het voor je?
Nou ik wel…
Beduusd en in shock duikel ik voorover.
Wanneer er een wedstrijd onelegant-springen zou bestaan had ik vast en zeker het erepodium behaald, toegejuicht door de waterbewoners die mij gecoacht hebben deze plek te behalen.
Met hun getuite vissenlippen roepen ze “lekker puh” waarna alle toeschouwers op de tribune door hen aangemoedigd luider en luider mee roepen” lekker puh”.
De plaatselijke fanfare bespeeld toeterend en trommelend hun trompetten en slagwerk, waarbij de grote trom de maat aangeeft in het roepen van “ lekker puh”
Door het uitgelaten lawaai, gaat het dak van het stadion eraf en belandt met een kracht als afgeschoten door een kanon uit de tachtigjarige oorlog, zo eentje als bij het Naarden Vesting Museum, temidden van het maisveld van de trotse boer, die juist vanmiddag nog bij de buren opgeschept had over zijn hoge goudgele mais.
Verdorie, nu ligt daar dat dak van het nabijgelegen zwemparadijs, midden op zijn veld met geknakt mais.
Hij vraagt zich af waarom het nou juist bij hem en niet op het naastgelegen veld van de buurman is belandt, daar hij zeker weet dat zijn collega tussen het mais een ander tuintje heeft gezaaid.
Verborgen tussen de maisplanten staan, welriekend als de geuren in het Vondelpark, honderden wietplantjes welig te groeien en bloeien.
Omdat hij zichzelf niet de beroerdste vindt heeft hij het maar gedoogd, in de hoop straks een graantje mee te pikken van de oogst.
Tja, zijn eigen oogst is grotendeels verloren gegaan…
Nog een gelukje dat hij zojuist zijn rondgang tussen het mais gedaan had, anders was hij nu zelf geplet geweest.

Nieuwschierig welke ontploffing deze vernieling heeft aangebracht besluit hij op het uitbundig en steeds meer hysterische ” lekker puh” geroep af te gaan.
Hij is niet de enige, blijkt spoedig.
Al gauw belandt hij in een file van toegestroomde wielrenners, hardlopers, automobilisten en touringcars.
De chaotische toestand noopt de politie orde op zaken te stellen, maar de uitgelaten menigte laat zich niet tegenhouden, bang zich dit pretje af te laten pakken.
De atmosfeer trilt van opgewonden verwachtig, over wat er aan de hand is in het eerst nog overdekte zwemparadijs maar sinds kort een openluchttheater.
Ten einde raad roept de politie de hulp van het leger in, daar ze onmogelijk de aanzwellende menigte in de hand kan houden.
Om nou al die blije mensen met de wapenstok te lijf te gaan, lijkt hun ook niet zo verstandig, nee, hier is een hogere macht nodig.
Al gauw komen van alle kanten leger jeeps, bemand met knappe in legeruniform gestoken stoere jongens de politiemacht versterken.
Maar ach, het is onbegonnen werk…
Wat moeten ze nu doen, al deze groen en blauw geklede machtsdienaars?
Één voor één gooien ze hun petten en wapenstokken van zich af om zich temidden van het gejuich en gejoel te begeven, waarna de uitgelaten menigte hen al skydivend begroet.

Het wordt al gekker en gekker!
De op de hoogte gebrachte nationale pers komt ook snel ter plaatse.
Daar het onmogelijk is zich een weg door de mensenmassa te banen zetten ze helikopters in, om in een concurrentiestrijd de eerste te zijn die op tv en internet verslag uitbrengt van dit wonderbaarlijke mysterie in het nog voor kort onbekende dorpje aan het IJsselmeer.

De boer die tussen het mais zijn verboden kruid heeft aangelegd, begint zich nu toch wel te knijpen…
Stel dat de scherpe ogen van de pers zijn geheim ontdekken?
Het is haast niet meer te voorkomen, dat snapt hij wel, en om nou in allerijl zijn bijna rijpe plantjes te gaan oogsten, daar is het nu al te laat voor.
Het loopt hem groen en geel tussen zijn benen van benauwdheid, en in gedachten ziet en hoort hij de blauw gillende flikkering van de politiesirenes zijn erf op scheuren, om hem en zijn van niets wetende echtgenote geboeid af te voeren.
Hij ziet de krantenkoppen al voor zich:” streng gereformeerde boer betrapt op wietteelt”
Maar gelukkig, zijn schietgebedjes worden verhoort, het lijkt de nieuwsvergarende pers te gaan om wat er in het zwembad gebeurt.

Ondertussen sta ik bedremmeld op het erepodium, mezelf verbaasd afvragend wat er om me heen gebeurt.
Ik heb toch alleen maar mijn door Vader geknutseld poerstokje uitgegooid…

Verbijsterd zie ik Mathijs van Nieuwkerk, uit één van de boven mij cirkelende helikopters, aan een touw met veiligheidszitje neergelaten worden.
Onmiddellijk gevolgd door Jeroen Pauw en Twan Huys.
Vlak na elkaar landen ze aan mijn voeten, waarna de drie journalisten elkaar in de haren vliegen over wie deze primeur binnen mag halen.
Welke primeur, wat is hier in vredesnaam aan de hand?
Ik gooide toch alleen maar mijn poerstokje uit, waarna ik door de zwaarte van wat er aan mijn haakje hing voorover kukelde in de meest onelegante duik ooit gemaakt.

De zwemmeester maakt een eind aan de strijd tussen de mannen die alsof ze drie haantjes zijn, de één nog luider dan de ander kraaiend elkaar de veren uitrukken in hun gevecht om dat ene kipje.
En dat kipje schijn ik te zijn!
Dat wordt me plotseling duidelijk.
Terwijl ik vanmorgen nog met Vader en Moeder, aan de dijk mijn simpele door Vader gemaakte poerstokje uitwierp, in de hoop mijn emmertje te vullen met voorntjes, of misschien wel een dikke paling.
Moeder ging kilometers een uit mijn zicht verdwenen verte zwemmen, waardoor ik in mijn kinderfantasie gevoed brein haar weer aan land zag klimmen in Enkhuizen, aan de overkant van het IJsselmeer.
Vader lag tevreden knorrend op ons sprei-kleedje, en ik staarde met tegen de zon inkijkend tot spleetjes dichtgeknepen ogen naar mijn, door het rustig kabbelende water van het meer, op en neer bewegend dobbertje.

Alsof ik geen stem in het geheel heb sluiten de drie kemphanen aan de voet van mijn ereplek een verbond, en om de lieve vrede wordt besloten er een gezamenlijke show van te maken, waarbij na loting Mattijs van Nieuwkerk de eerste vraag mag stellen.

Onder luid applaus zit ik s’avonds aan tafel van een nog nooit eerder zo vredige samenwerking tussen de verschillende omroepen.
De draaiende camera’s nemen iedere beweging op, en zenden via alle zenders live uit.
Als eerste wordt verslag gedaan van de op pleinen en in stadions opgestelde metershoge schermen, zodat iedereen kan meegenieten van een nog nooit eerder zo vermakelijke uitzending.
Mij wordt verzekerd dat in de hele wereld mensen op de been zijn, om zich te begeven naar plekken waar men de rechtstreekse uitzending kan mee beleven.
Een grote verbroedering van elkaar begroetend en zoenend zwart, geel en blank gekleurde mensen, is op zich zelf al reden deze uitzending nu al als meest bekeken progamma ooit te bestempelen, en meteen te nomineren voor de gouden Televizierring.
Ik hoor om me heen fluisteren over wereldwijde stemming voor de aanstaande uitreiking van de Nobelprijs voor Onbezonnen Lol en Jolijt aan ….mij?
Ik heb, verstomd van verbazing en ongeloof, nog steeds geen woord uit kunnen brengen.
Wanneer het sein gegeven wordt met de live uitzending te kunnen starten, vraagt Matthijs van Nieuwkerk met een van spanning trillende stem, (zo onzeker heb ik hem nog nooit gehoord ) “vertel eens, wat maakt dat het je gelukte om in één dag een zo grote wereldwijde beweging in gang te zetten?”

Huh?
Terwijl ik nog nadenk over welke beweging hij bedoelt, en wat ik antwoorden zal, voel ik iemand aan mijn arm schudden, en hoor in de wazige verte van mijn, in het zomerzonnetje gekoesterd slaperig brein, de stem van Vader roepen;
“ Onze Trien, je hebt beet…”

Kunstgebit

Vader kreeg een nieuw gebit
Een prothese.
Nu was het sowieso een heikel punt in onze familie, die tanden.

Mijn eigen tandjes waren al verrot eer ze door waren.
Tenminste dat vertelde moeder, en zij kan het weten.
Alles wat je je niet herinnert van vóór je zelf kunt denken, heb je meestal van moeder gehoord.
Ik dus ook.
Ze vertelde me dat wanneer er door opoe een zak snoep werd gegeven, deze onaangeroerd in de kast bleef liggen.
Door het snoepen kwam het dus niet, die rotte tandjes.
Het zal wel een soort gebrek geweest zijn tijdens mijn wording in moeders buik.
Dat het met kalk te maken heeft, is zeker en vast.
Alhoewel ik geen biochemicus of arts of één of andere geneeskundige professor ben, mijn lijf zegt dat het aan een tekort van kalk ligt.
Temeer daar ik al op jonge leeftijd versleten heupen had.
Maar moeder kan daar niets aan doen natuurlijk, ik groeide gewoon lekker in haar buik, me van geen kwaad bewust.

Pas later toen ik wat groter was werd het lastig,die rotte tanden.
Ik schaamde mij ervoor, en deed automatisch mijn hand voor mijn mond.
Op 16 jarige leeftijd werd alles eruit getrokken en kreeg ik ook een prothese.

Maar nu eerst de tanden van Vader, hij kreeg dus een kunstgebit!
Wat ik me ervan herinner was dat we naar Amsterdam gingen waar hem onder lichte narcose alle tanden werden uitgetrokken en meteen daar bovenop zijn nieuwe gebit werd geplaatst.
Gelukkig wist ik er het fijne niet van, alleen dat we een wereldreis naar Amsterdam gingen maken,en Vader naar de tandarts moest.

Stel dat ik precies op de hoogte was geweest…mijn maag draait er van om en ik wil gelijk weer naar tante Zwaan rennen om me onder haar vleugels te verstoppen.
( Zie “Zwaan kleef aan “)

Wat een vreemd gezicht was dat, Vader met een nieuw gebit.
Als kind snapte ik er niet zo veel van, waarbij ik tegelijkertijd in een zalige onwetendheid alles maar nam zo het was.
Oh, kind te zijn.
Naïef en onschuldig de wereld beleven, want Vader en Moeder zorgen voor je.

Een tijdje later kreeg Moeder een nieuw gebit.
Ook bij dezelfde tandarts in Amsterdam.
Wat schrok ik toen ik haar de eerste keer zag met haar nieuwe tanden!
Omdat ze al een prothese had en daarvan haar ondergebit meestal niet in had, zag ze er ineens anders uit.

Ik moet er nog vaak aan denken wanneer ik zo’n ansichtkaart zie met een lachend paard er op afgebeeld.
Zelf kon ik dat vroeger nog niet bedenken, maar ik hoorde steeds zeggen dat het wel leek alsof ze een paardebek had, ( sorry paardenliefhebbers, ik weet dat een paard geen bek maar een mond heeft)
Moeders gezicht was één en al mond vol tanden.
Letterlijk gesproken dan, want ik geloof dat Moeder niet gauw met een mond vol figuurlijke tanden zit.
Ze is niet op haar mondje gevallen, zeg maar…
Gelukkig niet, want wanneer we op de buurt belaagd werden ging ze erop af, zelfs wanneer haar tanden in een glas sterident op het aanrecht stonden.

We wenden er natuurlijk aan, die mond vol tanden van Moeder.
Ze was er alleen maar mooier op geworden en leek weer precies op de mooie houtskooltekening die Vader gemaakt had tijdens hun verkeringstijd.
Mijn Vader, die als jonge man verliefd op Moeder haar vereeuwigde in een foto-precies portret.
Het hangt gelukkig nog steeds aan de muur in hun seniorenhuisje van nu.

Met haar nieuwe tanden kon ze tenminste ook in een appel bijten.
Daarvoor zoog ze nog op van die zachte Tum Tum, daar was ze dol op.
In alle kleuren van de regenboog zacht gesuikerde bolletjes, waarvan ik er af en toe ook eentje mocht.
Grappig hoe dit soort memorys je altijd bijblijven.
Of het nou precies zo gegaan is of niet.
Wanneer ik in de winkel zo’n zak Tum Tum zie liggen zie ik die ook voor me liggen in de ingebouwde kamerkast van mijn ouderlijk huis.
Zelfs de geur kan ik nu ruiken.

De tandarts in Amsterdam had trouwens een goeie aan mijn ouders, want diverse familieleden togen daarna naar Neerlands hoofdstad om zo’n mooi kunstgebit als dat van Va en Moe.

Ook ik zat jaren later in de stoel bij Tandarts Pimental aan de Plantageparklaan in Amsterdam.
Toen ik terug kwam was het eerste wat Vader en Moeder vroegen: ” ligt er nog steeds dat stukje ouwe vloerbedekking in de wc?”
En inderdaad, dat lag er nog steeds.
Vloerbedekking in de wc, hoe bedenk je het!
In een praktijk nog wel liefst…

Maar gebitten maken, dat kon Pimental als geen ander.
Wat maalde je om dat kleine kamertje, als wat er in de andere ruimte gebeurde maar goed was.
Ik geloof dat Moeder daarna nooit meer een beter kunstgebit heeft gehad dan dat van Pimental uit Amsterdam.

Dat doet me denken aan een tekst uit de Bijbel over de tanden van een vader en die van de kinderen.

‘Hoe komt gij er toch toe, dit spreekwoord te gebruiken in het land Israëls: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden?’
‭‭Ezechiël‬ ‭18:2‬ ‭NBG51‬‬
http://bible.com/328/ezk.18.2.nbg51

Het gaat hier om de erfzonde.
Zonde van de ouders, die zelfs op de kinderen een weerslag hebben.

Het is daarom dat Jezus aan het kruis zure wijn dronk.
In dat drinken van de vrucht van onrijpe druiven nam Hij ook deze zonde in zich op en werd de macht van de erfzonde verbroken.

In plaats daarvan mogen we nu drinken uit de beker der dankzegging, waarvan het hart vrolijk wordt.
Hooguit worden je tanden er een beetje paars van, maar dat geeft niet.
Stel je voor, een kerk met lachende monden vol paarse tanden.

Kom laat het feest zijn in het huis van God, je zonden zijn vergeven!
Van geslacht op geslacht duurt zijn trouw,
Eeuwig…